Over een lichaam dat we tempel noemen maar behandelen als bijzaak, een cultuur die schommelt tussen verwaarlozing en afgoderij, en een God die ook je knieën maakte.
Ik heb een vriend die elke ochtend om half zes opstaat om te bidden. Hij leest zijn Bijbel met een discipline waar ik jaloers op ben. Hij kent de grondtekst, volgt de kerkkalender, vast in de lijdenstijd. Zijn gebedsleven is indrukwekkend.
Zijn ontbijt is drie witte boterhammen met hagelslag, gevolgd door twee koppen koffie met suiker. Zijn lunch is een broodje kroket uit de muur. Zijn avondeten is wat zijn vrouw op tafel zet, en dat is prima, maar bewegen doet hij niet. Nooit. De auto naar de kerk. De auto naar het werk. De auto naar de bijbelstudie.
Hij is 47, dertig kilo te zwaar, en zijn knieën protesteren bij elke trap.
Ik heb hem daar nooit iets over gezegd. Eerlijk gezegd ben ik niet veel beter. Mijn discipline zit in lezen en schrijven, niet in bewegen. Ik ken het Griekse woord voor “lichaam” maar vergeet het mijne te gebruiken waar het voor bedoeld is. We doen dat niet, in de kerk. We praten over gebed en bijbellezen alsof dat de enige twee knoppen zijn op het dashboard van het christelijke leven. De andere meters, energieniveau, slaap, beweging, voeding, die zitten achter een klep waar niemand aan komt. Niet uit onwil. Maar uit gewoonte. Uit een onuitgesproken afspraak dat het lichaam niet bij het geloof hoort.
Die afspraak is een leugen. En het wordt tijd dat iemand dat zegt.
De heilige hiërarchie die niet bestaat
We hebben in de kerk een rangorde gemaakt die Paulus niet zou herkennen. Bovenaan: gebed, bijbellezen, gemeenschap. Middenin: dienen, getuigen, geven. Onderaan, bijna onzichtbaar: zorgen voor je lichaam. Alsof God bij de schepping zei: “Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, met een ziel voor altijd en een lichaam voor erbij.”
Maar dat is niet wat er staat.
Genesis 2 beschrijft iets radicaals. God vormt de mens uit aarde. Uit stof. Met handen, als het ware. Dit is geen bijproduct. Dit is beeldhouwerk. God maakt eerst het lichaam, en dan, pas dan, blaast Hij er leven in. Het lichaam is er eerder dan de adem. Het fysieke is er eerder dan het geestelijke.
Dat is theologisch dynamiet, als je het tot je laat doordringen.
En als Jezus opstaat uit het graf, dan is dat geen ontsnapping uit het lichamelijke. Hij zweeft niet als een geestelijk wezen door muren heen terwijl Hij roept dat het vlees nu achter Hem ligt. Nee. Hij eet vis. Hij laat Thomas zijn wonden aanraken. Hij maakt een houtvuur op het strand en bakt brood voor zijn vrienden. De opstanding, het hart van ons geloof, is een lichamelijke gebeurtenis. God die zegt: dit lichaam doet ertoe. Zo erg dat Ik het zelfs uit de dood terughaal.
En wij? Wij vullen dat lichaam met frituurvet en noemen het gezelligheid.
De olifant in de kerkzaal
Laat me een getal noemen dat pijn doet en dat we tegelijkertijd allemaal eigenlijk wel weten. In 2024 had de helft van alle volwassen Nederlanders overgewicht. Bij ongeveer een op de zes ging het om obesitas. Er is geen onderzoek dat specifiek kerkgangers meet, maar er is ook geen enkele reden om aan te nemen dat het in de kerk beter is. Eerder slechter. Want de kerk is een van de laatste plekken in de samenleving waar dit onderwerp structureel onbesproken blijft.
Op de sportclub heb je een trainer die het zegt. Op het werk heb je een bedrijfsarts. Op school krijg je voorlichting. In de kerk krijg je koek bij de koffie.
Begrijp me goed: ik heb niets tegen koek. Ik heb niets tegen gezelligheid. Maar ik vind het veelzeggend dat we als christenen wel bidstonden organiseren, vastenmomenten in de lijdenstijd, conferenties over geestelijke groei, en dat het gesprek over lichamelijke gezondheid in de gemeente er simpelweg niet is. Niet omdat het verboden is. Maar omdat het niet in ons geestelijke vocabulaire past. Het klinkt te aards. Te oppervlakkig. Te weinig naar God.
Terwijl het juist over God gaat. Want als Paulus schrijft dat je lichaam een tempel is van de Heilige Geest, dan is dat geen poëzie. Dat is een claim. Een claim die consequenties heeft voor hoe je die tempel behandelt.
Plato in de preekstoel
Hoe zijn we hier terechtgekomen? De wortels liggen dieper dan je denkt. Het idee dat de ziel waardevol is en het lichaam een last, komt niet uit de Bijbel maar uit de Griekse filosofie. Plato beschreef het lichaam als een kerker van de ziel. Bevrijding was: loskomen van het fysieke, opstijgen naar het geestelijke. Die gedachte werd later versterkt door de gnostiek, een stroming die de schepping verdacht vond en het materiële zag als iets om aan te ontsnappen. Via kerkvaders die in een sterk hellenistische cultuur werkten, en niet in de laatste plaats via Augustinus’ worsteling met zijn eigen begeerten, sijpelde dit denken de westerse vroomheid binnen. We citeren Plato zonder het te weten, elke keer dat we zeggen: “Het gaat uiteindelijk om het hart.” Alsof de rest bijzaak is.
Maar kijk eens naar Jezus. Hij voedt vijfduizend mensen niet alleen met geestelijk voedsel. Hij geeft ze brood en vis. Hij geneest blinden, lammen, melaatsen. Geen enkele keer zegt Hij: “Uw lichaam doet er niet toe, laat Mij uw ziel genezen.” Hij raakt lichamen aan. Hij wast voeten. Hij breekt brood.
De incarnatie zelf is het sterkste argument. God werd niet een idee. Hij werd niet een geestelijk principe. Hij werd vlees. Sarx, in het Grieks. Rauw. Concreet. Met een spijsvertering, spierpijn en vermoeidheid.
Elke theologie die het lichaam naar de marge duwt, duwt de incarnatie mee.
De buik als god
De Bijbel is veel directer over eten dan onze preken doen vermoeden. Spreuken, het boek van de praktische wijsheid, windt er geen doekjes om. “Wees niet onder de wijnzuipers, noch onder de veelvraten van vlees. Want een dronkaard en een veelvraat worden arm, en slaperigheid doet vodden dragen” (Spreuken 23:20-21). En een paar verzen eerder, nog scherper: “Zet een mes op je keel, als je iemand bent met een grote eetlust” (Spreuken 23:2).
Dat is geen taal die je verwacht in een ochtendoverdenking. Maar het staat er wel. En het staat er omdat de schrijvers van Spreuken iets begrepen wat wij zijn vergeten: de relatie tussen een mens en zijn maag is een geestelijke kwestie. Niet bijkomstig. Niet privé. Niet “tussen jou en je dokter”. Het raakt aan wie je dient.
Paulus maakt het in Filippenzen 3 nog explicieter. Hij schrijft over mensen die zich christen noemen maar in werkelijkheid iets anders aanbidden, en zijn diagnose is hard: “hun god is de buik, en hun eer is in hun schande” (Filippenzen 3:19). Lees dat eens langzaam. Hun god is de buik. Dat is geen scheldwoord. Dat is een theologische analyse. Wie zich laat regeren door wat hij in zijn mond stopt, heeft een god gevonden, en het is niet de juiste.
Het ongemakkelijke is dat dit dichterbij komt dan we willen toegeven. Sla een maaltijd over en kijk wat er gebeurt. Word je onrustig? Geïrriteerd? Begin je te trillen na drie uur zonder iets in je mond? Mozes vastte veertig dagen. Elia veertig dagen. Jezus veertig dagen. En wij kunnen vaak nog geen middag overbruggen zonder een tussendoortje. Dat is niet alleen een gewoonte. Dat is een afhankelijkheid waarvan we hebben afgesproken haar niet bij de naam te noemen.
Vasten was in de vroege kerk geen exotische monnikenpraktijk. Het was normaal. De gemeente in Antiochië vastte voor ze Paulus en Barnabas uitzond (Handelingen 13). Paulus zelf vastte regelmatig. Niet omdat het lichaam slecht was, maar juist omdat het lichaam belangrijk genoeg was om mee te trainen. Wie nooit nee kan zeggen tegen zijn maag, kan ook moeilijk ja zeggen tegen iets hogers. Vasten is de spierversterker van de geestelijke vrijheid. En het is een van de eerste dingen die we als kerk hebben laten verschrompelen.
Het ongemakkelijke midden
Hier moet ik oppassen. Want er is een andere greppel aan de overkant van de weg, en die is minstens zo diep.
De wereld om ons heen heeft het lichaam niet verwaarloosd. De wereld heeft het lichaam tot god gemaakt. De fitnessindustrie draait miljarden om op schuldgevoel en schaamte. Instagram toont je elke dag lichamen die bewerkt zijn met software en verlicht met studiolampen, en noemt het “motivatie”. De obsessie met gezondheid is zelf een ziekte geworden: orthorexia, de dwangmatige fixatie op “zuiver” eten, groeit. Het lichaam als tempel kan ook een afgodstempel worden.
En sommige christenen zijn daar keihard ingetrapt. Ze posten hun mealpreps met bijbelverzen. Ze doen alsof God een personal trainer is die teleurgesteld raakt als je een dag overslaat. Ze maken van lichamelijke discipline een nieuwe wet, een nieuw juk, een nieuw verdienmodel voor je relatie met God. Dat is geen leefstijl meer. Dat is een dwangbuis. Een nieuwe afgod, alleen slanker.
Paulus, met zijn gebruikelijke precisie, zet de boel in balans. Hij schrijft aan Timotheüs: “De lichamelijke oefening is van weinig nut, maar de godsvrucht is nuttig voor alle dingen” (1 Timotheüs 4:8). Lees dat goed. Hij zegt niet: nutteloos. Hij zegt: van weinig nut. Dat is een rangorde, geen verbod. Het is zilver naast goud. Niet goud naast afval.
En een paar hoofdstukken eerder, in 1 Korinthe 6, geeft Paulus de zin die als een mes door beide greppels snijdt: “Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal mij niet onder de macht van ook maar iets laten brengen” (1 Korinthe 6:12). Dat is het bijbelse antwoord op zowel de kerk die zwijgt over het lichaam als de cultuur die het aanbidt. Vrijheid, ja. Maar geen slavernij. Niet aan een dieet, niet aan een spiegel, niet aan een trainingsschema, en ook niet aan de koek bij de koffie.
Het bijbelse antwoord is dus geen van beide extremen. Het is de smalle weg ertussenin: zorgen voor wat God je heeft toevertrouwd, zonder het te verafgoden.
Bidden om wat we zelf afbreken
Er is nog iets dat we niet genoeg bespreken. En dat is dit: in evangelische en charismatische kringen wordt veel gebeden om genezing van leefstijlziekten. Diabetes type 2. Hoge bloeddruk. Vermoeidheid. Knieën die het opgeven. Slaapproblemen. En dat mag ook. God is machtig en geneest, ook bij dingen waar we zelf aan hebben bijgedragen.
Maar er zit een vraag onder die we vaak ontwijken. Wat als de oorzaak deels in het bord ligt, of in de bank waar we elke avond op zinken? Wat doen we dan? Bidden we om herstel, ontvangen we het misschien zelfs, en gaan we daarna terug naar dezelfde patronen die ons ziek maakten? En vragen we ons dan af waarom de klachten terugkomen?
Dit is geen veroordeling. Niet alle ziekte is leefstijl, en niet alle leefstijl is keuze. Stress, genetica, omgeving, armoede, trauma, vermoeidheid, het speelt allemaal mee, en het is veel ingewikkelder dan een kwestie van wilskracht. Iemand met chronische ziekte is niet schuldig aan zijn ziekte. Dat moet eerst gezegd zijn, en het moet stevig staan.
Maar als we eerlijk zijn: in een groot deel van de gevallen waarin we God om genezing vragen, is er ook een gesprek te voeren met onszelf. En dat gesprek slaan we over. We willen het wonder zonder de spiegel. We willen de uitkomst zonder de inkeer. En dat is niet hoe God doorgaans werkt. In de Bijbel gaan genezing en bekering vaak hand in hand. Bekering is niet alleen iets voor je gedachten of je seksleven. Het kan ook gaan over je vork.
Misschien is de eerlijke vraag soms niet “waarom geneest God niet?”, maar “ben ik bereid om mee te werken aan het antwoord?”.
De tempel die Josia vond
Er is een verhaal in 2 Koningen 22 dat me niet loslaat. Koning Josia stuurt arbeiders naar de tempel om reparaties uit te voeren. De tempel is jarenlang verwaarloosd, onder vorige koningen die andere prioriteiten hadden. En terwijl de arbeiders het puin ruimen, vinden ze iets: het Boek van de Wet. De Thora. Gods woord. Begraven onder het vuil van decennia verwaarlozing.
Josia hoort de woorden en scheurt zijn kleren. Niet uit formaliteit, maar uit schok. Hij realiseert zich dat Gods volk generaties lang heeft geleefd zonder te weten wat er eigenlijk in het Boek stond.
Ik denk dat wij in een vergelijkbare situatie zitten. We hebben het bijbelvers over de tempel van de Heilige Geest begraven onder lagen gewenning. We citeren het bij elke conferentie over seksualiteit, maar als het gaat over hoe we ons lichaam dagelijks behandelen, slaan we het stilletjes over.
Lees het dan nu opnieuw. Langzaam.
“Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is, Die u van God hebt ontvangen, en dat u niet van uzelf bent? U bent immers duur gekocht. Verheerlijk daarom God in uw lichaam” (1 Korinthe 6:19-20, HSV).
Niet: verheerlijk God ondanks je lichaam. Niet: verheerlijk God los van je lichaam. Maar: in je lichaam. Door middel van. Met behulp van. Dat is nogal wat.
Waar het concreet wordt
Ik wil geen lijstje met tips. Dat zou het reduceren tot iets wat je afvinkt en vergeet. Maar ik wil ook niet vaag blijven.
Dus laat ik één ding zeggen.
Paulus schrijft: “Ik oefen mijn lichaam op harde wijze en maak het dienstbaar” (1 Korinthe 9:27). Dat woord “dienstbaar” is het scharnierpunt. Paulus traint zijn lichaam niet om er goed uit te zien. Niet om langer te leven. Niet om zich beter te voelen, hoewel dat mooie bijeffecten zijn. Hij traint het zodat het hem niet in de weg zit bij wat hij moet doen.
Dat verandert de hele vraag. Het gaat er niet om of je een gezond BMI hebt. Het gaat erom of je lichaam je in staat stelt te doen waartoe God je roept. Kun je dienen zonder na een uur al uitgeput te zijn? Kun je bidden zonder dat je lichaam je constant afleidt met klachten die je zelf voedt? Kun je vasten zonder dat je halverwege de ochtend instort? Kun je er zijn voor je kinderen, je gemeente, je buren, met energie die ergens vandaan komt?
Voor de een betekent dat: gewoon weer beginnen met lopen. Voor de ander: een arts opzoeken. Voor weer een ander: een gesprek met een diëtist of een coach. En voor sommigen, juist het tegenovergestelde: stoppen met dat schema dat een afgod is geworden, en weer leren genieten van een maaltijd zonder een spreadsheet erbij. De smalle weg ziet er voor iedereen iets anders uit.
En voor wie een lichaam draagt dat niet meewerkt, omdat ziekte, beperking of pijn de boel anders maakt: het bovenstaande is niet bedoeld als oordeel. Voor jou geldt hetzelfde principe in een andere vorm. De vraag is niet of je lichaam aan een norm voldoet, maar of je het behandelt als iets wat van God is. Soms is dat trainen. Soms is dat aanvaarden. Soms is dat allebei.
Het hele huis
Misschien is dat het begin. Niet een dieet. Niet een programma. Maar een gebed. Het soort gebed dat je niet op je knieën doet maar op je voeten. Lopend door de wijk. Met de wind tegen. Zonder oortjes. Zonder podcast. Gewoon jij en de God die niet alleen in je hart woont, maar ook in je knieën, je longen en je vermoeide rug.
Hij woont in het hele huis. En het hele huis is het waard om onderhouden te worden.
(Foto: America Burgers, Allenby Street, Tel Aviv-Yafo, Israël)