Dieptestudie over AI / KI: Kunstmatige intelligentie
Over een technologie die alles lijkt te kunnen, een preek die meer vraagt dan woorden, en de stilte van een dominee die niet wist wat hij moest zeggen

Een paar maanden geleden las ik een interview met een Britse predikant die, anoniem, vertelde dat hij een week eerder een preek had gehouden die hij in twintig minuten met een AI-tool had samengesteld. Hij had de tekst doorgelezen, hier en daar een zin aangepast, en de preek uitgesproken. Na de dienst kwam een gemeentelid naar hem toe. “Dank u wel, dominee. Daar had ik deze week iets aan.” De predikant knikte. En zweeg. Want wat antwoord je op een bedankje voor een preek die je niet zelf hebt geschreven.

Ik moest aan die stilte denken toen ik dit stuk begon. Niet omdat die dominee iets ergs had gedaan, daar kom ik straks op terug, maar omdat er in zijn zwijgen een gesprek zit dat de kerk nu aan het ontwijken is.

Laat ik meteen eerlijk zijn: ik schrijf dit als iemand die zelf AI-tools gebruikt. Voor research, voor het verkennen van bronnen, soms om te toetsen of een gedachte logisch loopt. Ik heb geen principieel bezwaar tegen deze techniek. Dit wordt dus geen pleidooi voor een verbod, en wie daarop hoopt, moet ik teleurstellen. Wat ik wel wil proberen is scherp krijgen wat we precies binnenhalen, en waar de grens ligt tussen een gereedschap gebruiken en een gereedschap het werk laten doen.

Geen toekomstmuziek meer

Eerst even de stand van zaken, want het debat wordt soms gevoerd alsof AI-prediking nog science fiction is.

In juni 2023 werd in Neurenberg een volledige lutherse kerkdienst geleid door een AI-systeem, met avatars op een groot scherm die preekten, baden en de liturgie leidden. Ongeveer driehonderd mensen waren aanwezig. De reacties waren gemengd. Mensen vonden de dienst technisch indrukwekkend maar emotioneel kil, en het panel achteraf concludeerde dat het systeem niet begreep hoe preken werkt. Destijds werd er gelachen om de experimentele aard van het geheel. Dat was twee en een half jaar geleden. Het lachen is verstomd.

Sindsdien is het sneller gegaan dan de meeste kerken beseften. De Protestantse Kerk in Nederland publiceerde een handreiking voor AI in het kerkenwerk. Het Nederlands Dagblad hield een enquête onder predikanten en ontdekte dat een substantieel deel AI inmiddels gebruikt bij preekvoorbereiding, van grondwoord opzoeken tot volledige schetsen genereren. Een dovenpastor ontwikkelde een tool die op één druk een preekschets aanlevert in tien verschillende stijlen. En in Rome noemde paus Leo XIV kort na zijn verkiezing in 2025 AI “een nieuwe industriële revolutie” en waarschuwde hij begin 2026 specifiek tegen priesters die hun preken door machines laten schrijven.

De technologie is er. De vraag is niet meer of ze de studeerkamer binnenkomt, maar wat we daar dan mee doen.

De lakmoesproef

Laat ik de vraag die straks terugkomt nu alvast op tafel leggen, want het heeft geen zin om eromheen te lopen.

Als de preek van afgelopen zondag in jouw gemeente door een AI zou zijn geschreven, had iemand het gemerkt?

Denk er even over na voordat je antwoordt. Niet: had de voorganger het gemerkt. Maar had er één gemeentelid, één oudste, één medewerker aan de uitgang iets gevoeld wat niet klopte? Zou er iemand zijn die na afloop zei: dit was anders dan anders?

Voor sommige gemeenten is het antwoord een volmondig ja. Daar wordt gepreekt door iemand die dinsdagnacht wakker lag van de tekst van zondag, die vrijdag zijn preek omgooide na een telefoontje van een gemeentelid in nood, en die je dat op zondag kunt zien aan zijn gezicht. Voor die gemeenten is dit stuk bijna overbodig.

Maar voor veel andere gemeenten is het antwoord eerlijker als we het hardop durven zeggen: misschien niet. En die eerlijkheid is waar dit gesprek begint, niet waar het eindigt. Want als het antwoord nee is, dan ligt het probleem niet bij de machine. Dan was het er al.

Wat de machine werkelijk kan

Ik wil de capaciteiten van AI niet kleiner maken dan ze zijn, want dan wordt het gesprek oneerlijk.

Een modern taalmodel kan een exegetisch verantwoorde preek schrijven. Het kan Griekse grondwoorden opzoeken en context geven. Het kan de structuur bouwen van een driepunter die klopt, de toon kiezen die bij jouw denominatie past, een persoonlijke anekdote verzinnen die klinkt alsof hij uit jouw eigen leven komt, en de Heidelbergse Catechismus citeren zonder een letter fout te maken. Het kan dit alles in minder tijd dan een predikant nodig heeft om zijn koffie te zetten.

Voorstanders zeggen: en wat is daar precies mis mee? De voorganger heeft vijftig preken per jaar te leveren, plus pastoraat, catechese, begrafenissen, vergaderingen, een gezin. Als een tool hem helpt de exegese sneller te doen, zodat hij meer tijd heeft voor het bezoek aan het sterfbed, is dat dan niet juist een zegen? Elk ander beroep gebruikt digitale hulpmiddelen. Waarom zou de predikant er geen gebruik van mogen maken? En als de preek inhoudelijk klopt, wat maakt het dan uit waar de zinnen vandaan kwamen?

Dat is geen onzinnig argument. Ik ken predikanten die onder reële druk staan, die ’s nachts huilen van uitputting, die worstelen om tijd te vinden voor hun eigen geestelijk leven, laat staan voor vijftig zorgvuldig gewrochte preken. Voor hen klinkt de morele verontwaardiging van buitenstaanders soms als een luxe. En ze hebben daar, gedeeltelijk, een punt.

Het antwoord is niet dat ze onzuiver bezig zijn. Het antwoord is dat de vraag wat een preek eigenlijk is, onvoldoende op tafel is gelegd voordat de tools er waren.

Niet elk gereedschap is hetzelfde

De kerkelijke discussie loopt nu grofweg langs twee sporen. Het ene spoor zegt: AI mag niet in de preek, punt. Het andere spoor zegt: AI is gewoon een hulpmiddel, net als een concordantie of een commentaar, en principiële bezwaren zijn achterhaald.

Ik denk dat beide sporen te gemakkelijk zijn.

Een concordantie zoekt woorden. Een commentaar legt context uit. Een taalmodel doet iets anders: het produceert taal. Het is het verschil tussen een gereedschap dat jou helpt jouw werk te doen, en een gereedschap dat het werk zelf doet. Dat onderscheid is niet hysterisch of ouderwets. Het is wezenlijk. Een kok die een keukenmachine gebruikt is nog steeds een kok. Een kok die de machine het recept laat verzinnen, is iets anders geworden.

De vraag is dus niet of AI in de studeerkamer mag komen. De vraag is welk werk we nog zelf willen doen, en welk werk we bereid zijn uit handen te geven. En die vraag is geestelijk, niet technisch.

De markt

Om te begrijpen hoe ver dit gesprek al is, is het goed om even naar een markt te kijken die de meeste Nederlandse kerkgangers niet kennen.

Er bestaan inmiddels minstens een half dozijn platforms die zich specifiek richten op predikanten. SermonBuild, Pulpit AI, SermonSpark, Sermonly, Sermon Outline AI, SermonAi. Ze werken allemaal ongeveer hetzelfde. Je sluit een abonnement af voor rond de twintig dollar per maand en je krijgt onbeperkt preken, preekschetsen, illustraties, kringgidsen, social media-clips, studiegidsen voor de gemeente en complete preekseries voor een heel jaar. De belofte die ze verkopen is steeds dezelfde: uren tijdwinst per week. Geen van deze diensten verbergt waar ze voor bedoeld zijn. Ze richten zich op mensen die ondergesneeuwd zijn, en die zijn er in overvloed.

Een van die diensten, Sermon Outline AI, is eigendom van SermonCentral. Dat is de grootste preek-database ter wereld, een site waar predikanten al decennialang elkaars preken raadplegen. Hun AI-variant wordt op de homepage aangeprezen als preken “in hun zuiverste vorm”. De toelichting maakt duidelijk wat daarmee bedoeld wordt: copyrightvrije preekinhoud, geen bronvermelding nodig, geen krediet schuldig, geen verantwoording. Vrijheid, in de verpakking van reclame.

Lees dat nog eens. De grootste preek-database ter wereld verkoopt als de zuiverste vorm van prediking: niets hoeven uitleggen van waar je woorden vandaan kwamen. Dat is niet alleen marketing die uit de bocht vliegt. Het is een omkering van wat vrijheid in de Bijbel betekent. Toen Jezus sprak over de waarheid die vrij zou maken, had Hij niet het schrappen van bronvermeldingen voor ogen.

En dan de pin. Southeastern University, een christelijke universiteit in Florida met een theologische faculteit, biedt Pulpit AI gratis aan aan alle studenten van haar School of Theology and Ministry. Niet als experiment, niet als keuzevak, maar als onderdeel van de opleiding. De volgende generatie Amerikaanse voorgangers leert preken voorbereiden met deze gereedschappen alsof het net zo vanzelfsprekend is als een Bijbelvertaling open slaan. Wat in Nederland nu nog een stille keuze is van een enkele uitgeputte predikant, is aan de andere kant van de oceaan al instructie geworden voor wie nog moet leren preken.

Dat maakt het gesprek dringender dan het misschien lijkt. Want een keuze kun je heroverwegen. Een gewoonte die je van jongs af aan hebt aangeleerd, niet. Wie leert preken met een AI naast zich, weet straks niet meer hoe preken zonder voelt. De worsteling die Luther oratio, meditatio, tentatio noemde, wordt dan geen oefening meer die je bewust verwerpt. Het wordt een ervaring die je nooit hebt gehad.

Wat er gebeurt als je de worsteling uitbesteedt

Hier moet ik iets persoonlijks vertellen.

Een paar dagen geleden heb ik een experiment gedaan. Ik vroeg een AI-model om een preekschets te maken over een willekeurig Bijbelboek. De tekst die eruit kwam was goed. Beter dan ik van tevoren had verwacht. Exegetisch verantwoord, pastoraal warm, met een structuur die klopte en een afsluiting die ik zelf zo had kunnen schrijven. Ik las hem twee keer door en voelde iets wat ik lastig kan beschrijven. Het was geen bewondering en geen verontwaardiging. Het was eerder een leegte. De tekst klopte, maar ik had hem niet gemáákt. Er was niets in mij kapotgegaan om hem te schrijven. Er was geen moment waarop ik dacht: dit raakt mij, dus moet ik verder kijken. Er was alleen een resultaat.

En dat bracht mij bij een vraag die ik niet had zien aankomen. Wat zou er verloren zijn gegaan als ik deze tekst op zondag had uitgesproken? Inhoudelijk niets. De gemeente zou iets goeds gehoord hebben. Maar ik had niet hoeven worstelen met de tekst. Ik had niet ’s avonds wakker hoeven liggen van een zin die me niet losliet. Ik had niet de ervaring gehad dat dit boek eerst mij opende voordat ik het aan anderen kon openen.

Luther noemde dat proces oratio, meditatio, tentatio. Gebed, overdenking, aanvechting. Zijn punt was dat een preek niet alleen in je hoofd wordt gemaakt, maar ook in je leven, door de tekst heen. Het is niet romantisch bedoeld en het is niet gereserveerd voor gevorderden. Het is de beschrijving van wat er gebeurt wanneer iemand werkelijk met een tekst omgaat. En het is precies dat proces dat een AI niet voor je kan doen, niet omdat de machine gebrekkig is, maar omdat dat proces jouw proces is. Niemand anders kan het voor jou hebben.

Paulus in Korinte

De gemeente in Korinte was in veel opzichten een moderne gemeente. Ze hielden van welsprekendheid. Ze hadden Apollos gehoord, die de retorische kunst beheerste zoals weinigen, en ze beoordeelden hun leraren gedeeltelijk op stijl. Tegen die achtergrond schrijft Paulus iets wat in onze tijd opnieuw scherp wordt: “Mijn spreken en mijn prediking bestonden niet in overtuigende woorden van menselijke wijsheid, maar in het betonen van Geest en kracht” (1 Korinthe 2:4).

Let op wat hij niet zegt. Hij zegt niet: welsprekendheid is slecht. Hij zegt niet: inhoud doet er niet toe. Hij zegt dat hij zich niet heeft verlaten op wat hij zelf kon produceren, omdat het geloof van de Korintiërs anders zou steunen op zijn kunst in plaats van op Gods kracht.

Een taalmodel is, gezien vanuit Paulus’ perspectief, welsprekendheid in haar meest efficiënte vorm. Het is menselijke wijsheid, opgeslagen en op afroep leverbaar. Dat is geen veroordeling. Welsprekendheid is niet zondig. Maar het is wel iets waar Paulus doelbewust niet op wilde leunen, omdat hij wist hoe verleidelijk het was en hoe makkelijk het de plaats zou innemen van iets dat veel moeilijker te krijgen is.

Dat “iets anders” noemt hij Geest en kracht. Dat is lastige taal. Ik wil het niet mystificeren en ook niet platslaan. Wat ik ervan begrijp, is dit: er gebeurt in een preek soms iets wat de prediker zelf niet had kunnen plannen. Een zin die hij niet had opgeschreven. Een pauze die langer duurt dan bedoeld. Een tekst die ineens anders landt bij de gemeente dan de prediker voor ogen had. Dat is niet te organiseren, en het is niet te reproduceren, en het is ook niet altijd aanwezig. Maar als het er is, herkennen mensen het. En als het er niet is, voelen ze dat ook.

Dit is wat een taalmodel niet heeft, en het is eerlijk om te erkennen dat niet elke preek het heeft, AI of geen AI. Het punt is niet dat menselijke predikers altijd Geest en kracht brengen en machines nooit. Het punt is dat een machine het in principe niet kan, terwijl een mens het in principe wel kan. En dat onderscheid raakt aan wat we van een preek verwachten.

Drie dingen die niet meekomen

Als ik het probeer terug te brengen tot drie dingen die in het geding zijn, kom ik op deze.

Het eerste is de relatie tussen de prediker en de tekst. Niemand anders kan voor jou worstelen met een tekst of een Bijbelboek. Een AI kan de exegese opleveren, maar de exegese is niet hetzelfde als de ontmoeting. Wie de ontmoeting overslaat, preekt over iets waar hij niet zelf binnen is geweest. Dat merkt een gemeente. Niet altijd bewust, maar wel in de ruimte tussen de woorden.

Het tweede is de relatie tussen de prediker en de gemeente. Een preek wordt gesproken tot deze mensen. De dominee die weet dat Henk op de derde rij vorige week zijn vrouw heeft verloren, leest Psalm 23 anders dan een algoritme dat “troostteksten” rangschikt. De voorganger die ziet dat een tiener op de achterste rij onrustig zit, voegt een zin toe die niet in het script stond. Dat is geen truc. Dat is het werk van iemand die de mensen voor zich kent en zich door hen laat beïnvloeden tijdens het spreken. Een gegenereerde preek kent de gemeente niet, en kan door niemand worden onderbroken.

Het derde is het moeilijkst te benoemen, en het is ook het eerlijkst. Het is de relatie tussen de prediker en zijn eigen geestelijk leven. Preken is niet alleen een taak; het is ook een geestelijke oefening voor degene die het doet. Wie de studie van de tekst uitbesteedt, verliest niet alleen iets voor de gemeente. Hij verliest ook iets voor zichzelf. Hij verliest de plek waar hij wekelijks door een tekst wordt aangesproken, uitgedaagd, getroost, terechtgewezen. Dat is geen klein verlies. Dat is het verlies van precies die plek waar een prediker zelf geestelijk gevormd wordt.

Die drie dingen kun je niet uitbesteden zonder dat ze verdwijnen. En ze verdwijnen geruisloos, zonder dat iemand er meteen iets van merkt, tot je op een dag ontdekt dat er iets ontbreekt en je niet meer precies kunt aanwijzen wanneer het wegging.

Terug naar de lakmoesproef

En dan ben ik terug bij waar ik begon, bij die vraag die ik halverwege niet wilde laten liggen.

Als de preek van afgelopen zondag in jouw gemeente door een AI zou zijn geschreven, had iemand het gemerkt?

Ik denk dat dit niet alleen een vraag is voor predikanten. Het is ook een vraag voor gemeenten. Want als het antwoord nee is, ligt dat niet alleen aan de voorganger. Het ligt ook aan wat wij als gemeente verwachten van een preek. Als wij een preek beoordelen op structuur, op correctheid, op vloeiende zinnen, op drie keurige punten en een mooi afgeronde conclusie, dan zijn we al lang niet meer aan het luisteren naar iets wat alleen een mens kan leveren. Dan zijn we aan het luisteren naar welsprekendheid. En welsprekendheid krijgen we straks overal, gratis, in zes talen tegelijk.

Wat we van een preek mogen verwachten is iets anders. Dat de prediker weet waar hij over spreekt omdat hij er zelf doorheen is gegaan. Dat hij de tekst niet heeft opgezocht maar ontvangen. Dat hij iets meebrengt dat hij niet uit zichzelf had kunnen produceren. Dat hij soms stokt, omdat het hem raakt. Dat hij de mensen voor zich ziet en niet alleen een publiek toespreekt.

Dat is geen romantisch ideaal. Dat is het normale minimum voor wat een preek wil zijn.

En misschien is dat uiteindelijk het onverwachte geschenk van deze technologie. Niet dat ze de prediker overbodig maakt, maar dat ze ons dwingt opnieuw te vragen wat een prediker eigenlijk doet dat niemand anders voor hem kan doen. Dat gesprek is jaren niet gevoerd, want het hoefde niet. Nu hoeft het wel. En dat is, alles overwogen, geen ramp. Dat is genade, in de verpakking van ongemak.

Op voorwaarde dat we het gesprek voeren voordat de gewoonte het stilletjes voor ons heeft beantwoord.

“Wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de allesovertreffende kracht van God zou zijn en niet uit ons.” 2 Korinthe 4:7 (HSV)

Blijf op de hoogte 📖
Nieuwe blogs direct in je inbox.

Meld je aan en ontvang iedere zaterdagmorgen een e-mail met een overzicht van de nieuwe blogs op Woord & Geest.

We sturen alleen een mail bij een nieuw artikel. Geen spam. Lees ons privacybeleid voor meer info.