Over een profeet die het gezicht van God wilde zien, een hand die hem toedekte, en de ontdekking dat wij God bijna altijd pas herkennen als Hij net voorbij is

Mozes vraagt om het onmogelijke.

Hij heeft dan al zoveel gezien. De brandende braamstruik die niet verteerde. De tien plagen. Een zee die openging en zich weer sloot. Brood uit de hemel, water uit een rots, een wolk die overdag voor het volk uit trok en een vuur dat ’s nachts brandde. Hij heeft met God gesproken zoals een mens met zijn vriend spreekt, staat er even eerder, van aangezicht tot aangezicht. En toch is het hem niet genoeg. Hij wil meer. Hij wil alles.

“Toon mij toch Uw heerlijkheid!” (Exodus 33:18).

Het is een verzoek dat je bijna de adem beneemt door zijn vrijmoedigheid. Laat me U zien. Niet Uw werk, niet Uw sporen in de geschiedenis, niet de rug van de wolk waarin U zich verbergt. U. Volledig. Van voren. Het gezicht.

En het antwoord is even teder als onverbiddelijk.

“U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven” (Exodus 33:20).

Het is geen weigering uit zuinigheid. Het is geen God die iets achterhoudt omdat Hij het niet gunt. Het is een God die weet dat wat Mozes vraagt hem zou verpletteren, zoals je een pasgeborene niet in de volle middagzon legt. De volheid van God, onbemiddeld, van voren, recht in het gezicht, is niet iets wat een mens overleeft. Niet omdat God wreed is, maar omdat wij klein zijn.

En dan doet God iets wat tot de mooiste beelden in heel de Schrift behoort. Hij weigert niet, en Hij willigt ook niet volledig in. Hij vindt een derde weg.

Zie, er is een plaats bij Mij, waar u op de rots moet gaan staan. En het zal gebeuren, als Mijn heerlijkheid voorbijtrekt, dat Ik u in een kloof van de rots zal neerzetten en u met Mijn hand zal bedekken totdat Ik voorbijgegaan ben. En zodra Ik Mijn hand wegneem, zult u Mij van achteren zien; maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden. Exodus 33:21-23

Er is een plaats op de rots. Er is een kloof waarin Mozes wordt weggeborgen. Er is een hand die hem toedekt terwijl de heerlijkheid voorbijtrekt. En pas als het voorbij is, pas als de hand wordt weggenomen, mag hij kijken. Niet naar het gezicht. Naar de achterkant. Naar de plek waar God net geweest is.

Ik ben ervan overtuigd dat dit geen voetnoot in het verhaal is. Ik denk dat dit een prent is van hoe geloven werkt. Van hoe wij God bijna altijd leren kennen. Niet van voren, live, in het volle licht. Maar van achteren, terugkijkend, in de kloof, met de herinnering aan een hand.

Wij willen het gezicht

Laten we eerlijk zijn over wat Mozes daar vroeg, want het is precies wat wij vragen.

Wij willen het gezicht. Wij willen zekerheid, en het liefst nu. Wij willen het bewijs, tastbaar, controleerbaar, iets wat we aan een ander kunnen laten zien. Wij willen het waarom, uitgelegd, van tevoren, zodat we weten waar we aan toe zijn voordat we de stap zetten. Wij willen God van voren, en wel op dit moment, terwijl het gebeurt, met ondertiteling erbij.

Er is niets goedkoops aan dat verlangen. Mozes vroeg het niet uit ongeloof maar uit intimiteit. Het is het verlangen van een geliefde die de ander helemaal wil zien. Wie God nooit om Zijn gezicht heeft gesmeekt, mist misschien iets in de omgang met Hem. De honger is echt en heilig.

Maar de honger loopt bij ons vaak uit op teleurstelling, en dat komt doordat wij het gezicht verwachten op een moment waarop God ons de achterkant geeft. Wij staan bij de brandende braamstruik van onze eigen crisis en wij vragen: waarom, en waartoe, en hoe loopt dit af. En de hemel zwijgt, of geeft hooguit een kloof en een hand en de belofte dat we het later mogen zien. Dat voelt als te weinig. Het voelt als een God die zich verstopt.

Tot je verder komt en terugkijkt.

Wat wij krijgen is de achterkant

Denk aan de keren dat je achteraf zag dat God erbij was.

Bijna niemand kan zeggen: ik voelde Zijn hand op het moment zelf, glashelder, van voren, en ik wist precies wat Hij aan het doen was. Wat de meesten van ons wel kunnen zeggen is iets anders. Pas maanden later, soms jaren later, terugkijkend op een periode die op dat moment alleen maar donker en verward voelde, zie je opeens een lijn. Je ziet dat de deur die dichtviel je behoedde voor iets. Dat de omweg die je vervloekte je ergens bracht. Dat de mens die op het juiste moment opdook geen toeval was. Op het moment zelf zag je niets dan mist. Achteraf zie je een spoor.

Dat is de achterkant van God. Het is de plek waar Hij net voorbij is. Je ziet Hem niet aankomen. Je ziet Hem zelden terwijl Hij passeert. Maar in Zijn kielzog, als de hand wordt weggenomen en je durft om te kijken, herken je: Hij was hier.

Geloof is voor een groot deel niet vooruit staren en doorgronden, maar achteruit kijken en herkennen. De leiding snap je meestal pas als je voorbij de bocht bent.

Het is de moeite waard om te zien hoe letterlijk de tekst dit maakt. Want wat Mozes uiteindelijk van God te zien en te horen krijgt terwijl Hij voorbijtrekt, is niet een verschijning maar een Naam. In het hoofdstuk erna roept de HEERE bij het voorbijgaan Zijn eigen karakter uit: “HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw” (Exodus 34:6). Dat is wat Mozes te zien krijgt van de achterkant. Geen gezicht om te doorgronden, maar een karakter om te herkennen. Niet wie God er precies uitziet, maar wat Hij doet en wie Hij daarin blijkt te zijn. En dat is precies wat wij achteraf zien: niet het gezicht, maar de goedheid die voorbijtrok en die we pas in de terugblik bij naam durven noemen.

Van achteren

Het woordje dat de Statenvertalers weergaven met van achteren is in het Hebreeuws een ruw en bijna verlegen woord. Het betekent zoiets als Mijn rug, Mijn achterzijde, de kant die je ziet van iemand die van je weg beweegt. Het is geen verheven term. Het is de kant die je ziet van een gestalte die net de hoek om gaat.

En daar heeft de kerk door de eeuwen heen iets moois in gezien. Gregorius van Nyssa, een kerkvader uit de vierde eeuw, schreef een heel boek over het leven van Mozes, en juist bij dit gedeelte zegt hij iets wat blijft hangen. De achterkant van iemand zie je alleen als je achter die persoon aan loopt. Je ziet de rug van degene die je volgt. Dus, redeneert Gregorius, God tonen dat Mozes alleen Zijn achterkant zal zien, is een andere manier om te zeggen: volg Mij. Ga achter Mij aan. Wie voor God uit wil lopen om Hem recht in de ogen te kijken, keert zich in feite van Hem af. Wie Hem volgt, ziet Zijn rug, en dat is precies goed.

Dat verandert iets aan het gevoel van tekort. De achterkant is niet de tweede keus die overblijft als het gezicht niet mag. De achterkant is de kant die hoort bij het volgen. Je krijgt de rug te zien omdat je erachteraan gaat, en dat is de enige houding waarin een mens God door dit leven heen werkelijk leert kennen. Niet als toeschouwer die Hem van voren analyseert, maar als volgeling die Hem van achteren nakijkt en langzaam Zijn gang leert lezen.

Wat achteruit gelezen wil worden

Een Deense denker, Søren Kierkegaard, schreef ooit een zin die je bijna naast Exodus 33 zou kunnen leggen. Het leven, zei hij, kan alleen achterwaarts begrepen worden, maar het moet voorwaarts geleefd worden. Daar zit de hele spanning van het geloof in. Wij moeten vooruit leven, keuzes maken, stappen zetten, de kloof uit en de weg op, zonder het overzicht. En begrijpen kunnen we het pas achteraf, als we ons omdraaien en zien waar we vandaan komen.

De Bijbel staat vol mensen die dit overkwam.

Neem Jakob, alleen op de vlucht, een steen onder zijn hoofd, een droom over een ladder. Als hij wakker wordt zegt hij iets ontroerends: “Werkelijk, de HEERE is op deze plaats, en ik heb het niet geweten” (Genesis 28:16). Hij lag te slapen op heilige grond en hij wist het niet. God was erbij, en de herkenning kwam pas achteraf, met een schok. Hoe vaak is dat niet onze zin geworden. De HEERE was daar, en ik heb het niet geweten. Ik dacht dat ik alleen was.

Of neem de twee mannen op weg naar Emmaüs, op de dag van de opstanding, verslagen, pratend over alles wat misgegaan was. Een vreemdeling voegt zich bij hen en legt hun onderweg de Schriften uit, en pas als Hij het brood breekt herkennen ze Hem, en dan is Hij weg. En wat zeggen ze tegen elkaar? “Was ons hart niet brandend in ons, toen Hij onderweg tot ons sprak en voor ons de Schriften opende?” (Lukas 24:32). Merk op: brandend was. Verleden tijd. Terwijl het gebeurde voelden ze wel iets, maar begrepen ze niets. De herkenning kwam achteraf, in de terugblik. Ze hadden de opgestane Heer naast zich lopen en ze zagen het pas toen Hij net voorbij was.

Dat is de achterkant. En het is, denk ik, de gewone gestalte van Gods leiding in een mensenleven. Niet een stem die vooraf de route uittekent, maar een spoor dat je achteraf herkent. Paulus durft daarom te schrijven dat God in alle dingen meewerkt ten goede voor wie Hem liefhebben, maar let op: dat is een zin die je bijna alleen achteruit kunt uitspreken. Vooruit klinkt hij als een gok. Achteruit, staand bij de kloof en omkijkend, klinkt hij als een getuigenis.

De honger die soms wantrouwen is

Nu moet er ook iets scherpers gezegd worden, want anders blijft dit stuk te lief.

Onze honger naar het gezicht, naar zekerheid nu, naar het bewijs van voren voordat we de stap zetten, is niet altijd zuiver. Soms is het het verlangen van Mozes, de honger van de geliefde. Maar soms is het verkapt wantrouwen. Het is het hart dat zegt: ik ga pas geloven dat U goed bent als U het mij eerst laat zien. Ik zet pas een voet vooruit als U mij eerst het hele plan toont. Ik vertrouw U pas als U ophoudt met de kloof en de hand en de achterkant, en eindelijk gewoon van voren tevoorschijn komt.

Dat klinkt vroom, want het klinkt als verlangen naar God. Maar er zit een adder onder. Want een geloof dat het gezicht eist voordat het wil volgen, is geen geloof meer. Het is een onderhandeling. Het draait de rollen om. Niet God die roept en de mens die volgt, maar de mens die eisen stelt en God die maar moet leveren. En de God die zich niet laat dwingen tot de voorstelling die wij verlangen, gaat dan al snel lijken op een God die zich verstopt, of niet thuis geeft, of er misschien niet is.

Paulus schrijft het aan de Korinthiërs met een beeld dat precies bij dit hoofdstuk hoort. “Nu kijken wij door middel van een spiegel, in een raadsel, maar dan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik ten dele, maar dan zal ik kennen, zoals ik zelf gekend ben” (1 Korinthe 13:12). Let op de twee tijden. Nu: de spiegel, het raadsel, het gedeeltelijke, de achterkant. Dan: van aangezicht tot aangezicht, het gezicht dat Mozes vroeg. Het volle zien is beloofd. Maar het is beloofd voor dan, niet voor nu. En het geloof dat het gezicht opeist voor het aanbreken van dat dan, vraagt in feite om het einde van het geloof zelf. Want als je ziet, hoef je niet meer te vertrouwen.

De vraag is dus niet of ons verlangen naar het gezicht mag. Het mag, Mozes vroeg het en God schold hem niet. De vraag is of we, zolang we de achterkant krijgen, bereid blijven te volgen. Of onze honger uitmondt in vertrouwen, of in een staking totdat God levert. Dat is het verschil tussen de geliefde en de onderhandelaar. En eerlijk gezegd wonen ze allebei in mij, vaak op dezelfde dag.

Het ene gezicht dat wel verscheen

En hier draait alles.

Want er is één keer geweest dat God Zijn gezicht wél volledig heeft laten zien. Niet in een kloof, niet toegedekt door een hand, niet van achteren. Van voren. Recht in het gezicht. En geen mens ging eraan dood.

“Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard” (Johannes 1:18). Wat Mozes vroeg en niet kon overleven, is werkelijkheid geworden in een mens. “Hij is het Beeld van de onzichtbare God” (Kolossenzen 1:15). “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (Johannes 14:9). Het gezicht is verschenen. Het onmogelijke van Exodus 33 is gebeurd, alleen niet op de manier die iemand had durven bedenken. God is niet in verpletterende heerlijkheid van voren gekomen. Hij is klein geworden, draagbaar, aanraakbaar, een gezicht dat je kon aankijken zonder te sterven.

En dan het wonderlijke, het bijna ondraaglijke.

De ene keer dat God Zijn gezicht volledig liet zien, hing dat gezicht aan een kruis. Het gezicht van God, de heerlijkheid waar Mozes om smeekte, was uiteindelijk een gemarteld gezicht boven een houten balk. Dáár mochten wij Hem recht aankijken. Niet in de bliksem op de berg. In de man van smarten op Golgotha.

Paulus zegt dat God, die eens uit de duisternis het licht liet schijnen, nu geschenen heeft in onze harten “om ons te verlichten met de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus” (2 Korinthe 4:6). De heerlijkheid, dat woord uit Exodus 33, staat nu in een gezicht. En dat gezicht was, op het moment dat het het meest van God liet zien, bebloed. De volle openbaring van wie God is, van Zijn barmhartigheid en genade en trouw, van heel die Naam die bij Mozes voorbijtrok, gebeurde niet in een lichtflits maar in een offer. Wij wilden het gezicht als bewijs van Zijn macht. Wij kregen het gezicht als bewijs van Zijn liefde, en het huilde en het bloedde en het stierf.

Dus wat blijft er over, voor ons, hier, in de kloof, met de mist voor ons uit en alleen de achterkant om op terug te kijken?

Dit, denk ik. Dat wij mogen ophouden te eisen dat God van voren tevoorschijn komt en het allemaal uitlegt voordat wij een stap zetten. Niet omdat het verlangen verkeerd is, maar omdat de gestalte van dit leven nu eenmaal de kloof en de hand en de rug is, en niet het onbemiddelde gezicht. Dat komt later, dan, van aangezicht tot aangezicht. Voor nu leven we vooruit en begrijpen we achteruit, en dat is geen tekort in ons geloof. Dat is de vorm ervan.

En het betekent dat we mogen leren de achterkant te lezen. Terugkijken en herkennen. De HEERE was op deze plaats, en ik wist het niet, maar nu weet ik het. Mijn hart was brandend, en ik snapte het pas toen Hij voorbij was, maar nu snap ik het. Dat is geen tweede keus. Dat is de manier waarop mensen die Hem volgen Hem werkelijk leren kennen, langzaam, van achteren, terwijl ze achter Hem aan lopen.

En wie de achterkant zo leert lezen, wie leert om in de terugblik het spoor van Zijn goedheid te herkennen, komt uiteindelijk uit bij die ene plek waar het gezicht wel te zien was. Want als je goed leert kijken naar waar God net voorbij is, naar het kielzog van Zijn barmhartigheid door je leven heen, dan brengt dat spoor je bij het kruis. En daar, in de doorboorde handen van dat gemartelde gezicht, herken je Hem helemaal. Niet de God die je pest en zich verstopt. De God die met je meeging, die Zijn hand over je hield in de kloof, en die Zijn eigen gezicht liet verbrijzelen zodat jij het aan zou durven kijken.

Wie de achterkant leert lezen, ziet daar Zijn hand.

Dit was een doordenking, geen sluitend antwoord. Wie er een systeem van wil maken waarin voortaan alles vooraf klopt, mist de pointe en projecteert toch weer een God die van voren te doorgronden valt. Maar wie meegaat in de gedachte, ontdekt vermoedelijk, ergens in de terugblik, dat Hij er de hele tijd al was. En dat de achterkant, voor wie durft om te kijken, genoeg is om op te vertrouwen.

Blijf op de hoogte 📖
Nieuwe blogs direct in je inbox.

Meld je aan en ontvang iedere zaterdagmorgen een e-mail met een overzicht van de nieuwe blogs op Woord & Geest.

We sturen alleen een mail bij een nieuw artikel. Geen spam. Lees ons privacybeleid voor meer info.