Over een winkelwagen op Facebook, de wedstrijd die je nooit kunt winnen, en een hart dat op geen enkele markt te koop is
Er staat een foto op Facebook. Een winkelwagen, half gevuld. Wat fruit, een pak vlees, een doos bier, flessen water, aardbeien van het seizoen. Eronder een zin van een geërgerde man: honderd euro, en de kar is niet eens vol. Moeten we straks gras gaan eten?
Binnen een paar uur staan er tientallen reacties. En als je ze van boven naar beneden leest, voel je iets kantelen. Het begint met meeleven. Het glijdt door naar verontwaardiging. En het eindigt, zoals bijna altijd, bij de schuldigen. De asielzoekers. De regering. Brussel. Iemand, ergens, die beter af is dan jij. De wereld die ten onder gaat, met drie uitroeptekens en een huilende smiley.
Het is verleidelijk om zo’n draadje te lezen en je hoofd te schudden. Kijk nou toch. Kijk hoe oppervlakkig. Kijk hoe ver we zijn afgezakt.
Maar als ik heel eerlijk ben, is dat hoofdschudden precies dezelfde beweging als die ik in het draadje afkeur. Ik zet mezelf erboven. Ik maak van een ander een voorbeeld van hoe het niet moet. En daarmee doe ik gewoon mee aan de wedstrijd, alleen vanaf een nettere tribune.
Lees het nog eens, maar langzamer
Want wat staat er nou echt, onder al dat geschreeuw?
Een oma die schrijft dat ze bijna een hartverzakking krijgt bij het totaalbedrag. Een moeder die zegt dat jonge gezinnen met kleine kinderen het bijna niet meer redden. Iemand die rekent en rekent en bij de aanbiedingen blijft hangen, want anders komt de maand niet rond. Achter bijna elke schreeuwerige zin zit geen dom mens. Er zit een mens dat bang is. Voor de maand. Voor de kinderen. Voor of het straks nog gaat lukken.
Dat is geen laag denkniveau. Dat is bestaansangst, en die kleedt zich zelden netjes aan. Angst praat hard. Angst wijst snel. Angst zoekt iemand om de schuld te geven, omdat dat lichter voelt dan de machteloosheid eronder. Wie daar vanaf een veilige plek om lacht, heeft het mechanisme nog niet begrepen. En is even vergeten hoe het voelt om wakker te liggen van geld.
Jezus keek anders. Bij de menigte die achter Hem aan liep staat er niet dat Hij dacht: wat een volgzaam, oppervlakkig volkje. Er staat dat Hij met ontferming bewogen werd, omdat ze waren als schapen zonder herder. Hij zag de honger onder het rumoer. Dat is een andere blik dan de mijne, meestal.
Het apparaat dat ons traint
En toch is er iets met de toon. Dat verbeeld je je niet. We praten online anders dan aan de keukentafel. Scherper, sneller, met minder ruimte voor het kleine grijs tussen zwart en wit.
Dat komt niet doordat de mensen achter de schermen ineens slechter zijn geworden. Het komt doordat het medium iets met ons doet. Een platform leeft van aandacht, en het beloont wat de meeste reactie losmaakt. Dat is zelden het bedachtzame woord. Het is de boze schreeuw, de scherpe grap, de stelligheid. Wie genuanceerd reageert, scrol je voorbij. Wie woedend reageert, krijgt duimpjes. Zo wordt verontwaardiging aangeleerd. Klik voor klik, tot het je gewone manier van kijken is geworden.
De Spreuken wisten dit al lang voordat er een tijdlijn bestond. Een zacht antwoord keert de grimmigheid af, maar een krenkend woord wekt woede op. Het probleem is dat een zacht antwoord het op zo’n tijdlijn bijna altijd verliest. Het apparaat heeft geen belang bij vrede. Het heeft belang bij vuur.
De vraag is dus niet in de eerste plaats wat er mis is met die mensen daar. De vraag is wat dit ding, dag in dag uit, met ons allemaal doet.
En dan de spiegel
Met mij, dus.
Want ik scroll mee. Ik voel die kriebel om er iets snedigs onder te zetten, iets waarvan ik van tevoren weet dat het zal scoren. Ik ken de kleine voldoening van een rake sneer, de duimpjes die binnendruppelen, het warme gevoel van gelijk. En ik ken de stille minachting waarmee ik langs een draadje scrol en denk: goh, wat een niveau. Precies daar, in dat kleine moment, wordt mijn hart een graadje harder zonder dat ik het doorheb.
Dit is het punt waarop ik mezelf niet langer boven de foto kan hangen. Ik ben niet de wijze die het van bovenaf overziet. Ik ben gewoon een van de reacties. Alleen dan met betere spelling en een vromer vernisje.
En hier mag het even schuren, want anders blijft het te veilig. De verontwaardiging die ik in dat draadje zo makkelijk doorzie, is een spiegel. De behoefte om iemand aan te wijzen die het slechter doet dan ik, zit niet alleen in die boze man met zijn winkelwagen. Die zit in mij. Ik heb alleen een net iets nettere groep gevonden om op neer te kijken: de mensen die op Facebook op anderen neerkijken.
Wanneer las ik voor het laatst zo’n draadje en voelde ik medelijden, in plaats van minachting? Wanneer zette ik voor het laatst dat zachte woord eronder, ook al wist ik dat het zou verliezen van het harde? Ik moet even nadenken. En dat nadenken is het antwoord.
De smalle weg van de dankbaarheid
Er is een oud, bijna versleten woord dat hier dwars tegenin gaat. Dankbaarheid. En ik aarzel om het op te schrijven, want het klinkt als de zoete strik die eronder wordt geknoopt zodat we allemaal weer opgelucht naar huis kunnen. Zo bedoel ik het niet.
Dankbaarheid is geen roze bril die de prijzen wegtovert. De zorgen zijn echt. Het leven is voor heel veel mensen duurder geworden, en dat is geen gevoel maar een bankafschrift. Danken betekent niet doen alsof dat niet zo is.
Danken kost juist iets. Het is een andere richting van kijken, en die richting gaat pijnlijk tegen de stroom in. Paulus schreef over tevredenheid niet vanuit comfort, maar vanuit een cel. Hij had geleerd, schreef hij, om tevreden te zijn in alle omstandigheden. Let op dat woord. Geleerd. Het kwam hem niet aanwaaien. Het was geen karakter, het was oefening. En het geheim ervan was dat zijn rust niet langer afhing van wat er in de kar lag.
Want dat is de wedstrijd waar dankbaarheid je uithaalt. Niet de wedstrijd van de prijzen, die is echt. De wedstrijd van het ongenoegen. En die kun je nooit winnen. Er is altijd iemand die het goedkoper deed over de grens. Er is altijd een schuldige verderop. Er is altijd een reden om nog een graadje bozer te zijn dan gisteren. Aan het eind van die weg staat geen volle wagen. Daar staat een leeg hart.
De smalle weg loopt de andere kant op. Hij begint klein, bijna belachelijk klein. Bij het pak vlees dat er wél ligt. Bij het water dat gewoon uit de kraan komt, dat een groot deel van de wereld niet heeft. Bij de aardbeien, die niemand je had beloofd. Wie daarvoor leert danken, stapt van de tribune af. Niet omdat de zorgen weg zijn, maar omdat ze niet langer het laatste woord krijgen.
Wat er in mijn eigen wagen ligt
Dus nee, dit is geen stukje over hoe dom de mensen op Facebook zijn. Het is een spiegel, geen vinger. Het gaat over hoe makkelijk ieder van ons wordt meegezogen. In het klagen. In het wijzen. In het naar beneden kijken naar wie lager lijkt te staan.
De eerlijke vraag die overblijft is dan ook niet voor hen. Hij is voor mij. Wat ligt er eigenlijk in mijn eigen wagen waar ik allang vergeten ben voor te danken? En wanneer was dankbaarheid bij mij voor het laatst een keuze, en niet zomaar een gevoel dat toevallig langskwam?
Het karretje is misschien duurder geworden. Dat is waar, en het doet pijn, en het mag hardop gezegd worden. Maar een hart dat kan danken is op geen enkele markt te koop. In geen enkel buurland goedkoper. In geen enkele aanbieding.
Dat is genade. En die is, vandaag nog, gratis.