Voor wie niet wegblijft uit gemak, maar uit pijn. Een vervolg op “De kerk die je niet kunt streamen“.
Enige tijd geleden schreven we dat je de kerk niet kunt streamen. Dat het woord van ver de gemeente dichtbij mag voeden, maar haar nooit kan vervangen. En dat de vraag aan het eind niet is hoeveel je hebt gehoord, maar of iemand het zou merken als jouw bank leeg bleef.
Er kwamen reacties, sneller dan we verwachtten. Veel herkenning, hier en daar een tegenwerping. Maar één soort reactie bleef hangen, en die verdient een eigen stuk. We vatten hem hier samen in onze eigen woorden, omdat we hem in verschillende vormen vaker horen, en omdat dit stuk niet over één lezer gaat maar over een groep die groter is dan menigeen denkt.
Het komt hierop neer: jullie hebben vast gelijk. Maar ik kan niet meer. Ik heb me gebonden, meer dan eens, aan meer dan één gemeente. En ik ben er beschadigd uitgekomen. Te vaak teleurgesteld, te diep geraakt. Aan het instituut kerk begin ik niet opnieuw. Ik zit mijn geloofsleven verder wel uit met blogs, podcasts en wat er online voorbijkomt. Ook met die van jullie trouwens. Maar op die uitnodiging om weer ergens te gaan zitten, ga ik niet in.
Wie zoiets schrijft, is geen consument die te lui is voor de kerkbank. Dit is iemand die ooit vooraan zat. Die zich gaf, en het niet terugkreeg. En die nu leest hoe wij, blog na blog, terugverwijzen naar de plaatselijke gemeente, en elke keer denkt: makkelijk gezegd.
Dit stuk is voor jou.
Eerst dit: je pijn is echt
Voordat we ook maar iets anders zeggen, moet dit gezegd. Wat jou is aangedaan, praten wij niet klein. Kerkpijn is geen aanstellerij en geen bitterheid van iemand die niet tegen zijn verlies kan. Het is een wond op de plek waar je het kwetsbaarst was. Je vertrouwde mensen je ziel toe, en juist daar ging het mis. Beloften die braken. Conflicten waarin je vermalen werd. Leiders die heersten waar ze hadden moeten dienen. Of gewoon de stilte: dat je wegbleef, en dat niemand belde.
Wie denkt dat God daar de schouders over ophaalt, moet Ezechiël 34 eens lezen. Daar spreekt God de herders van Israël aan, de geestelijke leiders van zijn eigen volk, en Hij is niet mild. Ze hebben zichzelf geweid in plaats van de kudde. Het zwakke niet versterkt, het zieke niet genezen, het gewonde niet verbonden. En dan neemt God het over:
Ezechiël 34:16: Het verlorene zal Ik zoeken, het verdrevene zal Ik terugbrengen, het gewonde zal Ik verbinden en het zieke zal Ik versterken.
Lees dat nog eens. God kiest daar niet de kant van de herders. Hij kiest de kant van het schaap dat door herders werd verwond. En de scherpste woorden van Jezus waren nooit voor twijfelaars of afhakers. Ze waren voor religieuze leiders die zware lasten op schouders legden en er zelf geen vinger naar uitstaken.
Als jij dit leest met littekens die je in een kerk hebt opgelopen: het was niet God die jou dat aandeed. Mensen deden dat, soms zelfs in zijn naam, en dat maakt het erger, niet minder erg. Maar Hij is niet met hen meegegaan toen jij de deur achter je dichttrok. De Heer is nabij de gebrokenen van hart. Ook, en misschien wel juist, als die breuk in een kerk is ontstaan.
Wat wij niet kunnen
Dan nu het eerlijke deel over onszelf. Want je leest ons, en dat raakt ons meer dan je weet. Misschien zijn deze blogs, die podcast op dinsdag, dat filmpje op vrijdag, op dit moment de dunne draad waaraan je geloof nog hangt. Dan zeggen wij niet: knip die draad door. Wij zeggen: godzijdank dat hij er is. Er zijn seizoenen waarin media een veldhospitaal mogen zijn. Een plek waar je gevoed wordt zonder dat er iemand aan je trekt.
Maar een veldhospitaal is geen thuis. En wij zouden slechte herders zijn als we deden alsof dit genoeg is.
Kijk maar wat wij niet kunnen. Wij kunnen niet naast je zitten als je huilt. Wij kunnen geen brood en wijn met je delen. Wij kennen je naam niet, kunnen niet met een hand op je schouder voor je bidden, merken niet dat je er drie weken niet bent geweest, staan niet op de stoep met soep als je ziek bent. Een blog is eenrichtingsverkeer. Jij kent ons inmiddels behoorlijk goed. Wij jou helemaal niet. En daarmee is precies dat ene waar je ziel het diepst naar verlangt, gekend worden, precies dat ene wat wij je nooit kunnen geven.
En er is nog iets. Wie alleen nog stemmen om zich heen verzamelt die hij zelf heeft uitgekozen, houdt niemand over die hem tegenspreekt. Geen broeder die zegt: volgens mij zit je ernaast. Geen zuster die vraagt: hoe gaat het nou echt met je? De wond bepaalt dan stilletjes het menu, en het menu bevestigt de wond.
Uitzitten is een gevangeniswoord
Er was één woord in die reacties dat ons niet meer losliet: uitzitten. Ik zit mijn geloofsleven verder wel uit.
Uitzitten is wat je met een straf doet. Je telt de dagen tot iets voorbij is. Wie zijn geloof gaat uitzitten, heeft ergens, misschien zonder het te merken, besloten dat het beste voorbij is. Dat er niets meer komt. Alleen nog volhouden tot de streep.
Maar dat is het geloof van de Bijbel niet. De God van de Bijbel is geen God van uitzitten. Hij is een God van opnieuw. Van een put die uitliep op een troon. Van een verloochening die bij een kolenvuur werd omgebogen tot een roeping. Van een graf dat openging. Daarom durven wij dit te zeggen, zacht maar duidelijk: als je je geloof gaat uitzitten, krijgen de mensen die jou beschadigden meer dan hun toekomt. Eerst kregen ze je vertrouwen. Gun ze niet ook nog je toekomst.
De weg terug begint niet bij de kerkdeur
Misschien zit hier het misverstand, en dat is dan mede ons misverstand, omdat wij het zo opschreven. Als wij schrijven “zoek een gemeente en blijf”, hoor jij: ga terug het instituut in. Terug naar vergaderingen, structuren en machtsverhoudingen. Terug naar alles waar het misging.
Maar kerk is in het Nieuwe Testament geen instituut en geen gebouw. Het is een lichaam. Mensen. En daarom begint de weg terug bijna nooit bij een kerkdeur op zondagochtend, tussen honderden vreemden, met je hart in je keel. Hij begint bij één mens.
Eén gelovige die te vertrouwen is. Een kop koffie. Een wandeling. Iemand aan wie je, heel misschien, een keer vertelt wat er gebeurd is. Jezus zei dat waar twee of drie in zijn naam bij elkaar zijn, Hij in hun midden is. Die woorden worden nogal eens misbruikt als excuus om nergens meer bij te horen. Maar voor wie gewond is, zijn ze iets anders: een genadige ondergrens. Zo klein mag het beginnen. Niet als eindstation, wel als eerste stap.
De weg terug naar de gemeente begint zelden bij de kerkdeur. Hij begint bijna altijd bij één mens die je naam kent.
Eerst brood, dan de stem
Er staat in de Bijbel een verhaal voor precies dit seizoen. Elia is op. Hij heeft alles gegeven, en er staat een prijs op zijn hoofd. Hij loopt de woestijn in, gaat onder een bremstruik zitten en zegt: het is genoeg geweest.
Let dan op wat God doet. Geen preek. Geen verwijt. Geen oproep om flink te zijn. Er komt een engel met vers brood en een kruik water, en Elia mag slapen. Als hij wakker wordt: opnieuw eten, opnieuw slapen. Pas veel later, bij de berg, klinkt die zachte stem. En wat die stem zegt, is opmerkelijk. Je bent niet zo alleen als je denkt; er zijn er nog zevenduizend. En: er ligt nog een weg voor je.
Zo gaat God met uitgeputte mensen om. Eerst brood, dan de stem. Misschien is dit jouw bremstruikseizoen, en zijn de blogs en podcasts het brood en de slaap. Dat mag. God heeft geen haast met jou. Maar het verhaal eindigt niet onder de struik. Er kwam een moment waarop Elia opstond. En het eerste wat God hem gaf, was geen podium. Het was een mens, Elisa, met wie hij verder trok.
Wat je vandaag kunt doen
Geen stappenplan, geen druk. Een paar dingen die kunnen, in jouw tempo.
Neem je wonden serieus. Praat erover met iemand, en als het diep zit, met iemand die ervoor geleerd heeft. Geestelijke beschadiging is echte beschadiging, en die mag behandeld worden, net als elke andere.
Blijf gevoed, zonder schaamte. Lees, luister, kijk. Wij blijven schrijven, en je bent hier welkom, met al je deuken. Niemand hoeft zich te schamen voor een seizoen in het veldhospitaal.
Zoek één mens. Geen instituut, geen lidmaatschap, geen commissie. Eén. En als die ene ooit vraagt of je een keer meegaat, mag je gewoon zeggen: nog niet.
En zeg niet nooit. Zeg: nu nog niet. Het lijkt een klein verschil, maar het is het verschil tussen een dichtgemetselde deur en een deur op een kier. Nooit is een vonnis. Nog niet is hoop.
De stoel blijft staan
We eindigden het vorige stuk met de vraag of iemand het zou merken als jouw bank leeg bleef. We beseffen nu dat die vraag voor sommigen zout in de wond was. Want misschien bleef jouw plek leeg en merkte niemand het. Of erger: ze merkten het wel, en het deed er niet toe.
Daarom zeggen we het vandaag anders. Er is Eén die het merkt. De Herder telt zijn kudde, komt uit op negenennegentig en laat het daar niet bij. Hij gaat het gebergte in. En als Hij het verdwaalde schaap vindt, jaagt Hij het niet voor zich uit naar huis. Hij legt het op zijn schouders en draagt het.
Wij blijven schrijven, elke week. Maar we hopen eerlijk gezegd dat wij ooit weer bijzaak voor je worden. Dat er een keukentafel komt met iemand die jouw naam kent en jouw verhaal kan dragen. En ooit, in jouw tempo, ergens een zaal met een stoel die nog niet weet dat hij van jou is.
Tot die tijd: je bent hier welkom. En de Herder weet waar de bremstruik staat.