Over een waarschuwingslampje dat niemand kan uitleggen, een God die we in de gaten van ons weten hebben gestopt, en de vraag of je Iemand moet begrijpen om door Hem gedragen te worden.
Je rijdt, en er gaat een oranje lampje aan.
Je weet niet wat het betekent. Het is een symbooltje dat op geen enkel ander symbooltje lijkt, ergens tussen de snelheidsmeter en de brandstofmeter, en het brandt gewoon. Je rijdt door, want wat moet je anders. De volgende dag breng je de auto weg. Iemand met olie onder zijn nagels sluit een kastje aan, leest een code, zegt een woord dat je niet kent, draait ergens aan iets, en een uur later doet het lampje het niet meer. Je betaalt, je bedankt, je rijdt weg. En ergens onderweg voel je die kleine, vertrouwde opluchting: er was iemand die het snapte.
Zo leven we met bijna alles. We bedienen een wereld die we niet begrijpen. De telefoon in je zak is krachtiger dan de computers waarmee mensen naar de maan zijn gevlogen, en je gebruikt hem om een appje te sturen dat je niet meer wilde sturen. Je doet het licht aan zonder te weten wat elektriciteit eigenlijk is. Je laat een pen vallen en hij valt, elke keer, en niemand aan tafel kan je precies vertellen waarom massa massa aantrekt. We zijn vloeiende gebruikers van een werkelijkheid die we niet kunnen uitleggen.
En op de een of andere manier vinden we dat prima, zolang er ergens iemand is die het wél snapt. De monteur. De helpdesk. De hoogleraar. Zolang het begrip maar ergens bestaat, hoeft het niet bij ons te liggen.
Maar er is Eén over wie dat niet geldt. Er komt niemand langs die Hem uitlegt.
De God van de gaten
Twee eeuwen geleden gebeurde er iets met het geloof in het Westen, en het ging bijna ongemerkt.
De wetenschap kwam op. En met elke ontdekking werd er een vraag beantwoord die daarvoor open had gelegen. De bliksem, die we niet konden verklaren, bleek elektriciteit. De ziekte, die we niet konden verklaren, bleek een bacterie. De sterren, de seizoenen, de erfelijkheid, stuk voor stuk schoven ze op van het onbegrijpelijke naar het begrepene. En dat had een prijs die niemand meteen zag.
Want stilletjes hadden we God vooral daar gezet: in wat we niet snapten. Onverklaarbaar goed nieuws, dat was God. Een genezing die de artsen niet hadden zien aankomen, dat was God. Het toeval dat te mooi was om toeval te zijn, dat was God. Hij was de verklaring voor de gaten in onze kennis. En dus, elke keer als de wetenschap een gat dichtte, deed God een stapje terug. Hij werd niet weerlegd. Hij werd overbodig gemaakt, plek voor plek.
Latere denkers gaven het een naam: de God van de gaten. Een God die woont in de kier van ons niet-weten. En het treurige van zo’n God is dat Hij altijd aan het verliezen is. Elke nieuwe ontdekking is een kleine uitzetting. Hoe knapper wij worden, hoe kleiner Hij wordt. Wie zijn geloof op de gaten bouwt, bouwt op iets dat elk jaar krimpt.
Maar wat als dat nooit de God van de Bijbel is geweest? Wat als we Hem in de verkeerde ruimte hebben gezet?
Wie heeft de geest van de Heer gepeild?
Er is een hoofdstuk waar dit alles op scherp komt te staan, en het is bijna drieduizend jaar oud. Jesaja 40.
Je kent de beelden misschien. Wie heeft de wateren van de oceaan opgevangen in de holte van zijn hand? Wie heeft de hemel afgemeten met een uitgestrekte duim en wijsvinger, de bergen gewogen op een weegschaal, de heuvels in een balans? De volken, zegt de profeet, zijn in Zijn ogen als een druppel aan een emmer, als een stofje op de weegschaal.
Over die weegschaal hebben we op deze site al eens geschreven: over hoe klein wij zijn, en hoe bevrijdend het is om die weegschaal niet te hoeven dragen. Maar Jesaja 40 doet nog iets anders, iets waar we makkelijk overheen lezen omdat het niet over ons gaat maar over Hem. Midden tussen die beelden staat een vraag die niemand kan beantwoorden: wie heeft de geest van de Heer gepeild, wie heeft Hem als raadsman iets geleerd? Wie heeft Hem ingewijd in het juiste pad, wie heeft Hem inzicht bijgebracht?
Het antwoord is: niemand. En aan het eind van datzelfde hoofdstuk staat het onomwonden. Zijn inzicht is niet te doorgronden.
Let op wat er precies staat, want het draait de hele zaak om. Het punt is niet dat God zich verstopt in wat jij niet snapt. Het punt is dat Hij groter is dan je snappen zelf, groter dan het geheel ervan: de gaten én de stukken waarvan je dacht dat je ze in je zak had.
We snappen niet eens de gewone dingen
Hier zit de denkfout die ons twee eeuwen lang klein heeft gehouden. We dachten dat begrijpen de mysterie kleiner maakt. Elk raadsel dat je oplost, is er weer een minder. En op een dag is de laatste opgelost en is er niets meer over om God voor nodig te hebben.
Maar snappen wij eigenlijk wel de dingen waar we zo aan gewend zijn dat ze ons niet meer verbazen?
Neem de zwaartekracht. We kunnen haar beschrijven tot achter de komma. We kunnen zo nauwkeurig voorspellen hoe zij werkt dat we er een satelliet mee in een baan om de aarde leggen en jouw telefoon aan de andere kant van de wereld precies weet waar hij is. En toch, vraag een natuurkundige wat zwaartekracht ís, waaróm massa massa aantrekt, en op een gegeven moment wordt het stil. We kunnen zeggen hóe. We kunnen nooit zeggen waaróm. Een oude leraar zei het ooit zo tegen zijn klas, en het is nooit meer weggegaan: de wetenschap beschrijft het hoe, en raakt het waarom niet eens aan.
Dat is het bevrijdende geheim dat de God-van-de-gaten-redenering over het hoofd zag. Het gewone is net zo goed een wonder als het uitzonderlijke. Dat een steen valt, dat de zon opkomt, dat je hart vannacht is blijven kloppen zonder dat je erbij was, dat is niet minder onbegrijpelijk dan een genezing die de artsen niet zagen aankomen. We zijn alleen opgehouden er verbaasd over te zijn. God zit niet alleen in de uitzondering. Hij zit ook, en vooral, in de regelmaat.
De vinger die de wereld draaiende houdt
Want dit is wat we ergens onderweg zijn kwijtgeraakt: de gedachte dat de wereld niet uit zichzelf draait.
We stellen ons de schepping vaak voor als een klok die God ooit heeft opgewonden en die sindsdien vanzelf loopt. Aan het begin een zet, en daarna rolt het door op eigen kracht. Maar dat is niet het beeld van de Schrift. In Hem, schrijft Paulus, houdt alles stand. Hij draagt alle dingen door het woord van Zijn kracht, staat er in de Hebreeënbrief. Niet: Hij heeft gedragen. Hij draagt. Nu. Vandaag. Terwijl je dit leest.
Stel je God voor met Zijn vinger uitgestoken, en de hele wereld die daarop rust. Zolang die vinger daar is, is er een morgen, een zwaartekracht, een hartslag, een dinsdag. En als Hij die vinger zou intrekken, dan wordt het geen chaos. Chaos is nog iets. Als Hij Zijn vinger intrekt, houden wij op te bestaan. Er is geen dag zonder dat God ons niet alleen in leven houdt, maar in bestáán houdt. De wereld is niet alleen door God geschapen. Ze wordt door God overeind gehouden, moment na moment na moment.
En daar wringt het met ons zelfvertrouwen. Kijk naar het knapste wat we ooit hebben gebouwd. We noemen het kunstmatige intelligentie, en het is indrukwekkend, en het is niet meer te stuiten. Maar het draait op stroom die we kunnen beschrijven en niet kunnen gronden, op natuurwetten die we hebben ontdekt en niet hebben gemaakt, op een werkelijkheid die niemand van ons heeft geschreven. Als God Zijn vinger intrekt, is er geen intelligentie, kunstmatig noch anders. Alles wat wij bouwen, bouwen we op een fundament dat we van Hem in bruikleen hebben.
Hij is niet de kleine God in de krimpende marge van wat we nog niet weten. Hij is de grond onder alles wat we wél weten.
Twee tronen, of één?
En hier komt de angst boven die onder dit alles ligt. Want als God zó veel groter is dan mijn verstand, en zó ver buiten mijn greep, is Hij dan nog wel veilig? Een God die ik niet kan overzien, kan die niet zomaar alle kanten op?
Op die angst leunt een beeld dat in onze kringen taaier is dan we willen toegeven. Het gaat ongeveer zo: God is goed, en de tegenstander is kwaad, en die twee zijn verwikkeld in een gevecht van ongeveer gelijke sterkte, en ons leven is het slagveld waarop dat wordt uitgevochten. Boven ons hangt een onbesliste strijd, en het kan alle kanten op.
Het klinkt vroom. Het is niet waar. En je hoeft de Bijbel maar op de eerste bladzijde chronologisch open te slaan om het te zien. In het boek Job kom je binnen in een soort troonzaal. De hemelbewoners verschijnen voor God, en tussen hen staat de aanklager. En wat opvalt is wat hij níet kan. Hij kan niets, werkelijk niets, zonder toestemming. Hij moet vragen. Hij is geen tweede macht tegenover God. Hij is een schepsel dat zijn hand moet ophouden.
Er zijn geen twee tronen. Er is er één, en alles wat wij vrezen staat eronder, ook de machten die we niet kunnen plaatsen. De strijd is echt, maar het is niet een strijd tussen twee goden. Het is een strijd waarin Eén de leiding heeft, van begin tot eind.
Dat is trouwens ook wat de Bijbel bedoelt als hij God telkens weer de Heilige noemt. We horen daarin meestal alleen “zonder zonde”, en dat is Hij ook. Maar het woord wijst op iets groters: zo anders, zo uniek, zo ver boven alles verheven dat Hij in een klasse van Eén staat. Zijn heiligheid is Zijn andersheid. En het mooie is dat Zijn liefde van diezelfde soort is. Heilige liefde. Niet ons soort genegenheid, alleen wat groter, maar liefde uit een andere orde, net zo onpeilbaar als Zijn inzicht.
Een God die je niet kunt doorgronden is dus geen losgeslagen kracht. Hij is de enige die het hele bord werkelijk in handen heeft. En Hij heeft het in liefdevolle handen.
En als het jou raakt
Dit alles blijft ver van je bed. Geopolitiek, natuurkunde, een oude troonzaal in Job. Tot het je eigen straat binnenkomt.
Tot er een uitslag is die niemand had verwacht. Tot iets maar niet overgaat, en de onderzoeken elkaar opvolgen zonder dat er duidelijkheid komt. Tot je bidt en het gevoel hebt dat het tegen het plafond stuitert. Dan gaat je verstand aan het werk, precies zoals het hoort, en het vindt geen bodem, en je zegt wat de mensen bij Jesaja ook zeiden: mijn weg blijft voor de Heer verborgen, mijn God heeft geen oog voor mijn recht.
En let nu op wat de profeet dán niet doet.
Hij geeft je geen verklaring die klein genoeg is om vast te houden. Hij legt je niet uit waaróm. Hij wijst omhoog. Weet je het niet, heb je het niet gehoord? De eeuwige God is de Heer, de schepper van de einden der aarde. Hij wordt niet moe, Hij raakt niet uitgeput, Zijn inzicht is niet te doorgronden. Hij geeft de vermoeide kracht. Jongeren worden moe en raken uitgeput, maar wie hoopt op de Heer krijgt nieuwe kracht, slaat de vleugels uit als een adelaar, loopt en wordt niet moe, rent en raakt niet uitgeput.
De troost is niet: nu snap je het. De troost is: Degene die het wél snapt, is niet moe, en Hij heeft jou vast.
Groter dan je hoofd
En daar ligt, denk ik, de kern van de hele zaak.
Een God die helemaal in je hoofd zou passen, zou een God zijn ter grootte van je hoofd. En een God van dat formaat kan precies zoveel dragen als jouw hoofd kan dragen, en dat is: niet dit. Niet de nacht die je niet kunt uitleggen. Niet de toekomst die je niet kunt overzien. Niet het verdriet dat groter is dan jouw vermogen om er iets van te begrijpen. Een God die je snapt, is een God op jouw schaal, en jouw schaal is nou juist wat het begeeft.
Je hoeft Hem niet te begrijpen om door Hem gedragen te worden. Je hebt nodig dat Hij jóu begrijpt.
En dat is de laatste wending van Jesaja 40, de zin waar we bijna overheen lazen. Kijk omhoog, zegt hij, naar de sterren. Wie heeft dit alles geschapen? Hij die hun heir voltallig laat uitrukken, die ze roept, één voor één, bij hun naam. Door Zijn grote macht en geweldige kracht ontbreekt er niet één.
De God van wie je het inzicht nooit tot op de bodem zult peilen, kent de naam van elk brandend ding in het donker. En Hij kent de jouwe. Je bent nooit gevraagd om Hem in je hoofd te laten passen. Je bent gevraagd om te rusten in het Zijne.