Een dieptestudie naar wat De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen werkelijk gelooft, punt voor punt naast de Bijbel gelegd
In ons vorige artikel beschreven we wie de mormonen zijn en waarom je ze overal tegenkomt: de geschiedenis, de zendelingen, de marketingmachine. Maar wie dat stuk dichtklapte, bleef misschien met de belangrijkste vraag zitten. Goed, een extra boek, een levende profeet, tempels. Maar wat is nu precies het verschil met wat ík geloof? Ze noemen zich toch christenen? Ze spreken toch over God de Vader, over Jezus, over genade en verlossing?
Dat is precies het punt. Als een mormoonse zendeling en jij allebei zeggen “ik geloof in God de Vader en in Jezus Christus, die voor mijn zonden stierf”, dan klinken jullie identiek. Toch belijden jullie twee verschillende geloven. Het probleem zit niet in de woordenschat, maar in het woordenboek. Dezelfde woorden, andere definities. En omdat de woorden zo vertrouwd klinken, lijkt het verschil klein terwijl het in werkelijkheid enorm is.
Daarom leggen we het in dit stuk naast elkaar, thema voor thema. Wat leert deze kerk, waar staat dat in haar eigen bronnen, wat zegt de Bijbel, en waarom doet het verschil ertoe. Dit wordt langer dan gemiddeld, en dat is de bedoeling. Wie aan de deur of in zijn tijdlijn een ander evangelie tegenkomt, verdient meer dan een sfeerbeeld. Die verdient helderheid. Niet om te winnen, maar om te wegen: beproef alle dingen, behoud het goede.
Het verschil in één oogopslag – Over God: de heiligen der laatste dagen geloven in een verhoogd mens met een lichaam, die ooit was zoals wij; de Bijbel belijdt een eeuwige God die Geest is en nooit iets anders is geweest. Over Jezus: bij hen het eerstgeboren geestkind van de Vader, de oudere broer van alle mensen; in de Bijbel de eeuwige Zoon door wie alles gemaakt is. Over de mens: bij hen een eeuwig voorbestaand wezen voor wie de zondeval een noodzakelijke stap vooruit was; in de Bijbel een schepsel dat viel en reddeloos is zonder genade. Over verlossing: bij hen is de opstanding gratis, maar de hoogste heerlijkheid te bereiken via verordeningen en gehoorzaamheid; in de Bijbel is de rechtvaardiging een geschenk door het geloof alleen. Over de Schrift: bij hen een open canon waarin een levende profeet zwaarder weegt dan het geschreven woord; in de Bijbel een geloofsgoed dat eenmaal is overgeleverd. Over de eeuwigheid: bij hen kunnen getrouwen zelf goden worden; in de Bijbel blijft God de Enige, en is het bij Hem zijn zelf de hemel.
Wie is God?
Begin bij het begin, want hier lopen de wegen al uiteen.
De Bijbel opent met een God die er altijd al was. “Van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U God,” zingt Psalm 90. Hij is Geest (Johannes 4:24), Hij verandert niet (Maleachi 3:6), en Hij is volstrekt alleen in zijn soort: “Vóór Mij is er geen God geformeerd, en na Mij zal er geen zijn” (Jesaja 43:10). Als er ergens nog een god zou zijn, dan zou Hij het weten, en Hij is er stellig over: “Is er een God buiten Mij? Ik ken er geen” (Jesaja 44:8). Deze God schiep alles uit niets, door zijn woord, en staat als Schepper categorisch tegenover alles wat geschapen is.
Joseph Smith leerde iets anders, en hij leerde het openlijk. In zijn beroemdste toespraak, gehouden bij de begrafenis van een zekere King Follett in 1844, zei hij dat “God zelf eens was zoals wij nu zijn”: een verhoogd mens, die zelf een weg heeft afgelegd voordat hij God werd. In de Leer en Verbonden staat het zwart op wit: de Vader heeft een lichaam van vlees en beenderen, even tastbaar als het onze. Deze God schept ook niet uit niets; hij ordent eeuwige, al bestaande materie. Zelfs de kern van de mens, in de mormoonse leer “intelligentie” genoemd, is volgens de Leer en Verbonden nooit geschapen en kan niet geschapen worden. In het boek Abraham, onderdeel van de Parel van grote waarde, wordt het scheppingsverhaal dan ook consequent verteld met een meervoud: “de Goden” beraadslaagden, “de Goden” vormden. En sinds 1995 spreekt de kerk in haar officiële gezinsproclamatie over “hemelse ouders”: naast de Vader is er een hemelse Moeder, over wie verder nauwelijks wordt gesproken maar wier bestaan tot de leer behoort.
Voel het verschil. De Bijbel kent een oneindige kloof tussen de Schepper en het schepsel; het mormonisme kent een glijdende schaal. God staat niet tegenover ons als de Gans Andere, Hij staat vóór ons op dezelfde weg. Hij is geen ander soort wezen, Hij is verder.
Aan de deur hoor je hier soms een tegenwerping uit de kerkgeschiedenis: leerden de vroege kerkvaders niet ook dat de mens vergoddelijkt wordt? Athanasius schreef immers dat God mens werd opdat de mens god zou worden. Dat klopt, en het is een prachtige zin, maar hij betekent iets anders. De vaders bedoelden met vergoddelijking dat de mens uit genade mag delen in Gods leven, zoals ijzer in het vuur gaat gloeien zonder ooit vuur te worden. Petrus noemt het “deel krijgen aan de Goddelijke natuur” (2 Petrus 1:4): deelkrijgen, niet gelijk worden. Geen kerkvader heeft ooit geleerd dat God zelf ooit mens was, of dat mensen uitgroeien tot zelfstandige goden. Dat onderscheid is geen haarkloverij; het is precies de grens tussen aanbidding en ambitie.
Het verschil in één zin: de Bijbel aanbidt een eeuwige Schepper die nooit iets anders was dan God; het mormonisme vereert een verhoogde soortgenoot die ons is voorgegaan.
Eén God in drie Personen, of drie wezens op één lijn?
Het christelijk geloof belijdt de Drie-eenheid: één God, één goddelijk Wezen, in drie Personen. Geen drie goden, en ook niet één persoon met drie maskers, maar de ene HEERE die zich in zijn Woord leert kennen als Vader, Zoon en Heilige Geest. Je ziet het door heel de Schrift heen. Er is maar één God (Deuteronomium 6:4). Toch is het Woord God en Schepper (Johannes 1:1-3), valt Thomas voor de opgestane Jezus neer met “mijn Heere en mijn God” (Johannes 20:28), en heet liegen tegen de Heilige Geest liegen tegen God (Handelingen 5:3-4). Gedoopt wordt er in één Naam, van Vader, Zoon en Geest (Matteüs 28:19). De concilies van de vroege kerk hebben dit niet verzonnen; ze hebben onder druk van dwaalleer onder woorden gebracht wat de Schrift overal veronderstelt.
De heiligen der laatste dagen verwerpen dit uitdrukkelijk. In het eerste visioen, het stichtingsverhaal van de kerk, krijgt de jonge Joseph Smith te horen dat alle bestaande kerken zijn afgedwaald en dat hun geloofsbelijdenissen “een gruwel in zijn ogen” zijn. In de mormoonse leer zijn de Vader, de Zoon en de Heilige Geest drie afzonderlijke wezens, volmaakt één in doel en wil, maar niet één in Wezen. Twee van hen hebben een lichaam, de derde niet. Samen vormen ze de Godheid, een bestuurscollege in volmaakte harmonie, geen drie-enige God.
Is dat theologisch muggenziften? De kerken zelf denken van niet, aan beide kanten. Wie mormoon wordt, wordt altijd opnieuw gedoopt, welke doop hij ook meebrengt, want buiten het herstelde priesterschap geldt geen enkele doop. En omgekeerd verklaarde Rome in 2001 na grondig onderzoek de mormoonse doop ongeldig, een oordeel dat vrijwel alle protestantse en orthodoxe kerken delen: de woorden zijn hetzelfde, maar de God die ermee bedoeld wordt niet. Beide kanten erkennen daarmee, ieder vanuit hun eigen overtuiging, dat hier niet twee smaken van hetzelfde geloof staan, maar twee geloven.
Het verschil in één zin: het christendom belijdt één eeuwige God in drie Personen; het mormonisme kent een team van afzonderlijke goddelijke wezens die één zijn in doel.
Welke Jezus?
“Wij geloven toch allebei in Jezus?” Het is de meest gestelde vraag in dit gesprek, en het eerlijke antwoord is: we gebruiken allebei de naam, maar we bedoelen niet dezelfde Persoon.
In de mormoonse leer is Jezus het eerstgeboren geestkind van de hemelse Vader. Vóór de schepping leefden alle mensen als geesten bij God, en Jezus was de oudste van hen: onze letterlijke oudere broer. Ook Lucifer was zo’n geestkind. In de voorwereldlijke raad presenteerde de Vader zijn plan voor de aarde; Jezus bood zich aan als verlosser, Lucifer kwam met een alternatief plan dat de vrije keuze zou opheffen, en toen dat werd afgewezen, kwam hij in opstand en werd hij met zijn aanhang uitgeworpen. Jezus is in deze vertelling dus wel de hoogste, maar Hij hoort aan onze kant van de streep: een geestkind onder de geestkinderen, dat zelf tot goddelijkheid is gekomen en ons daarin voorgaat. In de mormoonse verzoeningsleer valt bovendien veel nadruk op Gethsemane: daar, in het bloedzweet van de hof, droeg Jezus volgens deze leer het gewicht van de zonden, waarna het kruis het werk voltooide.
Zet de Bijbel ernaast en het contrast is direct zichtbaar. “In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Alle dingen zijn door het Woord gemaakt” (Johannes 1:1-3). Als álle dingen door Hem gemaakt zijn, dan kan Hij zelf niet gemaakt zijn; wie alles schiep, staat aan de scheppende kant van de kloof. Paulus zegt hetzelfde: in Hem zijn alle dingen geschapen, ook de onzichtbare machten, ook de engelen, en dus ook de engel die viel (Kolossenzen 1:16). Lucifer is geen broer van Christus; hij is een schepsel van Christus. Dat de Schrift Jezus “eerstgeborene” noemt, gaat niet over een geboortevolgorde in een hemels gezin, maar over rang en erfrecht: Hij is de eerste, de hoogste, de erfgenaam van alles. Daarom kan Hij aanbeden worden zonder dat het eerste gebod sneuvelt, en daarom kon Thomas voor Hem knielen zonder terechtwijzing.
Waarom is dit het weten waard? Omdat de identiteit van de redder bepaalt wat de redding waard is. Een Jezus die zelf de weg omhoog heeft afgelegd, kan jou hoogstens de route wijzen; hij is een gids. De eeuwige Zoon die van boven afdaalde, kan je dragen; Hij is een Redder. Het is het verschil tussen iemand die boven aan de klif staat en roept hoe je klimmen moet, en Iemand die naar beneden komt om je op te halen.
Het verschil in één zin: de mormoonse Jezus is de hoogste onder de kinderen; de bijbelse Jezus is de eeuwige God die kind werd.
Wat is de mens, en wat ging er mis?
Elke religie heeft een diagnose van de mens, en aan de diagnose herken je het medicijn.
De mormoonse leer begint de mens vóór zijn geboorte. Ieder mens leefde eerst als geestkind bij de hemelse ouders; dit aardse leven is een leerschool, een proeftijd waarin we een lichaam ontvangen en getoetst worden. In dat licht krijgt ook de zondeval een verrassende kleur. Het Boek van Mormon zegt: “Adam viel, opdat de mensen zouden zijn,” en voegt eraan toe dat de mensen er zijn om vreugde te hebben (2 Nephi 2:25). De val was geen catastrofe maar een noodzakelijke stap: zonder val geen kinderen, geen groei, geen vooruitgang. Erfzonde bestaat in deze leer dan ook niet. Het tweede geloofsartikel stelt dat mensen gestraft worden voor hun eigen zonden en niet voor Adams overtreding; kinderen zijn onschuldig en worden pas op hun achtste gedoopt, en het Boek van Mormon veroordeelt de kinderdoop in ongewoon felle bewoordingen.
De Bijbel vertelt een ander verhaal. De mens heeft geen eeuwig voorverleden; God “formeert de geest van de mens in zijn binnenste” (Zacharia 12:1), en Adam werd levend toen God hem de levensadem inblies. En de val was geen opstapje maar een breuk. “Door één mens is de zonde in de wereld gekomen, en door de zonde de dood” (Romeinen 5:12). Sindsdien is er niemand rechtvaardig, ook niet één (Romeinen 3:10), en is het hart van de mens arglistig, meer dan enig ding (Jeremia 17:9). Dat is geen somberheid om de somberheid; het is de reden dat het evangelie goed nieuws is in plaats van goed advies.
Want zie wat er gebeurt als je de diagnose verzacht. Wie de val een stap vooruit noemt, heeft aan het kruis genoeg als hulpmiddel: een voorziening die de leerschool mogelijk maakt. Wie de val een dodelijke breuk noemt, heeft aan niets minder genoeg dan een redding. Het mormonisme is in de kern optimistisch over de mens: een god in de knop, die vooral goed onderwijs, goede verordeningen en voldoende tijd nodig heeft. De Bijbel is realistisch over de mens en juist daarom grenzeloos over de genade: dood in zonden, en levend gemaakt door God (Efeze 2:1-5).
Het verschil in één zin: in de mormoonse leer is de mens een god in wording die een leerschool doorloopt; in de Bijbel is de mens een gevallen schepsel dat een Redder nodig heeft.
Gered: geschenk of ladder?
Hier klopt het hart van het verschil, en hier is precisie nodig, want juist hier klinken de woorden het meest gelijk.
Vraag een mormoon of hij door genade gered wordt, en hij zegt volmondig ja. Maar in de mormoonse leer heeft “gered” twee verdiepingen. De onderste verdieping heet zaligheid in algemene zin: dankzij de verzoening van Christus zal ieder mens opstaan uit de dood. Die opstanding is onvoorwaardelijk en gratis, voor gelovigen en ongelovigen. Daarboven ligt de verdieping waar het werkelijk om gaat: de verhoging, het eeuwige leven in het celestiale koninkrijk, waar gezinnen eeuwig zijn en getrouwen worden zoals God. En die verdieping is niet gratis. Daarvoor zijn nodig: geloof, bekering, doop door het juiste priesterschap, de gave van de Heilige Geest door handoplegging, de tempelbegiftiging, het eeuwig huwelijk, de tiende, gehoorzaamheid aan de geboden en volharden tot het einde. Vandaar de zin die we in het vorige artikel al tegenkwamen: het is door genade dat wij zalig worden, “na alles wat wij kunnen doen”.
De eeuwigheid zelf is daarbij verkaveld in drie graden van heerlijkheid: het celestiale, het terrestriale en het telestiale koninkrijk, met de buitenste duisternis als vrijwel lege restcategorie voor wie tegen beter weten in afvalt. Vrijwel iedereen komt dus ergens in een hemel terecht; de vraag is alleen op welke verdieping. Als bewijstekst dient 1 Korinthe 15:40-41, waar Paulus over zon, maan en sterren spreekt. Wie de passage uitleest, ziet dat Paulus daar het opstandingslichaam vergelijkt met het aardse lichaam (“zo zal ook de opstanding van de doden zijn”, vers 42); van drie hemelse woonlagen is in de tekst geen sprake. Ook de doop voor de doden rust op één enkel vers, 1 Korinthe 15:29, waar Paulus in de derde persoon verwijst naar “hen die zich voor de doden laten dopen” als argument dat de opstanding echt is. Hij beveelt de praktijk nergens, legt haar nergens uit en rekent zichzelf er niet toe. Eén raadselachtig vers is een smal fundament voor een wereldwijde tempelindustrie, zeker als het dragende principe elders in de Schrift wordt weersproken: het is de mens gezet eenmaal te sterven, en daarna het oordeel (Hebreeën 9:27).
En de Bijbel zelf? Die kent de twee verdiepingen niet. Rechtvaardiging is geen instapmodel met een verhoging als upgrade; het is de volledige vrijspraak van de goddeloze, om niet, door het geloof. “Hem echter die niet werkt, maar gelooft in Hem die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof tot gerechtigheid gerekend” (Romeinen 4:5). Niet uit werken, opdat niemand zou roemen (Efeze 2:8-9), en de goede werken komen daarná, als vrucht, niet daarvóór als voorwaarde (Efeze 2:10). Aan het kruis klonk niet “het is begonnen” maar “het is volbracht”. Daarom kan Johannes schrijven dat hij zijn brief stuurt “opdat u weet dat u het eeuwige leven hebt” (1 Johannes 5:13). Weten. Niet hopen dat je aan het eind van de ladder genoeg gedaan zult hebben.
Dat verschil is niet academisch; het is voelbaar in een mensenleven. Stel een toegewijde mormoon de vraag of hij zeker weet dat hij de celestiale heerlijkheid bereikt, en het eerlijke antwoord zal meestal zijn: ik hoop het, ik doe mijn best, ik ben waardig bevonden bij het laatste gesprek. Het is een leven met een tussenrapport. Stel Paulus dezelfde vraag en hij antwoordt: “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij God” (Romeinen 5:1). Geen tredmolen maar rust. Wie ooit zelf geprobeerd heeft goed genoeg te zijn voor God, weet hoe groot dat verschil is. Het is het verschil tussen ademhalen en je adem inhouden.
Het verschil in één zin: het mormonisme biedt een gratis opstanding plus een verdiende verhoging; het evangelie biedt een voltooide verlossing die je alleen met lege handen kunt aannemen.
Waar staat het vast?
Alles wat hierboven staat, hangt af van één voorvraag: waar haal je je zekerheid vandaan?
Het antwoord van de heiligen der laatste dagen is dubbel. Ten eerste: uit voortgaande openbaring. De canon is open; God spreekt vandaag door een levende profeet, en diens woord weegt in de praktijk zwaarder dan het geschreven woord. Kerkpresident Ezra Taft Benson zei het in een beroemd geworden toespraak onomwonden: een levende profeet is voor de kerk belangrijker dan de standaardwerken. De Bijbel geldt bovendien, zoals we eerder zagen, als Gods woord slechts “voor zover die juist is vertaald”. Ten tweede: uit ervaring. Wie wil weten of het Boek van Mormon waar is, moet erover bidden, en de Heilige Geest zal het bevestigen, doorgaans beschreven als een warm, brandend gevoel.
De Bijbel wijst voor beide een andere weg, en wel op de scherpst denkbare plek. Als in uw midden een profeet opstaat en hij geeft u een teken of wonder, en dat teken komt ook uit, maar hij zegt: laten wij achter andere goden aangaan, luister dan niet naar de woorden van die profeet. Deuteronomium 13:1-3, samengevat
Lees die tekst langzaam. Zelfs als het teken uitkomt. Zelfs als de ervaring echt voelt. Het criterium is niet of er iets gebeurt, maar of de boodschap bij de God van de Schrift blijft. Een wonder wettigt geen andere God, en een warm gevoel al helemaal niet. Daarom prijst Lukas de gelovigen in Berea, die het onderwijs van niemand minder dan Paulus “dagelijks in de Schriften onderzochten om te zien of die dingen zo waren” (Handelingen 17:11). Het geschreven woord toetst de ervaring; nooit andersom. En dat geschreven woord is volgens datzelfde woord geen groeidossier: Judas schrijft over het geloof dat “eenmaal aan de heiligen overgeleverd is”, en de Hebreeënbrief opent met de vaststelling dat God, na de profeten, in deze laatste dagen definitief gesproken heeft door de Zoon. Wie na de Zoon nog een aanvullend testament verwacht, verwacht meer dan God heeft toegezegd.
Er is bovendien iets wat de mormoonse openbaringsleer zelf onder druk zet: haar geschiedenis is toetsbaar geworden, en de kerk heeft, dat verdient waardering, veel materiaal zelf gepubliceerd in haar zogeheten Gospel Topics essays. Daaruit leren we onder meer dit. Het boek Abraham, door Smith gepresenteerd als vertaling van Egyptische papyri, bleek toen fragmenten van die papyri in de jaren zestig opdoken een gewone Egyptische begrafenistekst te zijn, eeuwen na Abraham geschreven en zonder enig verband met hem; de kerk erkent dit en oppert nu dat de rollen slechts een aanleiding tot openbaring waren. Van het eerste visioen bestaan meerdere, onderling afwijkende versies; in Smiths vroegste eigen verslag ontbreekt de Vader. De inleiding van het Boek van Mormon is stilletjes aangepast toen DNA-onderzoek de Israëlitische afstamming van de oorspronkelijke Amerikanen niet ondersteunde: van “voornaamste voorouders” werd het “onder de voorouders”. En de kerk erkent in haar eigen essays dat Joseph Smith met dertig tot veertig vrouwen trouwde, onder wie reeds gehuwde vrouwen en een meisje van veertien. Ook de leer zelf bleek beweeglijk: de polygamie, ooit als eeuwig gebod geopenbaard en nog altijd opgenomen in de Leer en Verbonden, werd in 1890 onder overheidsdruk gestaakt; het priesterschapsverbod voor mannen van Afrikaanse afkomst, generaties lang theologisch onderbouwd, werd in 1978 opgeheven, waarna de kerk de eerdere onderbouwingen uitdrukkelijk heeft afgezworen.
We noemen dit niet om te honen; achter elk van deze feiten gaan oprechte mensen schuil die ermee moesten leren leven. We noemen het omdat het precies raakt aan de vraag van dit hoofdstuk. Een openbaring die haar eigen bewijsstukken overleeft doordat ze steeds van vorm verandert, vraagt uiteindelijk om precies dat ene fundament dat overblijft: het gevoel. En een geloof dat op gevoel rust, heeft geen anker op de dag dat het gevoel draait. Het christelijk geloof durft de omgekeerde weg aan. Het nodigt uit tot onderzoek (Lukas 1:1-4), beroept zich op getuigen die je kon ondervragen (1 Korinthe 15:3-8), en laat zijn Schriften al twintig eeuwen door vriend en vijand doorlichten. Het Woord van onze God bestaat tot in eeuwigheid (Jesaja 40:8); het heeft geen stille correcties nodig.
Het verschil in één zin: het mormonisme toetst het Woord aan de ervaring; het christelijk geloof toetst de ervaring aan het Woord.
Priesters, tempels en het gescheurde voorhangsel
Nog twee bouwstenen van het mormoonse systeem verdienen een eerlijke toets: het priesterschap en de tempel.
De kerk leert dat Gods gezag op aarde verloren ging en in 1829 werd hersteld, toen hemelse boodschappers het Aäronische en het Melchizedekse priesterschap aan Joseph Smith verleenden. Sindsdien wordt dat priesterschap doorgegeven: jongens ontvangen het Aäronische priesterschap vanaf een jaar of twaalf, mannen later het Melchizedekse. Zonder dit priesterschap geldt geen doop, geen avondmaal, geen verordening. De Hebreeënbrief behandelt het priesterschap van Melchizedek uitvoerig, en trekt daar een conclusie die haaks op dit systeem staat: juist omdat Jezus eeuwig leeft, heeft Hij een priesterschap dat niet vergaat en niet op anderen overgaat, en daarom kan Hij volkomen zalig maken wie door Hem tot God gaan (Hebreeën 7:24-25). Het Melchizedekse priesterschap is geen ambt dat wordt uitgedeeld aan twaalfjarigen; het is de unieke positie van de levende Christus. Wat de gemeente rest, is rijker dan een hiërarchie: heel het volk van God is “een koninklijk priesterschap” (1 Petrus 2:9), met vrije toegang tot de troon.
En de tempel? Op het moment dat Jezus stierf, scheurde het voorhangsel van de tempel van boven naar beneden (Matteüs 27:51). De Hebreeënbrief legt uit wat dat betekent: de weg naar het heiligdom ligt open, door het bloed van Jezus, en er is geen nieuw gordijn meer nodig. De mormoonse tempels hangen het gordijn terug: opnieuw een gebouw waar niet iedereen in mag, opnieuw een toegangsbewijs, ditmaal een aanbeveling na een waardigheidsgesprek, opnieuw riten die aan het volk onttrokken zijn. Dat die tempelriten pas ontstonden in de weken nadat Smith in 1842 was toegetreden tot de vrijmetselarij, en er in symboliek en handeling aanwijsbaar aan verwant zijn, is door de kerk zelf erkend en maakt de zaak er niet sterker op. Maar het diepste bezwaar is niet historisch, het is theologisch: wie na Golgotha weer voorhangsels ophangt, zegt daarmee dat het gescheurde er één te vroeg was.
Het verschil in één zin: het mormonisme herstelt wat het kruis juist heeft opengebroken.
Twee verhalen, twee richtingen
Leg je alle stukken naast elkaar, dan zie je dat het niet om losse leerverschillen gaat. Het zijn twee verhalen die elk een eigen kant op bewegen.
Het mormoonse verhaal beweegt omhoog. God was ooit als wij en klom. Jezus was het hoogste van de kinderen en klom. De val van Adam was een tree omhoog. En de gelovige klimt: van doop naar priesterschap, van waardigheidsgesprek naar tempel, van verordening naar verordening, tot aan een eeuwigheid waarin de getrouwen zelf goden zijn, met eeuwige vermeerdering, een eigen hemels gezin, een eigen heerlijkheid. Het is, in alle oprechtheid van zijn aanhangers, een religie van de opgang. Aan de deur zal soms Psalm 82 klinken, “gij zijt goden”, maar wie de psalm uitleest, hoort God daar juist onrechtvaardige rechters aanklagen die als gewone mensen zullen sterven; het is een aanklacht, geen loopbaanperspectief.
Het evangelie beweegt precies de andere kant op. Hij die in de gestalte van God was, heeft Zichzelf ontledigd, de gestalte van een slaaf aangenomen, en Zich vernederd tot de dood, ja, de dood aan het kruis. Filippenzen 2:6-8
Van eeuwigheid God, en Hij daalde af. Naar een kribbe, naar een timmermansbank, naar een kruis, naar een graf. Niet omdat wij zo veelbelovend klommen, maar omdat wij niet klimmen konden. Dat is de richting van het hele Bijbelverhaal: God die zoekt, God die afdaalt, God die draagt. En wat ons wacht, is niet een eigen troon maar iets oneindig beters: “Zie, de tent van God is bij de mensen” (Openbaring 21:3). De hemel is niet dat wij worden wat Hij is; de hemel is dat Hij voorgoed bij ons is, en wij bij Hem, als kinderen en erfgenamen, terwijl Hij God blijft, de Enige, tot in eeuwigheid. Wie dat te klein vindt, heeft nog niet gezien hoe groot Hij is.
Hier ligt dus het exacte antwoord op de vraag waarmee dit stuk begon. Het verschil tussen jouw geloof en dat van de vriendelijke kerk uit je tijdlijn is niet een extra boek hier en een leefregel daar. Het is de richting van het verhaal, en daarmee alles: een andere God, een andere Jezus, een andere diagnose, een andere redding, een andere zekerheid en een andere hoop. Dezelfde woorden. Een ander woordenboek.
Misschien duizelt het je na dit alles, en vraag je je af hoe je hier ooit een goed gesprek over voert bij de voordeur. Onthoud dan dit: je hoeft niet elk leerstuk paraat te hebben. Eén vraag opent vrijwel altijd het echte gesprek: “Is God ooit een mens zoals wij geweest, en kan ik een god worden?” Op dat punt scheiden de wegen zich zichtbaar, en kun je in alle rust vertellen wat jou draagt: niet een ladder, maar een geschenk. En als het gesprek je boven het hoofd groeit, is dat geen nederlaag. Neem het mee naar je eigen gemeente, studeer er samen op, en bid voor de twee jonge mensen die bij je aanbelden. Zij zoeken, net als jij ooit, een God die te vertrouwen is. Die is er. Hij is alleen groter dan hun boek Hem laat zijn.
Beproef alle dingen. Behoud het goede. En het goede, zo blijkt telkens weer, heeft een naam: niet een God die ooit was zoals wij, maar de God die werd zoals wij, zonder op te houden God te zijn, om ons thuis te brengen. Aan Hem is genoeg. Aan Hem is meer dan genoeg.