Over een afzichtelijke kindertekening, de vraag of “wat mooi” een leugen is, en een Vader die niet naar de poten kijkt.

Je dochter komt de kamer in gerend. Ze straalt van oor tot oor. In haar handen een vel papier, en op dat vel iets wat een paard moet voorstellen. Of een hond. Misschien opa. Je weet het niet. Wat je wel weet: het is geen kunst. De poten kloppen niet, de kleuren lopen door elkaar, en er zit een scheur in van het te hard aandrukken.

En jij zegt: “Wat mooi!”

Ergens in je knaagt iets. Want mooi is het… niet. Je zou het in geen museum durven hangen. Doe je nu aan een leugentje om bestwil? Praat je iets goed dat niet goed is?

Het ging niet over de tekening

Ik denk het niet. En het antwoord op waaróm niet, is precies waar dit stukje over gaat.

Toen je “wat mooi” zei, ging het niet over de tekening.

Je keek niet naar de verhoudingen. Je telde de poten niet. Je beoordeelde geen vakwerk. Je keek naar het kind dat het maakte. Naar de trots waarmee ze binnenkwam. Naar het halfuur dat ze met het puntje van haar tong tussen haar lippen aan de keukentafel zat, helemaal voor jou. Dát was mooi. En dat was geen leugen, dat was de waarheid, alleen een diepere waarheid dan de vraag of het lijkt op een paard. Een goede ouder liegt niet over de tekening. Een goede ouder kijkt gewoon naar iets anders dan het papier.

Zo komen wij ook bij God

Het zal je niet verbazen, maar wij komen ook zo bij God. Met onze tekeningen. Een gebed dat halverwege vastloopt. Een taak die we op ons nemen en zien mislukken. Een poging tot heilig leven die scheef en gescheurd op tafel belandt. En ergens leeft de angst: dit is niet goed genoeg. Hij ziet de verhoudingen. Hij telt de poten. Hij weet dat het geen kunst is.

Maar hier moet ik oppassen, en je mag me eraan houden. Want het is verleidelijk om te zeggen: God doet gewoon alsof. Hij is een lieve Vader die “wat mooi” zegt tegen ons geknoei, en eigenlijk weet Hij wel beter. Dat is een schrale troost. Dan is God beleefd, niet liefdevol. Dan hangt Hij onze tekening op zoals je een tekening ophangt waar je stiekem vanaf wilt.

Zo is het niet.

God flatteert je tekening niet. Hij houdt van het kind dat tekende. Dat is geen leugentje om bestwil. Dat is genade.

Kijk maar hoe Hij het zelf doet

Toen Samuel de zonen van Isaï langs zag komen, groot en knap en geschikt voor een kroon, zei God: kijk niet naar wat een mens ziet. “De mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan” (1 Samuel 16:7). Niet het aanzien. Het hart.

Toen een arme weduwe twee muntjes in de offerkist gooide, geld waar je niets voor koopt, riep Jezus zijn leerlingen erbij. Niet om te lachen. Om te zeggen: zij gaf meer dan alle rijken bij elkaar (Markus 12). Want zij gaf niet van haar overvloed. Ze gaf zichzelf.

En een beker koud water, zegt Hij, een beker koud water aan de minste, zal zijn loon niet verliezen (Mattheüs 10:42). Een beker water. Het onbenulligste geschenk dat je kunt bedenken. En het raakt de hemel.

God kijkt niet naar het formaat van de tekening. Hij kijkt naar het hart dat haar tekende.

Er is een oud vers dat dit alles bij elkaar houdt. “Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen die Hem vrezen. Want Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn.”
Psalm 103:13-14

Hij weet wat maaksel wij zijn. Hij is niet vergeten dat we van stof gemaakt zijn. Hij verwacht geen museumstukken van mensen die Hij met zijn eigen handen uit de aarde heeft geboetseerd. Een vader ontfermt zich over zijn kinderen. Hij vraagt niet of ze eerst iets moois maken.

Je hoeft geen mooie tekening te maken

En dan komt de opluchting. Je hoeft geen mooie tekening te maken om geliefd te zijn!

Lees dat nog een keer, want de meesten van ons geloven het niet echt. We denken dat de liefde komt ná het presteren. Dat God straks kijkt of het genoeg was, of we vaak genoeg baden, hard genoeg dienden, netjes genoeg leefden, en dat zijn liefde afhangt van de uitslag. Maar zo werkt geen enkele goede vader, en God is de beste die er is. De tekening hoeft niet goed te zijn. Het kind is al geliefd voordat het de kleurpotloden pakt.

Dat betekent niet dat het niet uitmaakt wat je maakt. Een kind dat geliefd is, gaat juist méér tekenen, niet minder. Niet om liefde te verdienen, maar omdat het al heeft. Dat is het geheim: de liefde komt eerst, en het maken volgt eruit, nooit andersom.

Dus breng je tekening maar. Het gebed dat vastliep. De taak die half mislukte. Het leven dat scheef en gescheurd op tafel belandt. Leg het maar neer bij de Vader. Hij kijkt niet naar de poten. Hij kijkt naar jou. En Hij hangt het op.

Nog dit

Dat je geliefd bent zonder eerst iets te presteren, is niet iets wat je uit een tekst leert, het is iets wat je moet zien gebeuren, in mensen van vlees en bloed. In een gemeente die je opvangt als je gebed vastloopt. Die naast je komt zitten als je taak mislukt. Die je jouw kromme tekening niet uit handen slaat, maar ophangt.

Zoek zo’n plek. En als je er zit, wees zo’n plek. Voor het kind naast je dat met een gescheurd vel binnenkomt, straalt, en hoopt dat iemand zegt: wat mooi.

En dat het geen leugen is.

Blijf op de hoogte 📖
Nieuwe blogs direct in je inbox.

Meld je aan en ontvang iedere zaterdagmorgen een e-mail met een overzicht van de nieuwe blogs op Woord & Geest.

We sturen alleen een mail bij een nieuw artikel. Geen spam. Lees ons privacybeleid voor meer info.