Dit is deel 2 en tevens het laatste artikel in onze serie over de crisis in de Vrije Baptistengemeente Bethel in Drachten. Deel 1 lees je hier. Waar het eerste deel de crisis reconstrueerde, kijkt dit artikel verder: naar wortels die dieper gaan dan 2016, naar de weg die de gemeente nu inslaat, en naar de roeping die Bethel zelf misschien nog niet helemaal ziet. Het lezen van dit artikel kost ongeveer 20 minuten.

Er is een moment waarop een zaal stil wordt. Niet omdat het ongemakkelijk is. Maar omdat iemand precies de vraag stelt die al weken in de lucht hangt en die niemand durft uit te spreken.

Op 23 maart 2026 stond een man op in de Voorhof van Bethel. Bijna vijftig jaar lid van deze gemeente. Hij had die avond al gesproken over 1987, toen er nog maar zestig leden waren en het ernaar uitzag dat de gemeente zou ophouden te bestaan. “We zijn op de knieën gegaan,” had hij gezegd. “Het hele jaar door. Het ging er niet meer om of ik gelijk had. Het ging om Jezus verheerlijken met elkaar.”

Later die avond pakte een andere broer de microfoon, ook al vele jaren lid. En hij stelde de vraag.

“Wat zegt de Heer op dit moment aan de raad, als jullie luisteren naar Zijn stem? Wat zegt Hij over de gemeente? Want Hij is het hoofd. Wij zouden het moeten weten.”

Het bestuur antwoordde eerlijk. “Dat is een hele goede vraag. Wij strekken ons daarnaar uit.”

Maar de broeder liet het niet los. “Hoe kan het bestaan dat wij dat niet weten? Hij is het hoofd.”

Die woorden bleven hangen in de zaal. Ze hangen er nog.

Een woord vooraf

Sinds de publicatie van deel 1 ontvingen wij meer dan honderd reacties. Dankbare mails, kritische mails, lange mails, boze mails, hartverscheurende mails. Mensen die schreven dat ze eindelijk iets lazen wat eerlijk voelde. En mensen die vonden dat wij zelf onderdeel aan het worden waren van het probleem dat we beschrijven.

Wij hebben van al die reacties geleerd. Waar nodig hebben we deel 1 aangepast. En wij hebben, zoals we in ons eigen artikel over het vonnis dat al gevallen was schreven, geprobeerd om niet zelf het mechanisme te worden dat we beschrijven: de kerk van Jezus Christus opsplitsen in kampen, waarheid reduceren tot partijdigheid, pijn bewaren als munitie.

Dit artikel is daarom tegelijk een verdieping en een afsluiting. Het laatste woord is niet aan ons. Het is aan de gemeente Bethel, aan haar leiders, aan haar leden, en bovenal aan de God die Zich met Zijn gemeente bemoeit op manieren die ons begrip te boven gaan.

Voor wie deel 1 niet las, kort samengevat: begin 2025 meldde voorganger Jacob Folkerts zich ziek, en in de maanden daarna voltrok zich een breuk tussen hem en het Bestuurscollege van Oudsten (BvO). Vijftien pastorale oudsten vertrokken met Jacob mee. Het ontslag van een manager in die periode werd achteraf door het BvO zelf benoemd als een cruciaal moment waarop zij te lang hadden gewacht met ingrijpen. In maart 2026 kwam de gemeente voor het eerst weer samen om over de crisis te spreken.

Dieper dan 2016: de structuur die brak

In deel 1 beschreven we hoe het conflict wortelde in een verschil in leiderschapsvisie dat groeide na de komst van Jacob Folkerts in 2016. Dat klopt. Maar het is niet het hele verhaal.

Na de publicatie van deel 1 ontvingen wij informatie die wezenlijk ander licht werpt op de structurele kwetsbaarheid van Bethel. Informatie uit de jaren 2014-2015, de nadagen van het voorgangerschap van Orlando Bottenbley.

In die periode werd een werkgroep van acht oudsten uit drie colleges gevraagd na te denken over de toekomst van het leiderschap. Het advies was helder en unaniem: Bethel had meervoudig geestelijk leiderschap nodig. Niet een voorganger die alles draagt, maar een team dat samen de koers bepaalt.

Dat advies werd terzijde geschoven. De opvolgingsdiscussie werd overgenomen door het managementteam. De drie colleges werden samengevoegd tot het huidige Bestuurscollege van Oudsten. Het werkgroepverslag verdween in een la. De statuten die vervolgens werden opgesteld, gingen uit van een structuur waarin de voorganger een centrale rol speelde, maar zonder de ingebouwde correctiemechanismen die een gemeente van die omvang nodig had.

Jacob Folkerts erfde dat systeem. Hij is tot geloof gekomen, gedoopt en opgegroeid in dezelfde gemeente waar de voorganger altijd het gezagspunt was. Een van onze lezers, nauw betrokken in die jaren, schreef het treffend: “Jacob nam deze denkwijze logischerwijs over.” Niet uit machtshonger. Maar omdat het de enige vorm van leiderschap was die hij kende. Het water waarin je zwemt, herken je niet als water.

Eerdere lezers wezen er terecht op dat ook onder het vorige leiderschap de ruimte voor tegenspraak beperkt was. Anderen schreven juist dat zij onder datzelfde leiderschap tot bloei waren gekomen. Beide ervaringen bestaan naast elkaar. Een leider kan tegelijkertijd zegenrijk zijn en een structuur achterlaten die de volgende in de problemen brengt.

En dan is er de vraag die een lid dat al tientallen jaren betrokken is, over die periode opwierp: “Ik zag het soms als een cruiseschip met alles aan boord wat de gasten wilden.” Seeker-friendly diensten naar het model van Willow Creek. Rick Warrens “Doelgericht Leven.” Bolderdiensten met onbekeerde vip’s op het podium. Methoden ontleend aan Amerikaanse megakerken. Maar is het niet God die Zijn gemeente bouwt?

Die vraag is geen retorische vraag. Het is de kernvraag van dit hele verhaal.

Wees klaar, de Koning komt

Om eerlijk te zijn over de koers die onder Jacob werd gevaren, moeten we concreet worden. Want de theologie van een voorganger is niet abstract. Ze drukt stempel op een gemeente.

Naast zijn werk als voorganger verzorgde Jacob Folkerts recentelijk een serie thema-avonden: tien avonden over de eindtijd en de wederkomst van Christus, onder de titel “Wees klaar, de Koning komt.” De eerste in november 2023. De laatste op 30 maart 2025, enkele weken voordat hij zich ziekmeldde.

Wij hebben alle avonden destijds bezocht en recent teruggekeken. Elke avond duurt ruim anderhalf uur. Jacob spreekt uitvoerig, met veel Bijbelteksten, met persoonlijke voorbeelden, met warmte voor zijn gehoor, met gebed, soms met tranen. Wie deze avonden tot een karikatuur wil maken, doet hem geen recht. Maar wie ze eerlijk naast elkaar legt, ziet ook iets anders: een theologie die steeds stelliger wordt, steeds smaller, steeds meer gericht op het trekken van scherpe lijnen.

Een paar voorbeelden, omdat ze er werkelijk toe doen.

Op avond vier, getiteld “En ineens zijn wij weg,” behandelt Jacob de opname. Hij presenteert de leer van de opname voorafgaand aan een zevenjarige verdrukking als een vaststaand Bijbels gegeven. Er is in zijn betoog geen ruimte voor het feit dat christenen al tweeduizend jaar over deze passages discussiëren, en dat de pre-tribulationele opnameleer een relatief moderne uitleg is die de meeste wereldkerken niet delen. Dat hoeft op zichzelf niet voor elke prediker een probleem te zijn. Maar de stelligheid waarmee het als enige waarheid wordt gepresenteerd, past moeilijk bij een gemeente met de brede kerkelijke samenstelling van Bethel.

Op avond zeven gaat Jacob een stap verder. Hij spreekt over het demonische karakter van de tijd. New Age, occulte praktijken, Halloween voor kinderen. Maar ook, en daar wordt het heikeler, het onderwijs op scholen waar kinderen wordt geleerd na te denken over hun genderidentiteit. Jacob zegt letterlijk dat dit demonisch is. Niet “verwarrend,” niet “in strijd met Gods scheppingsorde,” maar demonisch.

Hij noemt vervolgens de naderende synode van de Nederlandse Gereformeerde Kerken, waar gesproken wordt over openstelling van ambten en avondmaal voor mensen in homoseksuele relaties. Hij vertelt over een bevriende theoloog in het betreffende deputaatschap, en hij spreekt over de NGK als een kerk waar “het woord aan de kant wordt geschoven” en die daardoor “sterft.” Hij zegt het uit zorg te doen, niet uit oordeel. Maar de zorg is onmiskenbaar een oordeel.

In diezelfde avond komt Jacob bij 1 Korinthe 5, de passage waarin Paulus de gemeente van Korinthe opdraagt om iemand die in seksuele zonde leeft, uit het midden te verwijderen. Jacob past dit rechtstreeks toe op de gemeente van vandaag. Als mensen zich een broer of zus noemen maar in zonde volharden, zegt hij, en de gemeente zegt er niets van, dan moet er op enig moment gezegd worden: hier niet. De bereidheid om mensen uit de gemeenschap te verwijderen is voor hem geen wreedheid maar liefde, omdat het tot hun redding zou strekken. Theologisch is daar een lange traditie voor. Praktisch is het een uiterst precair instrument dat door de eeuwen heen evenveel goed als kwaad heeft gedaan.

Op avond tien, de laatste, behandelt Jacob het eindoordeel. Aan het slot bespreekt hij Markus 9:42: “Wie een van deze kleinen die in Mij geloven ten val brengt, het zou beter voor hem geweest zijn dat een molensteen aan zijn hals was gehangen en hij in de zee was geworpen.” Jacob legt deze tekst uit als een waarschuwing aan leraren die ketterij verkondigen. En hij noemt direct een voorbeeld: een recent boek van een bekende Nederlandse theoloog die pleit voor een hoopvollere kijk op het eindoordeel. Jacob noemt hem niet bij naam, maar voor wie het boek kent is duidelijk wie bedoeld wordt. En via de Markus-tekst plaatst Jacob de schrijver in de buurt van de molensteen.

Aansluitend stelt Jacob zichzelf de retorische vraag: “Jacob, is dat niet een beetje scherp?” En hij beantwoordt haar: “Dit zijn de woorden van de Here Jezus. En Hij is scherp.”

Dat is het moment waarop een bezoeker van die avond ons later mailde. Zij schreef: “Bekijk ik de dingen nu te zwaar, of is dit toch wel heel erg veroordelend naar een schrijver toe? Beter af met een molensteen enzovoort. Ik vind het nogal wat.”

Wij delen die zorg. En we willen precies zijn in waar die zorg over gaat. Ze gaat er niet over dat een voorganger scherpe dingen mag zeggen. Dat mag. Ze gaat er niet over dat theologische dwaling ongenoemd moet blijven. Ze gaat erover dat een prediker die een gerespecteerde medechristen in de preekstoel plaatst bij de categorie “mensen voor wie het beter was geweest met een molensteen om hun nek in zee te liggen,” de grenzen van pastorale verantwoording voorbij is gegaan. En dat de retorische zelfcontrole (“is dat niet een beetje scherp?”), gevolgd door onmiddellijke zelfbevestiging (“deze woorden zijn van de Here Jezus”), een patroon laat zien: de mogelijkheid om terug te deinzen wordt geopend en meteen weer gesloten, binnen dezelfde ademtocht.

Wij willen eerlijk zijn over wat dit betekent. Jacob is geen man zonder zelfreflectie. Op diezelfde zevende avond bidt hij, vlak voordat hij zijn scherpste passages uitspreekt, letterlijk: “Bid voor de dienaren van de Heer die door Hem aangesteld zijn om Zijn woord te verkondigen, om Zijn naam niet te verloochenen, om geen eigen denkbeelden uit te dragen uit angst om mensen kwijt te raken.” En hij voegt eraan toe, bijna terloops: “Ik schrik ook van wat ik zeg.”

Dat is geen pose. Dat is iemand die worstelt met zijn roeping zoals hij die begrijpt: trouw aan het Woord, ook als die trouw hard klinkt. Wij geloven dat hij werkelijk overtuigd was namens God te spreken. En precies daarom is de scherpte niet te verklaren als gedachteloosheid of machtsmisbruik. Het is een overtuiging. Een diep gevoelde overtuiging dat de kerk in een eindtijd leeft waarin zuiverheid belangrijker is dan samenhang.

Wij delen die overtuiging niet. Wij geloven dat zuiverheid en samenhang in Christus niet tegenover elkaar staan, en dat een prediker die consequent de scherpte verkiest boven de omarming, op den duur een gemeente overhoudt waarin alleen nog de overtuigden zich thuis voelen. Maar wij delen ook niet de tegenovergestelde lezing: die van Jacob als machtswellusteling, als manipulator, als iemand die bewust mensen beschadigt. Dat beeld klopt niet met wat de avonden laten zien.

Wat de avonden laten zien is een voorganger die de gemeente die hij voor zich zag, een andere gemeente was dan de gemeente die er werkelijk was. Hij zag een gemeente die gezuiverd moest worden. De gemeente zag zichzelf als een plek waar mensen worden gevoed die net zijn binnengekomen. Dat verschil is niet met een bemiddelingstraject te overbruggen.

Melk en vast voedsel

Als je alle verhaallijnen naast elkaar legt – de mislukte structuurhervorming van 2014-2015, de erfenis van een leiderschapsmodel waarbij de voorganger altijd het laatste woord had, de eindtijdreeks die de koers aanscherpte, de groeiende kloof met staf en jongeren – dan zie je dat het verschil tussen Jacob en Bethel bijbels herkenbaar is. Zo oud als het Nieuwe Testament zelf.

Jacob wilde de gemeente vast voedsel geven. Trouw aan Gods Woord, diep onderwijs, een gemeente die geestelijk volwassen wordt. Discipelen maken, in de volle betekenis van dat woord. Dat is een eerbaar verlangen.

Maar Bethel is altijd iets anders geweest. Bethel geeft melk aan pasgeborenen. Bethel brengt mensen laagdrempelig bij het kruis van Jezus. Discipelen maken doe je daar niet alleen in de eredienst. Dat gebeurt in de kringen, in de huisbezoeken, in het leven van alledag. De eredienst is de plek waar de onbekeerde buurman moet kunnen binnenlopen zonder het gevoel dat hij in een examen terechtkomt.

In Hebreeën 5 schrijft de auteur over precies deze spanning: “Want hoewel u, gelet op de tijd, leraars behoorde te zijn, hebt u weer nodig dat men u de eerste beginselen van de woorden van God leert. U bent geworden als zij die melk nodig hebben en niet vast voedsel.” De auteur beschrijft geen conflict. Hij beschrijft een groeiproces. Melk is voor het begin. Vast voedsel is voor de volwassenheid. Beide zijn nodig. Maar niet op hetzelfde moment, en niet altijd op dezelfde plek.

En misschien is dit dus wel wat er moest gebeuren. Niet in de zin dat wij het wensten, want dat doen wij niet. Niet in de zin dat iemand het zo heeft gewild, want niemand wilde dit. Maar in de zin dat twee verschillende roepingen die in een persoon en in een gemeente niet langer samen konden optrekken, hun eigen weg vonden. Pijnlijk. Onvolkomen. Met veel beschadigingen onderweg. Maar misschien toch: wat moest gebeuren.

Handelingen 8 vertelt hoe de eerste gemeente in Jeruzalem werd verstrooid door vervolging. Het leek een ramp. Maar overal waar de gelovigen kwamen, verkondigden ze het evangelie. De verstrooiing werd de grootste zendingsmissie die de vroege kerk kende. De kerk van Antiochië, vanwaar Paulus en Barnabas werden uitgezonden, ontstond uit diezelfde verstrooiing. Wat eruitzag als verwoesting, bleek verspreiding.

Dat is geen legitimatie van wat er in Drachten is gebeurd. Het is geen excuus voor beschadigingen, onzorgvuldigheid, pijn. Maar het is een perspectief dat voorbij onze menselijke plannen reikt. En het is precies het perspectief dat de broeder in de zaal miste toen hij vroeg: “Wat zegt de Heer?”

Misschien zegt de Heer niet: het bestuur had gelijk. En misschien zegt Hij niet: Jacob had gelijk. Misschien zegt Hij: Ik bouw Mijn gemeente. En Mijn wegen zijn hoger dan de jouwe.

Moedermelk

Kijk eens naar wat er uit Bethel is voortgekomen.

Mozaiek0512 en God’s Foundation, gemeentes die ontstonden toen leden zich niet meer herkenden in de richting die werd ingeslagen. De Stadskerk in Groningen, later ook in onder andere Leeuwarden en Emmen, vrijer in vorm en laagdrempeliger. Come Alive Church onder leiding van Jannie Kloosterman, sterk profetisch-charismatisch van karakter. En nu Kijk Omhoog, met Jacob Folkerts als voorganger, waar op de eerste zondag negenhonderd bezoekers kwamen. Vrijwel alle vijftien vertrokken pastorale oudsten zijn met Jacob meegegaan. Ook zij lijken op weg naar het opzetten van een eigen gemeente.

Verschillende richtingen. Verschillende accenten. Maar allemaal gevoed vanuit dezelfde bron.

Bethel heeft moedermelk gegeven. Decennialang de plek van eerste voeding. De gemeente waar mensen tot geloof kwamen. Waar verslaafden vrij werden. Waar huwelijken werden gered. Waar kinderen opgroeiden met het evangelie. Waar het zo toegankelijk was dat je buurman gewoon mee kon.

Maar het zou onrecht doen aan Bethel om haar daartoe te beperken. In Bethel komen mensen tot diepe, volwassen geloofsvorming. Er wordt gepreekt vanuit de grondtekst als het nodig is. Er worden studiekringen gehouden waarin weerbarstige teksten niet worden gemeden. Er zitten theologen, academici, ondernemers en ouderen met decennia aan geestelijk leven in de zaal, die week in week uit worden gevoed. Niet met een verdund evangelie. Met het hele evangelie, in de toonzetting die bij Bethel past: warm, toegankelijk, geworteld, maar niet oppervlakkig.

De balans van Bethel is haar kracht. Het is een plek waar de kleuter uit groep 2 de basisboodschap van Jezus hoort, en waar de oudere broeder op de derde rij een preek hoort die hem na vijftig jaar trouw nog altijd aan het denken zet. Dat is geen gemakkelijke kunst. Het is makkelijker om één soort voeding aan te bieden dan twee tegelijk. Bethel beheerst die kunst in de kern.

Wie blijft, doet dat niet omdat hij genoegen neemt met minder. Hij kiest bewust voor een gemeente waarin het evangelie voor iedereen toegankelijk blijft, precies omdat hij begrijpt hoe zeldzaam en kostbaar dat is. De tiener naast de tachtigjarige. De net bekeerde naast een pastoraal oudstenechtpaar. De academicus naast de man die moeilijk kan lezen maar elke zondag komt omdat hij nergens anders zo thuis is.

Dat is niet de tweede prijs. Dat is de roeping zelf.

En mensen die uitgroeiden in een bepaalde richting, gingen. Niet altijd in vrede. Soms met pijn, soms met woede, soms met een opzeggingsbrief die de bitterheid van jaren in zich droeg. Maar ze gingen, en ze bouwden iets eigens. En dat is niet tragisch. Dat is de dynamiek van het Koninkrijk.

De excessen zitten in de uiteinden

Het bestuur presenteerde op de gemeentevergadering een theologisch koersmodel: een lijn met aan de ene kant het wettische uiteinde, aan de andere kant het charismatische uiteinde. Bethel positioneert zichzelf in het brede midden: geworteld in het Woord, open voor de Geest.

Het is de positionering die wij als Woord & Geest ook nastreven. Het is de plek waar het evangelie het rijkst is: niet eenzijdig Woord zonder Geest, niet eenzijdig Geest zonder Woord, maar de spanning waarin beide samenkomen. Paulus schrijft het in 1 Tessalonicenzen 5 en wij noemen het vaak in onze blogs: “Blust de Geest niet uit. Toets alles, en behoud het goede.”

De afsplitsingen bevinden zich logischerwijs aan de uiteinden. Kijk Omhoog zit dicht bij de positie waar Jacob de gemeente naartoe bewoog: sterke nadruk op Bijbelgetrouwe verkondiging en zuiverheid. Dat is niet verkeerd. Maar het draagt het risico dat zuiverheid omslaat in controle, en waakzaamheid in wantrouwen. De Stadskerk beweegt de andere kant op: meer ruimte, meer vrijheid, minder structuur. Come Alive Church en God’s Foundation bevinden zich meer richting het charismatische uiteinde: sterk gericht op de directe werking van de Geest, op profetie, op ervaring. Elk accent heeft zijn eigen gaven, en elk heeft zijn eigen risico’s.

Bethel, op haar best, hield beide uiteinden bij elkaar. Niet als compromis, maar als gezonde spanning. Dat is de balans die nu hersteld moet worden. En dat herstel is al begonnen.

Rouwen en bouwen tegelijk

Er is een beeld dat blijft hangen als je de recente berichten leest uit de wekelijkse gemeentecommunicatie. Het is niet het beeld van een gemeente die aan het doodbloeden is. Het is het beeld van een gemeente die rouwt en tegelijk bouwt.

Op 22 maart ging David Lodder voor in de ochtenddiensten en in Radical, de jongerendienst. Een week later Bjorn Visser. Met Pasen Ludy, die sprak over Jesaja 53. De zondag daarna Gerrit Lolkema over Filippenzen 2, over elkaar verdragen. Er zijn bidstonden op maandagavond, dinsdagavond, woensdagochtend, donderdagavond. Een “Huiskamer” geopend op donderdagochtend voor wie behoefte heeft aan koffie en een goed gesprek. Een “Binnenkamer” als gebedsruimte midden in de week. De “Care Corner” deelt onverminderd twee keer per week kleding uit aan mensen die het minder hebben. De voedselbankinzamelingen worden gehouden. Het interkerkelijke tienerevenement Square, met als organisator Bethel, begint bijna. Een opdraagdienst op 7 juni, een doopdienst op 14 juni. Bijna vijftig nieuwe vrijwilligers opgestaan na een enkele oproep. Een broer in de gevangenis ontving na een oproep meer dan tachtig kaarten. Nieuwe medewerkers treden aan.

Een zin uit een recente bestuursupdate vat het samen: “Ondanks dat we als gemeente door een periode van rouw gaan, mogen we ook bouwen.” Dat is geen slogan. Dat is de werkelijkheid. Pijn en hoop in hetzelfde weekend. Lege stoelen en nieuwe aanmeldingen in dezelfde zaal.

En dan is er wat misschien wel de meest profetische stem van die avond was op 23 maart. Niet de stem van een bestuurder. Niet de stem van een ouderling. Maar de stem van een broer van negentien jaar, die de vorige vergadering in tranen had meegemaakt, en die nu stond en zei:

“Stoppen met het hebben over de lege stoelen. Dat zijn plekken voor nieuwe mensen. Deze kerk gaat weer gevuld worden.”

Als iemand het recht heeft om dat te zeggen, is het wie tot een generatie behoort die de komende decennia in die stoelen gaat zitten.

De roeping

De Bethel in Drachten heeft, wat ons betreft, een heldere roeping. En die roeping is misschien eenvoudiger dan alle leiderschapsmodellen en cultuuranalyses die erop geplakt kunnen worden.

Bethel is de plek waar het evangelie wordt verkondigd aan iedereen die het wil horen. Niet aan een bepaalde theologische stroming. Niet aan mensen die eerst de juiste leer moeten onderschrijven. Maar aan iedereen. De drempel is laag omdat de boodschap hoog is, en de boodschap laat zich niet inperken door menselijke voorkeuren.

Programma’s voor alle leeftijden. Stabiel kinderwerk, ook in tijden van vrijwilligerskrapte. Tienerwerk en jongerenwerk. Een speciaal programma voor kinderen uit groep acht en hun ouders om hen voor te bereiden op de tienertijd. Een zogeheten Diamantengroep voor mensen met een beperking. Een actieve groep die zich bezighoudt met asielzoekers, vluchtelingen, minderbedeelden. De Jeugd van Vroeger voor de oudere garde. Bidstonden voor wie de rust zoekt. Huiskringen door heel de regio, waar discipelschap werkelijk vorm krijgt. Doopdiensten. Opdraagdiensten.

Er zullen, zolang Bethel bestaat, kleine groepjes mensen afsplitsen die het net even anders willen. Die ergens anders een zelfde soort gemeente willen starten. Dat is niet het teken dat Bethel faalt. Dat is het teken dat Bethel leeft. Een moeder die kinderen voortbrengt die ooit het huis verlaten om hun eigen huis te bouwen, is niet mislukt. Ze heeft haar werk gedaan.

Een laatste woord over onszelf

Wie over een kerkelijk conflict schrijft, loopt een voortdurend risico. Het risico dat je, terwijl je het mechanisme beschrijft, zelf onderdeel wordt van het mechanisme. Dat je uit oprechtheid schrijft, maar met partijdigheid. Dat je de conflicten door hernieuwd schrijven blijft oprakelen, waardoor de pijn blijft en het bouwen in gevaar komt.

Wij schrijven vanuit eigen betrokkenheid. Een aantal van ons is lid van of lid geweest van Bethel. Wij hebben de afgelopen maanden van nabij meegemaakt, meegeleden, meegebeden. Dat maakt ons geen neutrale waarnemers. Maar het betekent ook dat we ons voortdurend moeten afvragen of wat wij schrijven helend werkt of nieuwe wonden slaat.

Daarom stoppen wij, na dit artikel, met schrijven over dit onderwerp. Niet omdat er niets meer te zeggen is. Maar omdat het uur van de schrijvers voorbij is en het uur van de gemeente is aangebroken.

De Vredestichters werken aan hun cultuuranalyse. Eind april en half mei zijn er inloopavonden. In juni is er opnieuw een gemeentevergadering. Daarna begint het echte herstelwerk, dat een heel seizoen zal duren. Dat werk gaat door met of zonder onze commentaren. En wij geloven dat het werk beter gaat zonder.

Verder

De crisis is voorbij. Dat klinkt misschien te stellig, want de pijn is lang niet weg en het herstel is nauwelijks begonnen. Maar de acute fase is afgesloten. Folkerts heeft zijn weg gevonden bij Kijk Omhoog. Het bestuur heeft fouten erkend en een herstelproces ingezet. De Vredestichters zijn aan het werk. De gemeente rouwt, bouwt, bidt, zingt, laat dopen, viert Pasen, draagt kinderen op. Het leven gaat door.

Er zal veel gepraat worden de komende maanden. Er zullen keuzes worden gemaakt over nieuwe leiders, over structuren, over hoe Woord en Geest samen de ruimte krijgen. Eén van de bestuursleden heeft tijdens de gemeentevergadering zelf hardop uitgesproken dat het mogelijk is dat het huidige bestuur voor het einde van het jaar niet meer in functie zal zijn. Dat is een stap die wijsheid vergt en rust nodig heeft, en wij bidden voor beide.

Maar onder al dat praten en kiezen ligt een roeping die niet van mensen afhangt: de roeping om moedermelk te zijn in een wereld die honger heeft naar het evangelie.

Bethel heeft dat al eens gedaan. In 1987 waren er zestig leden over en leek alles verloren. En God bouwde een gemeente van duizenden.

Wie zegt dat Hij dat niet opnieuw kan doen?

Het slotlied van de gemeentevergadering van 23 maart was een gebed dat tegelijk een belofte is. De gemeente zong het samen:

“Bouw ruïnes op, herstel uw kerk. Heer, kom, stort uw Geest op ons. Blaas ons nieuw leven in.”

Dat is geen sentimenteel slot. Dat is een schreeuw naar God. En de God van Bethel, de God die Zijn naam heeft verbonden aan een huis dat “huis van God” betekent, hoort het.

En wij? Wij stappen terug. We hebben gezegd wat we konden zeggen. Het laatste woord is niet aan ons.

Het is aan Hem.

„Het geknakte riet zal Hij niet breken, de kwijnende vlaspit zal Hij niet doven.” -Jesaja 42:3

Heb je een reactie op dit artikel? Mail ons via info@woordengeest.nl. We lezen alles. Maar dit is ons laatste artikel in de Bethel-serie. Voor vervolgberichten over het herstelproces verwijzen we graag naar de eigen communicatie van de gemeente.

Blijf op de hoogte 📖
Nieuwe blogs direct in je inbox.

Meld je aan en ontvang iedere zaterdagmorgen een e-mail met een overzicht van de nieuwe blogs op Woord & Geest.

We sturen alleen een mail bij een nieuw artikel. Geen spam. Lees ons privacybeleid voor meer info.