Over een Visser die geduldig is, en de lijnen die soms scheuren
Er zit iets geks in de manier waarop Jezus mensen vangt.
Een gewone visser gooit zijn hengel uit voor snel resultaat. Strakke lijn, krachtig binnenhalen, vis eruit, klaar. Maar bij Jezus werkt het anders. Hij gooit zijn hengel uit, en dan wacht Hij. Soms een week. Soms dertig jaar. Soms tot het ziekenhuisbed.
En dan, op het moment dat niemand het meer verwacht, komt dat woord terug dat iemand tegen je zei toen je acht was. Dat liedje uit de kindernevendienst. Die zin die je oma prevelde als ze het even niet meer wist.
BEET.
Het plakt
Dat is het geheim dat weinig mensen begrijpen. Als Jezus je ook maar één keer geraakt heeft, al was het op een zomerkamp waar je eigenlijk alleen voor de meisjes was gegaan, dan laat Hij je niet meer zomaar los. Er blijft iets hangen. Ergens diep in je hart, waar je zelf niet bij kan.
Ze geloven niet in niets
Mensen rennen weg van de kerk, maar dat betekent zelden dat ze in niets geloven. Dat is het misverstand dat veel christenen maken als ze naar de cijfers kijken. We zien een grafiek die daalt en denken: het is op, het geloof verdampt. Maar dat klopt niet. Wat verdampt is het vertrouwen in het instituut. De regels. De tradities die mensenhanden hebben gemaakt en daarna God hebben genoemd. De gemeentes waar ze zich geraakt voelden, niet door de Geest maar door een oudste met een agenda.
Wat overblijft is een mens met heimwee.
In 1899 noemde zich 2,3 procent van de Nederlanders onkerkelijk. In 2022 was dat 57 procent. Maar achter die 57 procent zitten niet alleen overtuigde atheïsten. Daar zitten ook mensen die zijn weggelopen vóór ze écht mochten kennismaken met Jezus. Ze zijn beschadigd door mensen die namens Hem spraken, maar niet namens Hem leefden.
En dus zoeken ze verder. Ademhalingsoefeningen in een loft in Amsterdam. Een goeroe met een online cursus. Kristallen op het nachtkastje. Een TikTok-therapeut die vertelt dat je innerlijke kind moet helen. Sommigen noemen zichzelf spiritueel en nemen Jezus mee als één van de stemmen, naast een boeddhistische leraar en een podcast over manifesteren. Niemand wordt buitengesloten, iedereen groeit op zijn eigen manier.
Maar onder die vrijheid zit een last die ze zelf vaak niet zien.
Want zonder Jezus als Verlosser wordt spiritualiteit een project. Een zelf-opgelegd cijfer dat nooit goed genoeg is. Elke dag een beetje bewuster, een beetje rustiger, een beetje liefdevoller. En als dat niet lukt, en dat lukt nooit helemaal, dan is er niemand die het tekort opvangt. Dan moet je het zelf nog eens proberen. Morgen beter. Volgende maand beter. Over tien jaar misschien verlicht.
Zo begint een zelfzoektocht die nooit klaar is. Want zonder genade die je om niet ontvangt, moet je het zelf oplossen. En dat lukt niet. Niemand heeft ooit zichzelf verlost van zichzelf.
Dat is precies de vermoeidheid waarvan Jezus zegt: Kom naar Mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal Ik jullie rust geven. Hij biedt iets wat geen enkele andere leraar aanbiedt. Niet een weg om zelf heiliger te worden, maar een Iemand die het al voor je gedaan heeft.
Wat er toch nog beweegt
Ondertussen gebeurt er iets onder de oppervlakte dat onderzoekers ook zijn gaan opmerken.
Wanneer je mensen confronteert met hun eindigheid, bijvoorbeeld door hen gericht te laten nadenken over hun eigen dood, dan schuiven gelovigen nog dieper hun eigen geloof in. Maar bij twijfelaars gebeurt iets anders. Het verzet verdampt. Ze worden opener. Niet alleen voor hun eigen achtergrond, maar voor het idee van een hogere macht in het algemeen. Alsof er ergens een slot openspringt dat ze zelf niet meer in de hand hebben.
Blijkbaar zat er al iets. Een herinnering. Een woord. Een lied.
Het moment zelf
Er komt een moment dat niet meer te ontwijken valt.
Je zit naast een bed. Er hangt een scherm aan de muur. De golfjes gaan op en neer, eerst nog met ritme, dan langzamer. En dan verandert de lijn. Hij wordt vlakker. De laatste adem is geen dramatische gebeurtenis zoals in de film. Het is een ontspanning. Een zachte uitademing die niet meer gevolgd wordt door een volgende. De kamer wordt stil. De hand wordt koud.
Op dat moment, of in de uren ervoor, gebeuren er dingen die niemand precies kan beschrijven.
Eerlijk gezegd, en ik zeg dit na gesprekken met mensen die het vaker hebben meegemaakt dan ik, lijkt er bij stervende christenen vaak een vorm van rust neer te dalen. Het is niet dat ze niet meer verdrietig zijn om wat ze achterlaten. Het afscheid van de geliefden hier beneden blijft pijnlijk. Maar daaronder zit iets anders. Een vertrouwen. Een overgave. Alsof het aardse voorzichtig wordt losgelaten en er ruimte ontstaat voor het hemelse. Een langzaam overstappen.
Bij mensen uit andere tradities zie je soms iets anders. Een drukte. Een vraag die niet tot rust komt: was het genoeg? Heb ik genoeg gedaan? Zijn de rituelen goed afgerond voor ik ga? Een laatste regel die nog afgevinkt moet worden om zeker te zijn.
Dat is het verschil dat je niet wegredeneert.
Het is volbracht aan de ene kant.
Ik moet het nog volbrengen aan de andere.
Maar niet iedereen keert terug
En toch. We moeten eerlijk zijn.
Er zijn mensen die sterven zonder Hem aan te roepen. Met geen woord, met geen gebed, met geen verzucht ‘als U bestaat’. Met een mond die dicht blijft en een hart dat gesloten blijft tot het stopt met kloppen. Filosofen die kalm en ongelovig stierven, met humor zelfs. Wetenschappers die nooit iets hebben teruggenomen van wat ze over God hadden gezegd. Bij elk van hen werd na hun dood beweerd dat er ‘iets van een bekering’ was geweest, en bij elk van hen hebben de nabestaanden die verhalen nuchter tegengesproken.
Die mensen bestaan. Wat dán?
Een begrafenis waar gehuild wordt om meer dan het afscheid
Soms zit je op een rouwdienst waar de pijn dubbel is.
Er zit familie. Er zit een echtgenote. Er zitten kinderen, al volwassen misschien, maar in die momenten weer vijf jaar oud. En er is één persoon in die zaal, of er zijn er meerdere, die geloven. Die in de Bijbel hebben gelezen dat er een scheiding is die niemand meer kan overbruggen. Die weten wat Jezus zelf heeft gezegd, en Jezus heeft in de evangeliën vaker over het oordeel gesproken dan over bijna welk ander onderwerp ook.
En dan sta je daar, met de wetenschap dat de kist vóór je niet alleen een afscheid tot aan de opstanding betekent. Dat is het besef dat je nauwelijks kunt dragen. Je houdt je staande tijdens de dienst, je schudt handen, je eet een broodje. En dan, in de auto op de terugweg, komt het. Je hoort jezelf huilen op een manier die niet bij een normaal afscheid past. Want een normaal afscheid bevat hoop, een wederzien, een ooit-weer. Dit afscheid bevat dat juist niet. En die leegte is ondraaglijk.
De preek die alles kapot maakt
En soms, bovenop die pijn, doet een voorganger iets waar je je als christen diep voor schaamt.
Hij staat daar, bij die kist. Hij kijkt naar de familie, de meesten kerkvreemd, de meesten daar juist omdát ze iemand verloren hebben waarvan ze niet weten hoe het nu verder gaat. En hij grijpt de kans om te preken. Niet om te troosten. Om te waarschuwen. De zondaars voor hem krijgen in tien minuten een portie dreiging over zich uitgestort die ze niet verwacht hadden. Over hel. Over verloren gaan. Over ‘bekeer u voor het te laat is’.
En je zit daar, en je schaamt je diep. Niet omdat wat gezegd wordt per se onbijbels is, maar omdat het op dat moment geen recht doet aan een liefdevol afscheid. Het duwt de halve kerk die daar zit, vaak voor het eerst in jaren, linea recta de deur uit. Terug naar dat is nu precies waarom ik niet meer ga.
Het evangelie is hard genoeg op zich. Het heeft geen preekstoel nodig die er een hamer van maakt op een moment dat mensen een hand nodig hebben.
Jezus huilde bij het graf van Lazarus vóór Hij hem opwekte. Hij preekte niet tegen de aanwezigen. Hij huilde. Als onze prediking bij een kist niet eerst huilen kan, dan moeten we ons afvragen of wij wel van dezelfde Heer komen.
Wat wij weten, en wat wij niet weten
De Bijbel is niet onduidelijk over het feit dat er een oordeel is. Dat er een scheiding is. Dat niet iedereen automatisch bij God eindigt. Wie dat wegpoetst, poetst te veel weg. Jezus zelf sprak over het smalle pad en de brede weg, over het onkruid dat gescheiden wordt van het koren, over de deur die gesloten wordt.
Maar de Bijbel is óók niet onduidelijk over de hartslag van God. Hij wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen. Dat staat er letterlijk. God is niet opgelucht als iemand Hem mist. Hij huilt erom.
Wat wij niet weten is wat er in de laatste momenten gebeurt tussen een mens en zijn Maker. Welke stille schreeuw er nog is. Welke beweging van het hart. Die arbeider uit Jezus’ gelijkenis die pas op het laatste uur kwam kreeg hetzelfde loon als de hele-dag-werker. De misdadiger aan het kruis naast Hem kreeg in één zin het paradijs toegezegd. God heeft ruimte voor het laatste moment. Wij mogen die ruimte niet afsluiten, al is het voor ons eigen verdriet.
En tegelijk mogen we niet zeggen dat iedereen uiteindelijk aankomt. Liefde die niet geweigerd kan worden is geen liefde, maar dwang. God heeft dat nooit gewild.
Hier worden veel christenen slordig. Sommigen zeggen ‘we geloven allemaal in dezelfde God, alleen met andere namen’. Dat klinkt prettig op een verjaardag. Maar het is niet wat Jezus zelf zei. Hij zei: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij. Dat is geen suggestie. Dat is een claim die je kunt verwerpen, maar niet kunt afzwakken zonder Hem tegen te spreken.
Als wij die zin verzachten, dan verzachten we óók de urgentie om iemand die wij liefhebben nog te vertellen wie Hij is.
En tegelijk. Wij zijn geen rechters. Wij kennen de harten van andere mensen niet. Of iemand die een leven lang Jezus niet bij naam noemt, Hem toch kent in die ene beweging van genade die alleen God ziet, dat is niet aan ons om te bepalen. Dat is Zijne.
Preek met hoe je leeft
Wat kun je dan doen, als je om iemand heen loopt die wegrent? Die verruilt? Die doof lijkt voor alles wat je zegt?
Bidden. Klinkt simpel, maar is dat niet. Augustinus heeft een moeder gehad die dertig jaar voor hem heeft gebeden. Hij werd later een van de grootste leraren van de christelijke traditie. God rekent in generaties, niet in weekendplannen.
Leven. En daar zit de kern. De echte preek ben je niet op een preekstoel. De echte preek ben je in hoe je reageert als je auto beschadigd is op de parkeerplaats. Hoe je over je ex praat als ze er niet bij is. Hoe je naar de kassamedewerker kijkt, of je echt luistert als iemand klaagt of alleen maar wacht tot je zelf kunt praten.
Dat is prediking. Niet de woorden die je uitspreekt op het moment dat je geacht wordt te getuigen, maar het leven dat je leidt als niemand oplet. Mensen prikken dwars door mooie woorden heen. Ze zien wel of er iets onder zit of niet.
Mensen die ons tegenkomen moeten denken: hier is iets wat ik niet heb. Rust in de drukte. Vergeving waar anderen wraak nemen. Aanwezigheid waar anderen hun telefoon pakken. Een nee die geen ruzie maakt en een ja waar ze op kunnen rekenen.
Dát is waar het vaker pakt dan bij welke preek dan ook.
Terug naar de Visser
Hij zit aan de oever. Zijn hengel is niet binnengehaald.
Je kunt de lijn niet voor iemand anders plaatsen. Hij plaatst zichzelf, in een zin van een kind, in een stervensmoment, in een onverwachte ontmoeting in een trein. Wij zijn niet het touw. Wij zijn niet het aas. We zijn hoogstens het kleine geluidje waardoor iemand opkijkt.
En soms houdt het touw. En soms scheurt het.
Dat laatste moeten we durven zien. Dat is de pijn van het evangelie, niet de kracht. De pijn dat liefde echt is, en dat echte liefde niet forceert. Dat een God die ons had kunnen dwingen ons juist niet wilde dwingen.
Wat we dan nog hebben is Zijn belofte. Dat Hij rechtvaardig is. Dat Hij vol ontferming is. Dat Hij bij het oordeel méér rekening houdt met omstandigheden, wonden en kansen dan wij zouden kunnen.
En voor de mensen om ons heen die nog ademhalen, nog wakker worden in de ochtend, nog kunnen horen: er is tijd.
Nu nog. Vandaag nog.
Niet uit angst, maar uit liefde. Niet om hen bang te maken voor hel, maar om hen wakker te maken voor leven.
Bid. Leef. Spreek als het moet.
En vertrouw dat Hij wacht. Niet afstandelijk. Niet streng. Maar met ogen die al dertig jaar gericht staan op die ene die Hij nog wil binnenhalen.
BEET.
En Hij laat niet meer los.