Over genade die vooruitloopt op het verraad, en de vraag wiens voeten wij weigeren te wassen.
Soms is het niet nodig om een dieptestudie te schrijven. Soms mag het bij de kern blijven. Dat doen wij vandaag met een sprekend voorbeeld, altijd actueel en herkenbaar.
Hij wist het namelijk al.
Toen Jezus die laatste avond opstond van de maaltijd, zijn bovenkleed aflegde en een linnen doek om zijn middel bond, wist Hij precies wie er om de tafel zaten. Johannes laat daar geen misverstand over bestaan: Jezus kende hem “die Hem verraden zou” (Johannes 13:11). Geen vaag vermoeden. Geen naar onderbuikgevoel. Hij kende de naam, het gezicht, de mond die straks de kus zou geven.
En toen pakte Hij de kom. En Hij knielde. En Hij waste ook díe voeten.
Dezelfde knielende Heer
Kijk eens rond die tafel.
Daar zit Petrus, die binnen een paar uur drie keer zal zweren dat hij deze man nooit heeft gekend. Daar zitten de tien, die straks de tuin uit zullen rennen en Hem alleen zullen laten met de fakkels en de zwaarden. En daar zit Judas, die het al geregeld heeft, die de dertig zilverstukken bijna in zijn hand voelt.
Petrus die zou verloochenen. Judas die zou verraden. De tien die zouden vluchten.
En ze kregen alle drie dezelfde Heer aan hun voeten.
Er was geen selectie vooraf. Jezus deelde de kring niet op in wie het waard was en wie niet. Hij sloeg geen voeten over. Hij waste niet eerst de trouwe leerling en daarna, met tegenzin, de rest. Hij ging de kring rond, en bij ieder van hen knielde de Zoon van God neer op de vloer en nam hun vuile voeten in zijn handen.
Ook die van Judas. Terwijl Hij precies wist waar die voeten die nacht nog heen zouden lopen.
Dit is genade die vooruitloopt op het verraad. Voordat er ook maar één woord van berouw is gevallen, voordat er iets is goedgemaakt, buigt Hij zich al. De liefde is er eerder dan de trouw. Sterker nog: de liefde is er terwijl de ontrouw allang onderweg is.
Liefde zonder garantie
Wij denken al snel dat dienen iets is wat mensen bij je verdienen. Dat je oogst wat je zaait, dat wie jij liefhebt jou ook zal liefhebben, dat trouw met trouw wordt beantwoord. Zo werkt het in de meeste van onze relaties, en zo houden we het graag.
Maar aan die tafel gebeurt iets anders. Daar dient Iemand zonder enige garantie op trouw. Hij geeft aan wie het zal weggooien. Hij investeert in voeten die Hem zullen wegtrappen. En let op: Hij wast niet de handen, want handen kun je vouwen tot gebed. Hij wast de voeten, want voeten lopen weg.
En Hij weet dat.
Laten we hier eerlijk blijven, anders wordt het een te mooi verhaal. Die gewassen voeten hebben Judas niet gered. Even later staat hij op, neemt het stuk brood aan en gaat naar buiten. “En het was nacht” (Johannes 13:30). De genade die geknield voor hem had gelegen, nam hij mee de duisternis in, en daar liet hij haar liggen.
Genade die wordt aangeboden is niet hetzelfde als genade die wordt aangenomen. Dat is de huiver die over dit verhaal hangt. Jezus stemde zijn liefde niet af op de uitkomst, maar de uitkomst was er wel. Judas bleef vrij om weg te lopen bij een Heer die zojuist nog voor hem had geknield.
En toch. Toch waste Hij die voeten. Dat Hij wist hoe het zou aflopen, hield zijn handen niet tegen.
De voeten die terugwassen
En nu wij.
Wij doseren onze dienstbaarheid naar verdienste. We houden een onzichtbare boekhouding bij van wie onze goedheid waard is. We geven graag aan wie teruggeeft, we dienen graag wie ons ziet staan, we wassen met liefde de voeten die straks de onze zullen wassen. Dat voelt niet eens als berekening. Het voelt als gezond verstand.
Maar er zijn ook voeten waar we met een boog omheen lopen. De broeder die ons ooit publiekelijk afviel. De zus van wie we allang menen te weten hoe ze zal reageren. Het gemeentelid dat toch nooit verandert. De persoon die we, ergens diep vanbinnen, hebben afgeschreven. We hebben het einde van dat verhaal al geschreven, en op grond van dat zelfbedachte einde bepalen we hoeveel we nog investeren. Weinig, meestal. Waarom zou je knielen voor iemand van wie je de afloop toch al kent?
Wie ooit een conflict in een gemeente van dichtbij heeft meegemaakt, weet hoe snel dit gaat. De rollen worden verdeeld. We weten wie de schuldige is en wie het slachtoffer, vaak lang voordat alle feiten op tafel liggen. En zodra het vonnis in ons hoofd is geveld, weten we ook meteen wiens voeten we niet meer hoeven te wassen. De afloop staat immers vast. Wij hebben hem zelf verzonnen.
Jezus kende de afloop écht. En Hij waste toch.
Vriend
En dan, het scherpst van alles.
Een paar uur later, in de tuin, in het donker, komt Judas op Hem af met de kus die het teken is voor de soldaten. Nu is het verraad er echt, tastbaar, met lippen en al. En wat zegt Jezus?
“Vriend, waarvoor bent u hier?” (Mattheüs 26:50).
Vriend.
Niet: verrader. Niet: hoe durf je. Niet: ik wist het wel. Op het moment dat het mes zijn rug raakt, komt uit de mond van Jezus het woord “vriend”. Tot het laatste toe, tot aan de kus, bleef Hij Judas zo aanspreken. Alsof de deur, zelfs nu, van zijn kant nog altijd niet helemaal dichtviel.
Hier eindigt dit stuk niet met een schouderklopje. Het eindigt met een spiegel. Want de kom staat nog steeds klaar, en de vraag die aan die tafel bleef hangen, hangt ook boven de onze:
Wiens voeten weiger jij te wassen, omdat je het einde al denkt te kennen?
De collega die je hebt opgegeven. Het familielid met wie het toch nooit meer goedkomt. De broeder of zus in je gemeente die je allang in een hokje hebt gezet. De persoon van wie jij heel zeker weet hoe het afloopt.
Een blog kan die vraag stellen. Maar een blog kan geen voeten wassen. Dat kun alleen jij, morgen, in een gemeente van vlees en bloed, bij iemand die je liever zou overslaan. Daar, aan echte voeten, wordt deze genade pas werkelijkheid. Niet in het gelijk dat je online haalt, maar in de kom die je oppakt voor iemand die hem misschien nooit voor jou zal oppakken.
Jezus kende het einde. En Hij knielde toch.
Zo heeft Hij ook ons liefgehad. Niet tot het punt waarop het te veel kostte. Tot het einde.
“Hij heeft de Zijnen die in de wereld waren, liefgehad tot het einde.”
Johannes 13:1 (HSV)