Een eerlijke zelfbevraging over hoe wij andere kerken classificeren, en wat zij daar zelf van vinden.

Er is iets ongemakkelijks aan een visie waarin je zelf in het midden staat. Het is altijd makkelijker om te schrijven over de uitwassen aan beide kanten dan om jezelf de vraag te stellen: klopt mijn indeling eigenlijk wel? Op deze site staat een spectrum. Aan de ene kant het “smalle spoor”: Woord zonder Geest. Aan de andere kant het “buitensporige spoor”: Geest zonder Woord. Wijzelf, geworteld en open, ergens in het brede midden. Het is een nuttig schema. Het maakt zichtbaar wat anders onuitgesproken blijft.

Maar deze week kreeg ik een vraag die langer bleef hangen dan me lief was: is het eigenlijk wel rechtvaardig om een hele groep kerken weg te zetten als “Woord zonder Geest”?

En als ik eerlijk ben: ik weet het niet zeker.

De makkelijke karikatuur

Het is verleidelijk om de “Woord-georiënteerde” kerken te tekenen zoals het schema het suggereert. Een Bijbel als wetboek. Wantrouwen jegens de Heilige Geest. Cessationisme. Correcte leer boven levend geloof. Angst als drijfveer. Een kerk als selecte club voor de juisten. Het leest goed. Het schuurt niet. Het bevestigt waar je zelf staat.

Maar wie weleens in zo’n gemeente komt, weet dat het beeld scheef trekt. Er zijn gereformeerde gemeenten waar mensen huilen onder de prediking, omdat het Woord werkelijk binnenkomt. Er zijn evangelische kerken met een sterke leerlijn waar het gebed verwachtingsvol is en tranen vloeien op de bidstond. Er zijn baptisten en hervormden en vrijgemaakten die meer van de Geest verwachten dan menige opwekkingsdienst, alleen niet op dezelfde manier.

Het ongemakkelijke is dit: ze zouden zichzelf nooit herkennen in onze categorie. En dat zou ons aan het denken moeten zetten.

Wat zij zelf zeggen

Als je het gesprek aangaat, klinkt er iets anders dan het schema doet vermoeden.

Ze zouden zeggen dat zij ook open zijn voor de Geest, alleen dat ze de Geest niet loskoppelen van het Woord dat Hij geïnspireerd heeft. Dat ze niet bang zijn voor de Geest, maar bang zijn voor de geesten. Dat hun stilte tijdens een dienst geen koudheid is, maar eerbied. Dat hun zorgvuldigheid in de leer geen wettisme is, maar liefde voor de waarheid die hen vrijgemaakt heeft.

En ze zouden, niet zonder grond, een tegenvraag stellen: waarom meten jullie geestelijk leven af aan zichtbare manifestaties? Waarom is een dienst waarin de handen niet omhoog gaan automatisch een dienst zonder Geest? Waarom is een gemeente die zich houdt aan het Woord automatisch een gemeente die de Geest blust?

Het zijn geen onschuldige vragen. Het zijn vragen die in onze visie blootleggen dat wij, hoe ruim we onszelf ook noemen, een bepaalde stijl van gemeente-zijn als norm hebben aangenomen voor “Geest”. En dat is, hoe je het ook wendt of keert, een vorm van kortzichtigheid.

De pijn aan onze kant

Ik denk dat ik nu pas begin te begrijpen waarom dit gesprek zo gevoelig ligt. Ons spectrum is namelijk niet alleen een theologische analyse. Het is ook een verdediging. Wie zelf is opgegroeid in een traditie die wel degelijk verkild kon zijn, die de Bijbel inderdaad heeft horen functioneren als wetboek, die zondag aan zondag onder een prediking heeft gezeten waar geen verwachting in klonk, die heeft een reden om te zeggen: zo niet.

Dat is geen kleinigheid. Daar zit echt verlangen onder. Verlangen naar een levende God, naar een gemeente die meer is dan een vereniging van rechtgelovigen, naar een gebed dat niet eindigt voordat het begonnen is.

Maar verlangen kan kortzichtig maken. En verzet tegen iets, kan verzet tegen alles wat erop lijkt worden. Wie eenmaal heeft geleden onder droge orthodoxie, hoort die droogte soms zelfs waar ze er niet meer is. Een prediker die de Schrift uitlegt zonder ergens in een geestelijke gevoeligheidsoefening te eindigen, klinkt dan vanzelf alsof hij “de Geest blust”, terwijl hij misschien gewoon trouw aan het Woord is.

En zo doen wij precies wat we anderen verwijten. Wij maken een norm van onze eigen ervaring. Wij projecteren onze geschiedenis op een hele kerkengroep. Wij tekenen mensen plat tot een schema.

Het schema is niet onschuldig

Een visie is nooit alleen maar beschrijvend. Een visie kadert. Wie de wereld indeelt in “smal”, “breed” en “buitensporig”, plaatst zichzelf vanzelf in het midden, en dat midden krijgt de glans van wijsheid. Het is niet voor niets dat zelden iemand zichzelf op een spectrum aan een uiterste plaatst.

Een gemeente die zichzelf “gereformeerd” of “Bijbelgetrouw” noemt, beschrijft daarmee een eigen visie. Ze ziet zichzelf niet als smal, maar als trouw. Niet als gesloten, maar als verankerd. Niet als wettisch, maar als gezuiverd. En binnen haar eigen kader is dat een coherent verhaal, met een eigen geschiedenis, eigen helden, eigen wonden, eigen genade.

De vraag is niet of zij een blinde vlek hebben. Die hebben ze. Iedereen heeft die. De vraag is of wij, met ons brede pad, denken dat onze blinde vlek kleiner is omdat hij in het midden ligt. En daar twijfel ik over.

Soms is het brede pad gewoon een ander smal pad, alleen met meer ruimte aan beide kanten van wat wij zelf nog acceptabel vinden.

De verwarring in de praktijk

Er gebeurt op dit moment iets interessants in evangelisch en baptistisch Nederland. Mensen verschuiven. Niet allemaal dezelfde kant op. Sommigen zoeken meer Geest, anderen zoeken juist meer Woord. Sommigen verlaten een opwekkingsgemeente om in een gereformeerde gemeente terecht te komen. Anderen zoeken juist een charismatische omgeving omdat ze in het reformatorische zijn vastgelopen.

Dat is geen tegenstrijdigheid. Dat is mensen die, na verwondingen of ontnuchteringen, zoeken naar wat hen miste. En het maakt het schema lastig. Want zodra mensen tussen onze categorieën door bewegen, begint te knellen wat eerder klopte.

De groep die zich onder een sterke Bijbelse prediking schaart, is niet automatisch een groep die de Geest verloochent. Het kunnen mensen zijn die teleurgesteld zijn in een charismatiek die hen niet bracht wat ze beloofd was. Mensen die hunkeren naar een leer die ergens op staat. Mensen die gewoon stil willen worden.

En als zij zich vervolgens identificeren met een traditie die wij als “smal” hebben weggezet, doen wij hen onrecht. Want hun keuze is geen verharding. Het is een verlangen.

Wat we ons kunnen afvragen

Hier is, denk ik, waar wij eerlijk moeten zijn.

Niet elk gemis aan zichtbare Geest is een gemis aan Geest. De wind blaast waarheen Hij wil. Soms blaast Hij in een liturgische dienst waar geen mens een hand opheft. Soms blaast Hij in een avondmaalsviering waar precies dezelfde formuleringen klinken als vorig jaar. En soms blaast Hij niet, in een dienst waarin alles zichtbaar geestelijk is.

Niet elke nadruk op het Woord is een onderdrukking van de Geest. Zonder Woord weten we niet eens wie de Geest is. Zonder Schrift hebben we geen criterium voor wat we beleven. Een gemeente die het Woord centraal stelt, doet niet automatisch iets tegen de Geest. Ze kan het juist voor de Geest doen, omdat ze beseft dat de Geest niet zonder zijn eigen getuigenis spreekt.

En misschien wel het belangrijkste: niet elke kerk die wij geestelijk arm vinden, is dat ook in Gods ogen. Wij zijn snel met onze beoordelingen, en God is langzaam met de zijne. Hij ziet wat wij niet zien. Hij hoort gebeden die niet boven de banken uitkomen. Hij weet welke harten in stilte breken onder de prediking, ook als ze daarbuiten weinig laten zien.

Wat dit niet betekent

Dit is geen relativisme. Er zijn echte fouten aan beide kanten van het spectrum. Een gemeente die de Geest werkelijk blust, doet schade. Een gemeente die de Geest opvoert tot spektakel, doet ook schade. Beide vragen om eerlijke kritiek.

En het is waar dat wij ons als Woord & Geest niet zomaar gaan afmelden voor onze eigen overtuigingen, alsof het allemaal niet uitmaakt. We blijven geloven dat het brede pad een echte richting is, geen vaag compromis. We blijven geloven dat er gemeenten zijn waar de Geest werkelijk klein gemaakt is. We blijven geloven dat er gemeenten zijn waar het Woord werkelijk weg is.

Maar we zouden voorzichtiger moeten zijn met wie we waar plaatsen. We zouden minder snel een hele traditie tot karikatuur moeten reduceren. We zouden moeten erkennen dat onze eigen geschiedenis ons gevoelig heeft gemaakt voor bepaalde dingen, en blind voor andere.

En toch

Er is een troost in dit alles, en die ligt niet bij ons. Het oordeel over wie geestelijk leeft en wie niet, is nooit aan ons geweest. We mogen onderscheiden. We moeten zelfs onderscheiden. Maar we worden niet gevraagd om sluitende categorieën te maken voor mensen voor wie Christus gestorven is.

Misschien is dit de eerlijkste plek om vanuit te schrijven: wij houden vol dat Woord en Geest samen horen. Wij houden vol dat geloof zowel hoofd als hart vraagt. Wij houden vol dat een levende kerk meer is dan een correcte. Maar wij moeten af van de gedachte dat wij precies weten wie aan welke kant van het spectrum staat.

Want zodra je dat denkt te weten, doe je iemand tekort. En meestal is die iemand een broer of een zus van je, die de Heer vreest op een manier die jij toevallig niet herkent.

Het brede pad blijkt op zo’n moment vaak smaller dan we dachten. En de Geest, gelukkig, ruimer.

Blijf op de hoogte 📖
Nieuwe blogs direct in je inbox.

Meld je aan en ontvang iedere zaterdagmorgen een e-mail met een overzicht van de nieuwe blogs op Woord & Geest.

We sturen alleen een mail bij een nieuw artikel. Geen spam. Lees ons privacybeleid voor meer info.