Luister naar dit artikel:
0:00
0:00

Over verstoppertje achter het gordijn, de twee vragen waarmee de Bijbel opent, en het kortste antwoord dat een mens kan geven

Wie weleens verstoppertje speelt met een peuter, kent het geheim van het spel. Het kind rent weg, kruipt achter het gordijn en blijft daar staan met twee voetjes er nadrukkelijk onderuit. Dan begint het gegiechel. Jij loopt zoekend rond, hardop, waar is ze nou toch, en achter het gordijn wordt het gegiechel onhoudbaar. Tot je het gordijn wegtrekt en ze juichend in je armen valt.

Let eens op wat dat kind eigenlijk doet. Een peuter verstopt zich niet om verborgen te blijven. Een peuter verstopt zich om gevonden te worden. Het hele spel is één lange aanloop naar dat ene moment: gezien, gegrepen, thuis. Verstoppen en gevonden willen worden zijn voor een kind geen tegenpolen. Ze horen bij elkaar.

Onthoud dat gegiechel, want we komen er aan het eind op terug. En dan zul je merken dat er ergens iets kapot is gegaan tussen dat kind en ons. Want het oudste verstoppertje van de wereldgeschiedenis staat op bladzijde drie van de Bijbel. En daar giechelde niemand.

Waar ben je?

Genesis 3. De mens heeft gegeten van de boom waarvan hij niet eten mocht, de ogen gaan open, en het eerste wat hij met zijn nieuwe kennis ontdekt is geen wijsheid maar schaamte. Haastig worden er vijgenbladeren aaneengeregen. Dan klinkt er geluid in de hof: God zelf, wandelend in de avondkoelte. En de mens doet wat mensen sindsdien zijn blijven doen.

Hij verstopt zich. Tussen de bomen. Voor de Maker van de bomen.

En dan valt de eerste vraag die God in heel de Bijbel aan een mens stelt. Weeg elk woord, want het had zoveel anders kunnen zijn. Het is niet: wat heb je gedaan. Het is niet: hoe durf je. Het is niet eens: kom onmiddellijk tevoorschijn. Het is een vraag, en het is deze:

Waar ben je?
Genesis 3:9

Blijf even bij die vraag staan, want ze is vreemder dan ze lijkt. De Alwetende vraagt naar een plek. Hij die elke haar telt en elke mus ziet vallen, is Adam heus niet kwijt. Waarom vraagt Hij het dan?

Niet omdat Hij het antwoord niet kent. Maar omdat Adam het niet meer kent. Er is iets losgeraakt: de mens weet niet meer waar hij staat, niet ten opzichte van God en niet ten opzichte van zichzelf. En er is meer aan de hand. Deze vraag is geen valstrik en geen verhoor. Ze is een uitgestoken hand. God had het struikgewas open kunnen rukken en Adam eruit kunnen sleuren. In plaats daarvan stelt Hij een vraag die de mens de ruimte laat om zelf tevoorschijn te komen. De allereerste vraag na de zondeval is al genade: niet God die grijpt, maar God die roept en wacht op antwoord.

En let op de richting, want die zet de toon voor heel het boek. De eerste beweging na de val is niet een mens die naar God zoekt. Het is God die naar een mens zoekt. Hof na hof, eeuw na eeuw, zal het deze kant op blijven gaan: niet de mens die omhoogklimt, maar God die afdaalt en roept. Waar ben je?

Onze struiken

Wij zijn intussen handiger geworden in verstoppen dan Adam ooit was.

Drukte is een uitstekende struik: wie altijd onderweg is, hoeft nooit stil te staan bij waar hij eigenlijk ís. Schermen doen het ook voortreffelijk. Maar er is een derde struik, en die is pijnlijker om te noemen, juist omdat hij zo vroom oogt.

Je kunt je voor God verstoppen achter de dingen die je vóór God doet.

Kerkgang kan camouflage worden. Bijbelkennis een bladerdek. Trouwe dienst een keurig geschoren heg waarachter niemand hoeft te zien hoe het er werkelijk voorstaat. Het venijnige is dat het van de buitenkant niet te onderscheiden valt van het echte. Dezelfde dienst, dezelfde kennis, dezelfde aanwezigheid op zondag kan het toonbeeld van levend geloof zijn of de mooiste schuilplaats die je ooit hebt gebouwd. En vaak weet je het zelf niet eens meer.

Misschien herken je het. Dat je een indrukwekkend gesprek over God voert met iemand, en pas onderweg naar huis beseft dat je Hem zelf al weken niet echt hebt aangekeken. Dat je een gebed uitspreekt dat anderen raakt, terwijl het langs je eigen buitenkant glijdt. Dat je overal het juiste over weet te zeggen, behalve over waar je zelf staat. Wie dit schrijft, kent de plattegrond van zijn eigen struikgewas maar al te goed.

En de vijgenbladeren dragen we ook nog steeds. Alles wat we haastig aaneennaaien om onszelf toonbaar te maken: prestaties, een imago, ons gelijk. Het zit zelden lekker. En het bedekt nooit genoeg.

Maar hoor nu wat God niet vraagt. Hij vraagt niet: wat heb je aan? Hij vraagt niet: hoe zie je eruit? Hij vraagt niet eens: wat heb je gepresteerd? Hij vraagt: waar ben je? Hij zoekt geen presentabele mens. Hij zoekt een aanwezige.

Waar is je broer?

Eén hoofdstuk verder stelt God zijn tweede vraag, en het rijm is onmiskenbaar. Kaïn heeft zijn broer doodgeslagen, in het veld, waar niemand keek. En God vraagt: waar is Abel, je broer?

Weer een waar-vraag. Weer aan iemand die het antwoord kent en het probeert te ontlopen. Maar waar Adam nog hakkelde, liegt Kaïn hardop: ik weet het niet. En dan volgt de eerste tegenvraag van een mens aan God, en wat voor een: ben ik soms de hoeder van mijn broer?

Daar staan ze, de eerste twee vragen van God aan de mensheid. Waar ben jij? Waar is je broer? De ene wijst omhoog, de andere opzij. Je plek tegenover God, en je plek naast de mens die God je gaf. Eeuwen later zal iemand aan Jezus vragen wat het grootste gebod is, en Hij antwoordt met twee: heb God lief boven alles, en je naaste als jezelf. Aan die twee, zegt Hij, hangt heel de Wet en de Profeten. En wie helemaal terugbladert, ziet waar ze zelf aan hangen: aan de vraag in de hof, en de vraag in het veld.

En dit is het huiveringwekkende aan Kaïn: hij kwam vers van het altaar. Hij had net geofferd. Godsdienstig actief, en tegelijk een broer kwijt. Je kunt de tweede vraag dus niet afkopen met de eerste. Het gebeurt nog steeds, ook in mij: keurig op orde bij God op papier, terwijl er ergens een mens rondloopt op wie ik het antwoord schuldig blijf.

Denk maar even aan wie er bij jou het veld in liep. De naam die je al maanden overslaat. De broer of zus met wie je niet meer belt en eigenlijk niet meer precies weet waarom. Degene die je hebt afgeschreven met een reden die van een afstand nog keurig klinkt ook. Waar is die? God vraagt het nog altijd, en Hij vraagt het aan wie net van het altaar komt net zo goed als aan ieder ander.

De twee antwoorden van Jezus

En toen kwam er, na eeuwen roepen, een antwoord dat niemand had durven bedenken.

Op de eerste vraag antwoordde God uiteindelijk zelf. De mens kwam niet uit de struiken, dus kwam God naar de struiken toe. De Zoon des mensen, zei Jezus over zichzelf, is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Hij at met wie zich schaamde. Hij vertelde over een vader die zijn weggelopen zoon al van verre zag aankomen en begon te rennen, een oude man die zijn waardigheid vergat en zijn kind om de hals viel nog voordat er ook maar één woord van berouw was gevallen. Heel zijn leven was één lang: hier ben Ik, waar ben jij?

En kijk dan naar het einde. De eerste Adam verstopte zich, naakt, tussen de bomen. De laatste Adam hing naakt aan het hout, voor aller oog, niets bedekt en niets verborgen. Hij nam onze schaamte mee tot in het volle licht, zodat wij nooit meer een struik nodig zouden hebben.

En op de tweede vraag, ben ik de hoeder van mijn broer, gaf Hij het antwoord dat Kaïn weigerde. Ja. Ik wel. De goede Herder legt zijn leven af voor de schapen, en Hij schaamt zich er niet voor om ons zijn broeders te noemen. Zo werd Hij de Broer die ons hoedt, en de Hoeder die zijn broers kwam zoeken.

Twee woorden

Door de Bijbel loopt nog een tweede refrein, het spiegelbeeld van Gods vraag. Telkens wanneer God iemand bij zijn naam roept, klinkt hetzelfde antwoord.

Abraham: zie, hier ben ik. Mozes, uitgerekend bij een struik, maar dan een die brandde: hier ben ik. De jonge Samuël, wakker in de nacht: hier ben ik. Jesaja in de tempel: hier ben ik, zend mij.

Twee woorden. Precies de twee woorden die Adam niet zei.

Hier ben ik. Het is bekering in haar kortste vorm: uit de struik stappen, met je vijgenbladeren nog aan, en je laten zien. Meer vraagt God niet, want de rest doet Hij zelf.

En vergis je niet, er klonken die dag in de hof ook zware woorden. Gevolgen zijn echt, en de Bijbel doet daar niets van af. Maar lees dan wat God als eerste deed toen de zwaarte was uitgesproken en het vonnis geveld. Hij hield geen toespraak over die zielige vijgenbladeren. Hij maakte kleren, van dieren die daarvoor moesten sterven, en Hij kleedde de mens en zijn vrouw er eigenhandig mee aan. Het allereerste wat God deed voor mensen die uit hun schuilplaats waren gekomen, was hun schaamte bedekken. Beter dan zij het zelf hadden gekund, en met meer dan bladeren. Dat is Hij ten voeten uit: de Rechter die het vonnis uitspreekt en zich vervolgens bukt om de veroordeelde aan te kleden.

Misschien lees je dit en weet je precies achter welke struik je staat. Je hoeft nu niets recht te breien; dat is juist het punt van dit hele stuk. Maar zeg het een keer hardop, tegen God, en als het even kan tegen één mens die je vertrouwt. Verstoppen doe je in je eentje; tevoorschijn komen bijna nooit. Daar is de gemeente voor, niet als het podium waarop je toonbaar moet zijn, maar als de plek waar iemand je naam kent en naast je komt staan wanneer je eindelijk uit de bosjes stapt. En als er zonet een naam bij je bovenkwam bij “waar is je broer”, dan weet je meteen ook welk telefoontje deze week op je wacht.

Het gordijn

Terug naar de peuter achter het gordijn, met die voetjes eronderuit en dat onhoudbare gegiechel. Waarom giechelt een kind bij verstoppertje? Omdat het diep vanbinnen twee dingen zeker weet. Dat het gevonden gáát worden. En dat gevonden worden geen straf is, maar een omhelzing.

Dat is precies wat er tussen dat kind en ons kapot is gegaan. Adam verstopte zich met hetzelfde lijf waarmee een peuter zich verstopt, maar zonder een spoor van gegiechel. Want hij wist het niet meer zeker. Hij dacht dat gevonden worden straf zou zijn. Dat is wat de zondeval van binnen doet: ze draait het verstoppen om. Het kind verstopt zich om gevonden te worden; wij zijn ons gaan verstoppen om verborgen te blijven. En het evangelie is, van bladzijde drie tot de allerlaatste bladzijde, God die dat geduldig terugdraait, tot verstoppen weer mag uitlopen op een omhelzing.

Want onder al onze volwassen struiken zit nog altijd dat kind. Dat niets liever wil dan gevonden worden door Iemand die van hem houdt, en dat het bijna niet meer durft te geloven.

Vandaag wandelt Hij weer in de avondkoelte. En Hij stelt de oudste vraag van het boek, niet om je te betrappen maar om je thuis te brengen. Waar ben je?

Je hoeft niet eerst iets goed te maken. Je hoeft geen beter blad te zoeken. Er zijn maar twee woorden nodig, en heel de hemel wacht erop.

Hier ben ik.

Blijf op de hoogte 📖
Nieuwe blogs direct in je inbox.

Meld je aan en ontvang iedere zaterdagmorgen een e-mail met een overzicht van de nieuwe blogs op Woord & Geest.

We sturen alleen een mail bij een nieuw artikel. Geen spam. Lees ons privacybeleid voor meer info.