Over een wederkomst die al tweeduizend jaar ‘spoedig’ is, de checklist die niemand durft af te vinken, en de vraag waarom Jezus nog steeds niet terug is.

Laten we eerlijk zijn. Iedere generatie christenen heeft gedacht dat zij de laatste was. De apostel Paulus rekende erop Jezus’ terugkomst zelf mee te maken. De vroege kerk leefde in de verwachting dat het elk moment kon gebeuren. Montanus in de tweede eeuw wist zelfs het dorpje te noemen waar Jezus zou neerdalen. De Millerbeweging berekende 22 oktober 1844 als de grote dag. Hal Lindsey schreef in 1970 dat de generatie die de stichting van Israël meemaakte, het einde zou zien. Dat is nu meer dan een halve eeuw geleden.

Elke keer dezelfde overtuiging. Elke keer dezelfde teleurstelling. En elke keer de stilzwijgende conclusie die niemand hardop uitspreekt: het was blijkbaar nog niet erg genoeg.

Want dat is de ongemakkelijke waarheid die dwars door alle eindtijddiscussies heen snijdt. De Bijbel geeft concrete signalen. Niet vaag, niet mysterieus, maar helder en tastbaar. En als je die signalen nuchter naast de huidige werkelijkheid legt, dan is de conclusie niet dat Jezus niet komt. De conclusie is dat we er nog niet zijn. Lang niet.

De checklist

Jezus en de apostelen hebben ons niet in het duister gelaten. In Mattheüs 24, 2 Thessalonicenzen 2, Daniël 9 en het boek Openbaring liggen concrete aanwijzingen die aan de wederkomst voorafgaan. Geen geheimtaal. Geen verborgen codes. Gewoon tekst, die vraagt om eerlijke lezing.

Laten we de belangrijkste langslopen.

1. Het evangelie gepredikt aan alle volken

“En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de hele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde komen” (Mattheüs 24:14).

Dit is misschien wel de meest geciteerde ‘voorwaarde’ voor de wederkomst. En de cijfers zijn ontnuchterend. Volgens het Joshua Project zijn er wereldwijd nog ruim 7.000 onbereikte volken, goed voor meer dan 40% van de wereldbevolking. Bijna drie miljard mensen leven in gemeenschappen waar vrijwel geen christenen zijn. De Nederlandse zendingsorganisatie GlobalRize brengt jaarlijks de Ranglijst Onbereikten uit en het beeld is helder: 33 grote volken, samen 420 miljoen mensen, hebben voor zover bekend geen enkele kerk in hun midden. De Shaikh in India: 81 miljoen mensen. De Mahratta: 36 miljoen. De Pashtun in Pakistan: miljoenen zielen zonder inheemse kerk.

Nu is het Griekse woord voor ‘volken’ hier ethnè, en dat laat ruimte voor discussie. Bedoelt Jezus elke afzonderlijke etnische groep? Of bedoelt Hij de niet-Joodse wereld in brede zin? En ‘wereld’ is hier oikoumenè, de bewoonde wereld, niet kosmos, de hele schepping. Paulus schrijft in Kolossenzen 1:23 dat het evangelie al “verkondigd is aan alle schepselen onder de hemel”, wat suggereert dat deze voorwaarde in de eerste eeuw al deels vervuld was.

Maar zelfs als je Mattheüs 24:14 ruim leest: het visioen van Openbaring 7:9 toont een menigte “uit alle naties en stammen en volken en talen” voor de troon. Uit elk volk vertegenwoordigers. Dat is nog niet de huidige werkelijkheid. En wie eerlijk naar de zendingsstatistieken kijkt, weet: hier is nog werk.

2. De grote afval

“Want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is” (2 Thessalonicenzen 2:3).

Paulus is hier glashelder. Voordat Jezus terugkomt, vindt er een massale geloofsafval plaats. Het Griekse woord apostasia duidt niet op een geleidelijke secularisatie, maar op een bewuste, grootschalige afkeer van het geloof.

Zien we dat? Gedeeltelijk. In West-Europa lopen kerken leeg. In Nederland noemt nog maar een kwart van de bevolking zich christen. Maar wereldwijd groeit de kerk, vooral in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. De afval die Paulus beschrijft lijkt iets anders te zijn dan wat we nu meemaken. Het lijkt te gaan om een crisis die de hele christenheid raakt, een moment waarop het geloof zelf onder druk staat op een manier die we nog niet kennen.

Erg? Ja. Erg genoeg? Dat is de vraag.

3. De mens van de wetteloosheid

“…en de mens van de wetteloosheid geopenbaard is, de zoon van het verderf, de tegenstander, die zich verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet” (2 Thessalonicenzen 2:3-4).

Dit is een van de meest concrete signalen in het Nieuwe Testament. Er komt een figuur die zich in Gods tempel zet en zichzelf als God presenteert. Daniël 9:27 voegt daaraan toe dat hij de offers doet ophouden. Openbaring 13 schildert een beest dat de hele wereld dwingt tot aanbidding.

Is deze figuur er? Nee. Niet bij benadering. Er zijn in de geschiedenis talloze kandidaten aangewezen: Nero, de paus, Napoleon, Hitler, diverse moderne leiders. Trump? Poetin? Geen van hen heeft gedaan wat deze teksten beschrijven. Geen van hen heeft in een tempel in Jeruzalem plaatsgenomen en goddelijke eer opgeëist.

Dat brengt ons bij het volgende punt.

4. De tempel in Jeruzalem

Om de ‘mens van de wetteloosheid’ zich in Gods tempel te laten zetten, moet er een tempel zijn. Openbaring 11:1-2 spreekt over het meten van de tempel. Daniël spreekt over het staken van offers. Dat vereist op zijn minst een offerdienst, en waarschijnlijk een fysiek gebouw.

Die tempel staat er niet. Op de Tempelberg in Jeruzalem staan de Al-Aqsa-moskee en de Rotskoepel. Het Tempelinstituut in Jeruzalem maakt wel voorbereidingen: priesterkleding, een offeraltaar, en zelfs rode vaarzen uit Texas. Maar een daadwerkelijke herbouw is op dit moment politiek, religieus en praktisch onvoorstelbaar. Het zou oorlog met de moslimwereld betekenen.

Nu moeten we hier eerlijk zijn: nergens in het Nieuwe Testament staat letterlijk “er moet een derde tempel gebouwd worden.” Paulus’ verwijzing naar “de tempel van God” kan ook figuurlijk gelezen worden, hij noemt de gemeente elders immers ook tempel (1 Korintiërs 3:16, Efeziërs 2:21). En Openbaring 21:22 zegt expliciet dat er in het nieuwe Jeruzalem geen tempel is, “want de Heere, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam.”

Maar als je de passages samen leest, met Daniël, Mattheüs 24:15, 2 Thessalonicenzen 2 en Openbaring 11, dan wordt het moeilijk om het idee van een fysieke tempel helemaal weg te redeneren. Er is iets tastbaars nodig voor wat deze teksten beschrijven. En dat ‘iets’ is er simpelweg niet.

5. De verdrukking zonder weerga

“Want dan zal er een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld tot nu toe, en ook nooit meer zijn zal” (Mattheüs 24:21).

Jezus spreekt over een tijd van lijden die alles overtreft wat de mensheid ooit heeft meegemaakt. Dat is een zware uitspraak, gezien de Tweede Wereldoorlog, de Holocaust, de slavernij, de pest. En toch zegt Jezus: wat komt, is erger.

Is de wereld in crisis? Altijd. Zijn er oorlogen, honger, natuurrampen? Voortdurend. Maar de “verdrukking zonder weerga” die Jezus beschrijft, is niet gewoon een slechte tijd. Het is een mondiale crisis van ongekende omvang, verbonden met het optreden van de antichrist, de afval van het geloof, en een directe aanval op alles wat God toebehoort.

Dat is nu niet het geval. Niet op de schaal die deze teksten beschrijven.

6. Kosmische tekenen

“En er zullen tekenen zijn in zon, maan en sterren” (Lukas 21:25). “De zon zal verduisterd worden en de maan zal zijn schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen” (Mattheüs 24:29).

Elke bloedmaan levert opnieuw een golf aan eindtijdspeculatie op. Maar wat Jezus hier beschrijft, is niet een astronomisch verschijnsel dat je met een app kunt voorspellen. Het is een kosmische verstoring die zo overweldigend is dat de hele wereld het ziet en beeft. Dat is nog niet gebeurd.

De eerlijke conclusie

Als je deze signalen naast elkaar legt, zonder ze op te rekken of te minimaliseren, dan dringt zich een nuchtere conclusie op: het is er nog niet.

Niet alle volken zijn bereikt. De grote afval is niet compleet. De mens van de wetteloosheid is niet geopenbaard. Er staat geen tempel in Jeruzalem. De verdrukking zonder weerga is niet aangebroken. De kosmische tekenen zijn niet verschenen. Dat klinkt misschien ontnuchterend. Maar het is Bijbels.

Want het bijzondere is: de Bijbel zelf waarschuwt ons voor precies de fout die we telkens opnieuw maken. Paulus schrijft aan de Thessalonicenzen omdat zij in paniek waren geraakt door het idee dat de dag van de Heer al was aangebroken. Zijn antwoord is nuchter: “Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden. Want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid geopenbaard is” (2 Thessalonicenzen 2:3). Met andere woorden: er zijn herkenbare stappen. Je kunt weten wanneer het zover is. En als die stappen nog niet gezet zijn, is het niet zover.

Maar ‘spoedig’ dan?

Hier zit de spanning die dit onderwerp zo lastig maakt.

De Bijbel zegt dat Jezus ‘spoedig’ komt. Openbaring begint en eindigt ermee. “Zie, Ik kom spoedig” (Openbaring 22:12). Maar dat ‘spoedig’ duurt nu al tweeduizend jaar. En dat is niet iets om verlegen mee te zijn. Het is iets om eerlijk onder ogen te zien.

Petrus geeft de sleutel in 2 Petrus 3:8-9: “Eén dag is bij de Heere als duizend jaar en duizend jaar als één dag. De Heere vertraagt de belofte niet, zoals sommigen dat als traagheid beschouwen, maar Hij heeft geduld met ons en wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen.”

Daar zit het. Gods ‘spoedig’ is geen menselijk ‘spoedig’. Zijn geduld is geen uitstel maar genade. Elke dag die de wederkomst niet plaatsvindt, is een dag waarin mensen nog tot geloof kunnen komen. Elke generatie die denkt de laatste te zijn en het niet is, heeft een generatie meer gekregen om het evangelie te delen. Dat is geen teleurstelling. Dat is barmhartigheid.

De tijdsgeest is onduidelijk

En hier wordt het persoonlijk. Want we leven in een tijd die moeilijk te duiden is.

Aan de ene kant zien we ontwikkelingen die je met enige goede wil kunt koppelen aan Bijbelse signalen. De technologische mogelijkheden voor wereldwijde controle (denk aan digitale betaalsystemen, AI-surveillance, sociale kredietsystemen) zijn ongekend. Israël bestaat weer als natie, iets wat geen enkele generatie voor 1948 kon zeggen. De secularisatie in het Westen accelereert. De geopolitieke instabiliteit groeit.

Aan de andere kant: de wereld heeft altijd in crisis geleefd. De Romeinen dachten dat hun rijk de hele wereld was, en dat het ineenstortte. De middeleeuwers zagen in de pest het einde der tijden. De reformatoren waren er zeker van dat de paus de antichrist was. Elke eeuw had haar eigen redenen om te geloven dat het bijna zover was.

De eerlijke positie is: we weten het niet. We weten niet of we in de aanloop naar de eindtijd leven of in een tussenfase die nog eeuwen kan duren. De signalen zijn er gedeeltelijk, maar niet volledig. De puzzelstukjes liggen op tafel, maar het plaatje is nog niet compleet. Misschien is dat precies de bedoeling?

Wakker zonder kalender

Want Jezus geeft ons signalen, maar Hij verbiedt ons de datum te berekenen. “Van die dag en dat uur weet niemand, ook de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, maar alleen de Vader” (Mattheüs 24:36). En in Handelingen 1:7: “Het is niet aan u om tijden of gelegenheden te weten die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft.”

Die twee dingen lijken tegenstrijdig, maar ze zijn het niet. De signalen zijn er om ons wakker te houden, niet om ons een kalender te geven. Het verschil is wezenlijk. Wie een kalender heeft, kan uitrekenen wanneer hij zich zorgen moet maken, en tot die tijd achteroverleunen. Wie signalen heeft, moet voortdurend alert zijn, want hij weet niet wanneer het kantelpunt komt.

Dat is precies de houding die Jezus vraagt in de gelijkenissen die volgen op Zijn eindtijdrede. De wijze en dwaze maagden (Mattheüs 25:1-13): allemaal sliepen ze in, maar de wijze hadden olie bij zich voor het geval de bruidegom later kwam dan verwacht. De dienaren met de talenten (Mattheüs 25:14-30): het ging niet om het voorspellen van de terugkomst, maar om trouw bezig zijn tot die dag aanbreekt.

2,8 miljard redenen

En dan zijn we terug bij waar het begon. Bij die ene op de drie mensen die het evangelie nooit heeft gehoord.

Want uiteindelijk is de vraag “komt Jezus spoedig?” niet de belangrijkste vraag. De belangrijkste vraag is: wat doen wij in de tussentijd?

2,8 miljard onbereikten. Meer dan 7.000 volken zonder kerk. 33 grote bevolkingsgroepen zonder een enkele bekende gelovige in hun midden. En een Heer die zegt dat het evangelie “gepredikt zal worden in de hele wereld tot een getuigenis voor alle volken.”

Of dat nu een voorwaarde is voor de wederkomst of een beschrijving van wat God sowieso zal doen: de opdracht is dezelfde. Het evangelie is te goed om voor onszelf te houden. En elke dag dat Jezus niet terugkomt, is een dag die Hij ons geeft om dat evangelie verder te brengen.

Eindtijd….
Ja, Jezus komt. Spoedig, in Zijn tijdrekening. En nee, het is nog niet zover. De signalen zijn er, maar niet volledig. De weeën zijn begonnen, maar de geboorte laat op zich wachten.

Intussen leven wij niet in zekerheid over de datum, maar in zekerheid over de belofte. Hij komt. En tot die dag is er werk te doen.

Misschien is de eerlijkste eindtijdhouding niet “het is bijna zover” en ook niet “het duurt nog wel even.” Misschien is de eerlijkste houding: het kan elk moment kantelen, maar het is aan Hem. Niet aan ons schema. Niet aan onze berekeningen. Niet aan onze angst of onze onverschilligheid.

Aan Hem.
En tot die dag: ga. Vertel. Leef alsof het morgen kan zijn. Want dat kan het.


We horen graag jouw kijk op de zaak via info@woordengeest.nl. We beantwoorden je mail binnen een week.

Blijf op de hoogte 📖
Nieuwe blogs direct in je inbox.

Meld je aan en ontvang iedere zaterdagmorgen een e-mail met een overzicht van de nieuwe blogs op Woord & Geest.

We sturen alleen een mail bij een nieuw artikel. Geen spam. Lees ons privacybeleid voor meer info.