Over lege kerkbanken, volle wonden, en een God die niet schrikt van woede

Er is een zin die je niet hardop zegt in evangelische kringen. Niet op de huiskring. Niet na de dienst bij de koffie. En al helemaal niet als je jarenlang trouw op je plek zat, meedraaide, meebouwde, meebad.

De zin is: ik ga even niet.

Niet omdat je geloof weg is. Niet omdat je lui bent geworden. Maar omdat de plek waar je God zou moeten vinden, de plek is geworden waar je wond zit. Omdat de stoelen, de gezichten, de liederen je herinneren aan iets dat kapot is gegaan. En omdat je niet weet of je kunt zitten in een zaal en doen alsof dat niet zo is.

Dit stuk is geschreven vanuit die plek. Niet als terugblik vanuit herstel, maar als mijn persoonlijke dagboekfragment vanuit het midden. Al maanden ben ik niet geweest. Het is inmiddels april. En het is nog steeds even niet.

Wat er werkelijk pijn doet

Laten we eerlijk zijn over wat hier schuurt. Het is niet de kerk als concept. Het is niet de theologie, niet de liederen, niet de structuur. Wat pijn doet is specifieker. Het is een leider die je vertrouwde, die beslissingen nam die niet klopten, die geconfronteerd werd, en die vervolgens gewoon doorging. Geen erkenning. Geen rekenschap. Geen gevolgen.

En daar zit meteen de vraag die ik lang niet hardop durfde stellen. Want wat is vertrouwen geven eigenlijk? Het is niet dat je verwacht dat iemand foutloos is. Dat weet je wel. Iedereen struikelt, iedereen mist dingen, iedereen heeft blinde vlekken. Vertrouwen geven is iets anders. Het is erop rekenen dat iemand eerlijk is als het misgaat. Dat iemand in staat is om “sorry” te zeggen zonder dat er eerst tien mensen bij moeten zitten. Dat er, onder het gezag, een mens staat die zich laat aanspreken. Die wond zit niet in de fout. Die zit in het uitblijven van dat ene woord.

En dan is er het bestuur dat had moeten ingrijpen, maar te laat kwam, te zacht was, of helemaal niet kwam. De mensen die het hadden moeten rechtzetten, die het lieten lopen. Niet uit kwade wil misschien, maar het resultaat is hetzelfde: jij staat met de scherven en zij vergaderen door.

Zij vergaderen door. Ik typ het nog een keer omdat die zin blijft hangen. Er is iets wreeds aan het geluid van een agenda die zich vormt over jouw hoofd heen. Notulen die worden goedgekeurd. Actiepunten die worden verdeeld. En jij zit thuis en vraagt je af: hoort iemand mij eigenlijk? Niet iemand die knikt en zegt dat het vervelend is, maar iemand die het werkelijk hoort. Die begrijpt dat overleg geen antwoord is als wat ontbreekt geen overleg is maar erkenning.

Psalm 55 beschrijft dat gevoel met een eerlijkheid die je zelden hoort in een kerkdienst:

“Was het een vijand die mij hoonde, ik zou het kunnen dragen. Was het mijn hater die zich tegen mij verhief, ik zou me voor hem verbergen. Maar jij bent het, een mens als ik, mijn metgezel, mijn vertrouwde vriend. Wij die samen de innige omgang genoten, die in Gods huis wandelden onder de menigte.”

David had het niet over een buitenstaander. Hij had het over iemand met wie hij in het huis van God liep. Iemand uit de kring. Dat is een ander soort pijn dan tegenslag of vervolging. Het is verraad verpakt in geestelijke taal. En het vreet anders.

De man die doorloopt

Wat de wond openhoudt, is niet alleen wat er is gebeurd. Het is wat er daarna niet gebeurt.

De persoon die de schade aanrichtte, start iets nieuws. Wordt elders uitgenodigd. Krijgt een podium, een microfoon, een nieuw publiek. Niemand stelt vragen. Niemand belt het vorige adres. De christelijke wereld heeft een kort geheugen en een zwak voor charisma.

Of misschien is “niemand stelt vragen” niet het hele verhaal. Misschien is de vraag waarom niemand ze stelt. Want vragen stellen kost iets in bepaalde kringen. Je wordt al snel de kritische, de negatieve, de opstandige. En in een omgeving waar tegenspraak wordt gelezen als gebrek aan geloof, leer je vanzelf om je twijfels binnen te houden. Zo ontstaat er een beleefde stilte rond dingen die juist hardop zouden moeten klinken. Niet omdat niemand iets ziet. Maar omdat iedereen heeft geleerd dat zien niet hetzelfde is als mogen zeggen.

En jij zit thuis op zondagochtend. Met je koffie en je boosheid en het gevoel dat de wereld op z’n kop staat. Want de herder die de schapen verwondde, opent vrolijk een nieuwe stal. En de schapen die gewond achterbleven, krijgen te horen dat ze moeten vergeven en verdergaan.

God ziet dat anders. In Ezechiël 34 spreekt Hij zelf, zonder omwegen:

“Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden? Het zwakke hebt u niet versterkt, het zieke niet genezen, het gebrokene niet verbonden, het afgedwaalde niet teruggebracht, het verlorene niet gezocht. Met geweld en met harde hand hebt u over hen geheerst.”

Dat is geen tekst over een meningsverschil. Dat is Gods woede over leiders die hun positie gebruiken ten koste van de mensen die aan hen zijn toevertrouwd. En het oordeel dat erop volgt is niet mals: “Ik zal mijn schapen van hun hand eisen.” God houdt de rekening bij, ook als niemand anders dat doet.

Als jij boos bent over de consequentieloosheid, over de onrechtvaardigheid van het geheel, dan sta je dichter bij het hart van God dan je denkt. Want Hij is ook boos. Hij was het eerst.

Boosheid is geen gebrek aan geloof

Ergens onderweg in de evangelische wereld is de gedachte ingeslopen dat goede christenen geen harde emoties hebben. Dat boosheid verdacht is. Dat verdriet na verloop van tijd plaats moet maken voor dankbaarheid. Dat wie nog pijn voelt, kennelijk niet genoeg heeft gebeden, niet genoeg heeft vergeven, niet genoeg heeft losgelaten.

Het is niet waar. Het is nooit waar geweest.

De Psalmen staan er vol mee. David schreeuwt, klaagt, eist, beschuldigt. Jeremia vervloekt de dag dat hij geboren werd. Job draait zich om op zijn ashoop en zegt dat hij niet meer wil. En God antwoordt in geen van die gevallen met een vermaning. Hij antwoordt met nabijheid. Soms met brood. Soms met een stilte die meer geruststelt dan woorden. Nooit met een lesje over hoe je beter had moeten voelen.

De emoties die God zelf in ons heeft gelegd zijn niet het tegenovergestelde van geloof. Ze zijn vaak juist het eerste teken dat je geloof nog werkt. Dat je nog iets verwacht van een God die recht doet. Dat je je niet hebt neergelegd bij de manier waarop de dingen zijn gelopen. De mensen die niets meer voelen, zijn niet verder dan jij. Ze zijn alleen stiller geworden.

Natuurlijk: niemand moet in zijn boosheid blijven wonen. Bitterheid die jaren blijft hangen wordt op den duur een soort zelfverwonding. Maar tussen “voor altijd boos” en “doe alsof er niets is” ligt een heel gebied waarin emoties simpelweg mogen bestaan. Mogen klinken. Mogen ademen. En God schrikt er niet van. Hij week er nog nooit voor terug.

Hebreeën als hamerslag

Maar ja, dan is er dat vers. “Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten.” Hebreeën 10:25. Het wordt geciteerd alsof het een spijker is die elke discussie dichtslaat.

Maar wie de brief aan de Hebreeën leest, merkt dat die zin niet geschreven is als disciplinaire maatregel voor gewonde gelovigen. De ontvangers waren mensen die vervolgd werden. Die hun bezittingen verloren. Die gevangen werden gezet. Het vers is een aanmoediging aan mensen die ondanks gevaar bleven komen. Het is geen stok voor mensen die juist door de kerk gewond zijn geraakt.

De Bijbel kent het verschil tussen weglopen uit luiheid en je terugtrekken uit nood. Jezus zelf week regelmatig uit. Na de dood van Johannes de Doper trok Hij zich terug naar een eenzame plaats. Na de zwaarste nachten bad Hij alleen, ver van de tempel, ver van de menigte. Niet omdat de gemeenschap er niet toe deed. Maar omdat er momenten zijn waarop alleen de Vader genoeg is.

Elia at brood en stelde geen vragen

En dan is er Elia.

1 Koningen 19. De profeet die net vuur uit de hemel had geroepen, die de Baälpriesters had verslagen op de Karmel, rent voor zijn leven. Izebel dreigt hem te doden. En wat doet hij? Hij gaat liggen onder een bremstruik en zegt: “Het is genoeg, HEER. Neem mijn leven.”

Dit is geen luie gelovige. Dit is een man die alles heeft gegeven en het niet meer kan.

En Gods reactie is onthutsend. Geen preek. Geen verwijt. Geen “maar Elia, je hebt net nog vuur uit de hemel gezien.” God stuurt een engel. Met brood. En water. En de engel zegt: “Sta op en eet, want de reis zou te zwaar voor je zijn.”

God kende Elia’s grens voordat Elia die zelf kende. Hij stuurde hem niet terug naar de tempel. Hij gaf hem eten en liet hem slapen. Veertig dagen lang.

Pas daarna kwam het gesprek. Pas daarna kwam de vraag: “Wat doe je hier, Elia?” En zelfs toen Elia twee keer hetzelfde antwoord gaf, een antwoord vol zelfmedelijden en overdrijving (“ik alleen ben overgebleven”), corrigeerde God hem zacht. Niet met een standje, maar met een opdracht en een feit: er zijn er nog zevenduizend die de knie niet gebogen hebben.

God haalde Elia niet uit zijn dal door hem naar de kerk te sturen. Hij haalde hem eruit door hem te voeden, te laten rusten, en hem vervolgens iets te geven om te doen.

De zondag van je partner

Er is nog iets dat zelden wordt uitgesproken. Soms zit je partner op een ander punt. Zij wil weg uit de oude plek, maar wél ergens anders proberen. Een nieuwe gemeente bezoeken. Proeven. Op Goede Vrijdag ergens binnenlopen waar niemand je kent en niemand iets van je weet.

En jij? Jij bent nog niet zover. Jij wilt nergens heen. Niet daarheen, niet naar de oude plek, nergens. En dat voelt als falen. Alsof je haar in de steek laat. Alsof jullie uit de pas lopen.

Maar een wond heelt niet op commando en niet synchroon. Dat is geen teken van een gebroken huwelijk. Sterker nog, misschien is het juist het tegenovergestelde. Het feit dat zij gaat zonder jou mee te sleuren, en dat jij blijft zonder haar tegen te houden, is in zekere zin het bewijs dat er tussen jullie iets staat dat geen gelijke passen nodig heeft om overeind te blijven. Zij respecteert jouw tempo. Jij gunt haar haar zoektocht. Dat is geen uit elkaar groeien. Dat is twee mensen die weten dat heel worden niet op commando gebeurt, en die elkaar de ruimte geven om het proces niet te forceren.

Geef dat de ruimte die het nodig heeft. Naar haar toe. En naar jezelf.

Wat overblijft

Dit is geen betoog voor kerkverlating. De gemeente is niet optioneel in Gods plan. Het lichaam van Christus is geen metafoor voor een solocarrière met God.

Maar er is een verschil tussen de gemeente verlaten en even op adem komen. Tussen desertie en een veldhospitaal. Wat jij nu doet is geen ongeloof. Het is overleven. En een pleister op een wond die gehecht moet worden, helpt niemand.

Wat God in deze fase van je vraagt, is misschien niet wat je verwacht. Het is niet dat je zondag weer op rij drie zit. Het is dat je eerlijk bent. Tegen Hem. Dat je zegt wat je voelt, ook als dat woede is, ook als dat wantrouwen is, ook als je gebed meer op een aanklacht lijkt dan op aanbidding.

En misschien vraagt Hij nog één ding. Het moeilijkste. Niet dat je vergeeft alsof er niets is gebeurd. Niet dat je doet alsof het goed zit. Maar dat je de bitterheid niet het laatste woord geeft. Dat je de persoon die je verwondde, niet laat bepalen hoe jij over God denkt. Want die twee zijn niet hetzelfde. De herder die faalde, is niet de Herder die blijft.

Er komt een moment waarop je weer ergens binnenloopt. Misschien is dat over een maand. Misschien over een jaar. Het zal niet spectaculair zijn. Meer zoiets als brood en water onder een struik. Genoeg voor die dag.

En misschien is dat brood concreter dan je denkt. Een boswandeling waarin je eindelijk hardop zegt wat je al maanden inhoudt. Een avond waarop je naast je vrouw zit in een vreemde kerkbank en niets hoeft te vinden, alleen maar ademen. Een gesprek dat je al uitstelde. Een psalm die je niet leest maar schreeuwt. Zoek het niet te ver. Het ligt vaker naast je dan boven je.

Tot dat moment: eet. Drink. Rust. Schreeuw als het moet.

Hij houdt de rekening bij. En Hij bakt het brood zelf.

“Sta op en eet, want de reis zou te zwaar voor je zijn.” 1 Koningen 19:7

Blijf op de hoogte 📖
Nieuwe blogs direct in je inbox.

Meld je aan en ontvang iedere zaterdagmorgen een e-mail met een overzicht van de nieuwe blogs op Woord & Geest.

We sturen alleen een mail bij een nieuw artikel. Geen spam. Lees ons privacybeleid voor meer info.