Er zit een jongen van tweeëntwintig in een café in Utrecht. Zondagochtend, half elf. Hij drinkt een flat white en scrolt door zijn telefoon. Als je hem vraagt waarom hij niet in de kerk zit, kijkt hij even op. Een halve glimlach, meer beleefd dan warm. Alsof je vraagt waarom hij geen fax meer stuurt.

“Kerk? Ja, dat deed ik vroeger. Met mijn ouders.”

Vroeger. Hij is tweeëntwintig. Vroeger is vijf jaar geleden.

Hij gelooft nog wel, zegt hij, als je doorvraagt. Op zijn eigen manier. Hij bidt soms. Hij luistert naar een podcast van een Amerikaanse voorganger die grappen maakt en het woord authenticity gebruikt alsof het een sacrament is. En als je eerlijk bent, doet die podcast iets wat jouw gemeente niet doet. Die man is kwetsbaar. Die man zegt: ik weet het ook niet. Die man praat tegen hem, niet over hem.

De vraag is niet waarom die jongen naar een Amerikaan luistert. De vraag is wat die Amerikaan heeft wat wij niet hebben.

De kerk mist hem niet. Niet omdat ze hem niet waardevol vindt. Maar omdat ze niet eens weet dat hij weg is.

De spannende cijfers

Het Centraal Bureau voor de Statistiek publiceerde in 2025 getallen die in elke kerkenraadsvergadering besproken hadden moeten worden, maar dat waarschijnlijk niet zijn. Van de jongeren tussen 18 en 25 rekent nog slechts dertig procent zich tot een geloof. In 2010 was dat bijna de helft. Regelmatig kerkbezoek zit op veertien procent.

Veertien procent. In een land dat kerken heeft gebouwd op elke straathoek. In een land waar de klokken elke zondag nog luiden over pleinen waar bijna niemand meer naartoe loopt.

Maar de werkelijke pijn zit niet in de cijfers. De werkelijke pijn zit in het feit dat we de mens achter die cijfers niet meer zien. We meten het verlies in percentages in plaats van in gezichten. Ergens tussen de grafieken en de beleidsnotities verdween een jongen van tweeëntwintig, en niemand merkte het. Want hij was nooit een percentage. Hij was gewoon Tim, of Jesse, of David. Hij kwam op een zondag niet meer, en niemand belde.

Kunnen we eigenlijk nog luisteren? Oprecht, zonder agenda? Of is de rauwheid van wat we zouden horen te kwetsbaar, en blijven we liever in onze eigen bubbel omdat die bubbel is wat we kennen?

Zou je het aankunnen om die jongen aan zijn flat white recht aan te kijken en te vragen: waarom kom jij niet meer? En dan, dit is het moeilijkste, te luisteren. Zonder je eigen pijn te projecteren. Zonder in te vullen. Zonder te gaan oplossen.

Onze reactie op de cijfers is al jarenlang dezelfde. Bezorgdheid gevolgd door beleid. We schrikken. En dan maken we een plan. Nog een commissie. Nog een nota. Nog een jeugdbeleidsplan met woorden als vitaal, relevant en toekomstgericht. Alsof het probleem is dat de jongeren de deur niet kunnen vinden. Terwijl ze de deur allang gevonden hebben, erdoorheen gelopen zijn, en aan de andere kant niets aantroffen dat hen deed blijven.

De verkeerde vraag

We stellen steeds dezelfde vraag: hoe krijgen we de jongeren terug in de kerk?

Het is de verkeerde vraag.

De juiste vraag is: waarom zou iemand van tweeëntwintig op zondagochtend liever in de kerk zitten dan in dat café in Utrecht?

Let op wat hier gebeurt. De eerste vraag maakt de jongere tot een probleem dat opgelost moet worden. De tweede vraag dwingt de kerk om in de spiegel te kijken. En dat is precies waarom we de eerste blijven stellen. Een probleem buiten jezelf is draaglijker dan een vraag over jezelf.

De kerk is de plek waar de gemeenschap van gelovigen samenkomt rond Woord en sacrament. Dat is geen detail dat je kunt weg-relativeren met vrome woorden over God in de natuur of God in het café. Jezus stelde de gemeente in. De schrijver van de Hebreeënbrief noemt het verzuimen van de samenkomsten een ernstige zaak (Hebreeën 10:25). Dit is geen optie. Dit is opdracht.

Maar als die samenkomst aanvoelt als een ritueel waar je niet bij hoort, als een taal die je niet spreekt, als een wereld die je niet herkent, dan is de vraag niet waarom de jongere vertrekt. Dan is de vraag waarom hij ooit zou komen.

Het goede antwoord als vijand van het eerlijke gesprek

Recent onderzoek naar kerkverlating onder millennials laat iets zien dat onthutsend is in zijn eenvoud. De jongeren die vertrokken, ervoeren geloof als een systeem van regels en verwachtingen. Kerkgang was verplicht. Correct gedrag was de maatstaf. Twijfel was verdacht.

En laat ik het nog iets scherper zeggen. Als je kinderen twijfelen, word je als ouders ook nog eens scheef aangekeken door de halve gemeente. De twijfel van het kind wordt het falen van het gezin. Zo ontstaat een systeem waarin iedereen investeert in het perfecte plaatje. De ouders die hun kinderen in het gareel houden. De jongeren die de juiste antwoorden geven. De gemeente die tevreden knikt. We zeggen dat we willen dat onze kinderen zichzelf leren kennen. Maar dan wel graag binnen de hokjes en vakjes die wij alvast voor hen gemaakt hebben.

Op het moment dat de zuil opende en de druk wegviel, viel ook het geloof weg. Niet omdat het niet echt was, maar omdat het nooit de kans had gekregen om echt te worden. Omdat het altijd iets was dat van buitenaf werd opgelegd, niet iets dat van binnenuit groeide.

Je kunt dit wegwuiven als een probleem van de gereformeerde wereld. Maar wie eerlijk is, herkent het patroon ver daarbuiten. In elke gemeente waar het goede antwoord belangrijker is dan de eerlijke vraag. In elke kring waar twijfel wordt beantwoord met een Bijbeltekst in plaats van met stilte. In elke preek die het allemaal zo zeker weet dat er geen ruimte overblijft voor iemand die het niet weet.

En dan die zin die als een hamer op ons geweten zou moeten slaan. Onderzoekers vatten na gesprekken met voorgangers, pioniers en twintigers samen wat ze telkens hoorden: jongvolwassenen prikken door vroom geneuzel heen.

Dat is niet de taal van buitenstaanders. Dat is de taal van jongeren die in de kerk zijn opgegroeid. Die de antwoorden kennen. Die de liederen kennen. Die weten hoe het spel werkt. En die zien, met de genadeloze helderheid van een generatie die is opgegroeid met ongefilterde informatie, dat er een kloof gaapt tussen wat de kerk zegt en wat de kerk is.

Wat ze willen is verschrikkelijk simpel en tegelijk bijna onmogelijk. Mensen die echt zijn. Die hun falen laten zien. Die durven zeggen: ik weet het ook niet altijd. Verbinding is niet het perfecte plaatje. Verbinding is eerlijk zijn over de struggles, en dat die er mogen zijn.

Het gat tussen beleidsnotitie en keukentafel

En hier moeten we eerlijk zijn over onszelf.

De cijfers komen binnen. De kerkenraad bespreekt ze. Er wordt geschrokken geknikt. Er komt een werkgroep. Er komt een plan met pijlers en een tijdlijn. Het plan belandt in een la. Niet uit onwil, uit onmacht. De jeugdouderling voelt zich een solist. De werkgroep bestaat uit dezelfde vijf mensen die al in drie andere commissies zitten. En de jongeren zelf waren niet bij de visieavond. Of ze kwamen, maar zeiden niets, omdat ze wisten dat het toch niets zou uitmaken.

Intussen zit die jongen van tweeëntwintig nog steeds in dat café. En hij leest geen beleidsnotities.

Wat hij wel voelt, is of iemand hem kent. Niet zijn naam. Zijn verhaal. Of iemand in de gemeente weet dat hij drie maanden geleden zijn baan verloor en daar met niemand over praat. Of iemand weet dat hij ’s nachts wakker ligt met vragen over of dit alles ergens naartoe gaat. Of iemand hem ooit heeft gevraagd, niet in een kring en niet na een dienst, maar gewoon op een dinsdagavond, hoe het echt gaat.

Psalm 78 begint met een oproep die zo urgent is dat hij bijna schreeuwt: “Mijn volk, luister naar wat ik leer. Wij willen het onze kinderen niet onthouden, wij zullen aan het komend geslacht vertellen van de roemrijke, krachtige daden van de Heer” (Psalm 78:1,4).

Vertellen. Niet opleggen. Niet afdwingen. Niet vastleggen in een protocol. Vertellen, met je mond, met je leven, met je littekens. Je vertelt niet op afstand. Je vertelt niet via een beamer. Je vertelt aan de keukentafel, op de rand van het bed, tijdens een wandeling, in een auto op weg naar huis.

Dat is precies wat deze generatie mist. Niet de theologie, die kunnen ze googelen. Niet de liederen, die staan op Spotify. Niet de structuur, die hebben ze genoeg van. Wat ze missen is iemand die zegt: dit is wat God in mijn leven heeft gedaan. Dit is waar ik faalde. Dit is waar Hij mij vond. En ik vertel het je niet omdat ik het antwoord heb, maar omdat het verhaal te groot is om voor mezelf te houden.

Museum of kampvuur

Er zijn twee manieren waarop een kerk kan omgaan met haar traditie.

Ze kan er een museum van maken. Alles bewaren, beschermen, achter glas zetten. De liturgie onveranderd. De taal onveranderd. En dan verbaasd zijn dat jongeren erdoorheen lopen als toeristen. Beleefd, even kijkend, en dan weer door.

Of ze kan er een kampvuur van maken. Het vuur van de traditie niet bewaren achter glas, maar aansteken in het midden. En mensen eromheen laten zitten. Dichtbij genoeg om de warmte te voelen. Dichtbij genoeg om elkaars gezichten te zien in het licht. Dichtbij genoeg om verhalen te vertellen.

Een kampvuur is niet netjes. Het rookt. Er vallen vonken op je kleding. Maar het is levend. En het trekt mensen aan die in de kou staan. Niet door een programma. Niet door een flyer. Door warmte.

Wat we niet durven zeggen

Er is iets wat bijna nooit wordt uitgesproken in kerkelijke kringen, en het is dit. Een deel van de kerkverlating is een oordeel. Niet over de vertrekkers. Over ons.

Niet alle kerkverlating is afval. Sommige jongeren vertrekken niet bij God. Ze vertrekken bij een cultuur die Zijn naam draagt maar Zijn hart niet weerspiegelt. Ze vertrekken bij een systeem dat hen beoordeelde op aanwezigheid in plaats van op toewijding. Ze vertrekken bij een gemeenschap die hun twijfel een bedreiging vond en hun vragen een probleem.

Dat betekent niet dat de kerk overbodig is. De gemeente is geen optie, ze is een opdracht. Het lichaam van Christus is geen metafoor voor het individu dat thuis zijn eigen geloof vormgeeft. We hebben de prediking nodig, het sacrament, de correctie, de troost, het gezamenlijke gebed. Geloof dat alleen geleefd wordt, verschraalt. Altijd.

Maar de kerk die zichzelf niet durft te bevragen op waarom mensen vertrekken, verschraalt ook. En de kerk die alleen maar de vertrekkers veroordeelt, leest de Bijbel selectief. Want Jezus werd verontwaardigd over zijn eigen leerlingen toen zij kinderen bij Hem vandaan hielden (Markus 10:14). Niet over de kinderen. Over de leerlingen. Over hun misplaatste gevoel van orde. Over hun zekerheid dat dit nu niet het moment was.

De vraag voor elke gemeente is niet in de eerste plaats waarom de jongeren weggaan. De vraag is of wijzelf, zonder het te willen, hekken hebben gezet waar Jezus deuren opende.

De terugkeerders

En dan is er nog iets dat niet past in het verhaal van verval. Er zijn jongeren die terugkomen. Niet naar dezelfde kerk. Niet met dezelfde zekerheid. Maar er zijn twintigers en dertigers die na jaren van afwezigheid opnieuw iets zoeken dat groter is dan zijzelf. Die het materialisme van hun generatie hebben geproefd en het hol vonden. Die de vrijheid hebben ervaren en ontdekten dat vrijheid zonder richting net zo beklemmend is als de regels waarvan ze wegliepen.

Dat verlangen is echt. En het is een open deur. Niet om jongeren te lokken met een belofte van innerlijke vrede. Want als de kerk alleen rust biedt, wordt ze een wellnesscentrum met een kruis aan de muur. Dit is om eerlijk te zijn over wat geloof werkelijk is. Een weg die soms vrede brengt en soms het tegenovergestelde, maar die altijd ergens naartoe gaat. Naar Iemand toe.

De terugkeerders komen niet binnen omdat we een betere flyer hebben gemaakt. Ze komen binnen omdat iemand, ergens, echt was. Omdat iemand hun vraag niet beantwoordde met een cliché. Omdat iemand durfde te zwijgen. Omdat iemand durfde te huilen. Omdat iemand zei: ik weet het niet, maar ik blijf geloven, en ik wil dat je erbij bent.

Geen stappenplan

De verleiding is om te eindigen met een lijstje. Vijf stappen naar een jeugdvriendelijke gemeente. Maar dat is precies het denken dat ons hier gebracht heeft.

Dit vraagt geen methode. Dit vraagt een bekering. Niet van de jongeren. Van de kerk. Van controle naar vertrouwen. Van programma naar relatie. Van antwoorden naar aanwezigheid. Van het goede plaatje naar het eerlijke gezicht.

Misschien is het grootste wat de kerk kan doen voor deze generatie iets wat geen geld kost, geen commissie vereist en geen beleidsnota.

Bidden. Niet als agendapunt. Niet als afsluiting van een vergadering. Maar bidden zoals een vader bidt voor een kind dat niet thuiskomt. Ontwricht. Wanhopig. Met de woorden op.

Bidden voor die jongen in het café. Voor het meisje dat zondag werkt en zegt dat het niet anders kan, maar eigenlijk allang niet meer weet of ze zou gaan als ze vrij was. Voor de twintiger die nog wel komt maar al jaren hetzelfde voelt: dat ze erbij hoort, maar er niet bij hoort.

En daarna de telefoon pakken. Niet om ze uit te nodigen voor iets. Om te vragen hoe het echt gaat. Zonder plan. Zonder agenda. Zonder die stiekeme hoop dat ze volgende week weer op hun oude bankje zitten.

God heeft beloofd dat wie Hem zoekt met heel zijn hart, Hem zal vinden (Jeremia 29:13). Hij heeft nooit beloofd dat de kerk die zoektocht makkelijk zou maken.

Soms is de grootste belemmering voor deze generatie om God te vinden niet de wereld.

Soms zijn wij het.

En de dag waarop we dat durven toegeven, is de dag waarop de jongen in het café misschien, heel misschien, zijn flat white laat staan. Niet omdat wij hem hebben overtuigd. Omdat iemand hem eindelijk echt heeft gezien.

“Wij willen het onze kinderen niet onthouden.” (Psalm 78:4)

Niet onthouden. Niet door te zwijgen. Niet door te dwingen. Door te vertellen. Met open handen en eerlijke ogen. Over een God die groter is dan onze structuren. En dichterbij dan onze angst.

Blijf op de hoogte 📖
Nieuwe blogs direct in je inbox.

Meld je aan en ontvang iedere zaterdagmorgen een e-mail met een overzicht van de nieuwe blogs op Woord & Geest.

We sturen alleen een mail bij een nieuw artikel. Geen spam. Lees ons privacybeleid voor meer info.