Over een bierblikje, een nazireeër, en de vraag wie er eigenlijk dronken is

Er ging een filmpje rond. Een man met een microfoon vraagt op straat: “Volg jij Jezus?” De jongen tegenover hem grijnst, houdt zijn bierblikje omhoog, en zegt: “Niet geheel.”

Het is grappig bedoeld. Het is ook eerlijker dan wat je in de meeste kerken hoort. Want hij benoemt tenminste dat er ergens iets schuurt. Hij doet niet alsof het hele plaatje klopt. En precies daarom is dit filmpje interessanter dan het op het eerste gezicht lijkt. Niet vanwege wat hij zegt over zichzelf, maar vanwege wat het blootlegt over ons.

Want wat als de jongen met het bierblikje dichter bij de kern zit dan de gemiddelde kerkganger op zondagochtend? In christelijk Nederland is alcohol een soort huiskat geworden. Iedereen weet dat hij er is, niemand maakt er nog ophef over. Een glas wijn bij het eten, een biertje na de dienst, een borrel bij de jaarvergadering van de gemeente. Heel normaal. Heel onschuldig. Heel onbesproken.

En precies daar wordt het interessant. Want de Bijbel is over alcohol veel genuanceerder dan zowel de strenge oom als de relaxte vriend wil toegeven. En vooral: de Bijbel stelt een vraag die wij allang niet meer stellen.

Niet “mag ik dit.” Maar: “wat doet dit met mij.”

Wat er staat, en wat we negeren

Laat ik beginnen met wat de Bijbel níet zegt. Er staat nergens “gij zult geen wijn drinken.” Wijn loopt door de hele Schrift heen. Jezus’ eerste wonder was het maken van zeshonderd liter goede wijn op een bruiloft, en dat is geen detail waar je gemakkelijk omheen kunt. Paulus schrijft aan Timoteüs dat hij wat wijn moet nemen voor zijn maag. Psalm 104 noemt wijn iets dat het mensenhart verheugt. Wie van de Bijbel een geheelonthoudersboek wil maken, moet hard werken.

Maar dan komt het andere. En dat andere wordt vaak weggelaten. Noach, de man die de mensheid redde, ligt op de eerste pagina’s na de zondvloed naakt en lazarus in zijn tent. Lot is zo dronken dat zijn dochters dingen doen waar je niet over wilt nadenken. Spreuken zegt dat wijn spot en sterke drank schreeuwt en wie zich daardoor laat misleiden is niet wijs. Paulus schrijft dat dronkaards het koninkrijk van God niet beërven, in hetzelfde rijtje als dieven en afgodendienaars.

Twee dingen zijn dus tegelijk waar. Drinken mag. Dronken worden is ramp.

Maar er is nog een derde categorie. De nazireeër.

De vergeten optie

In Numeri 6 staat een wet. Iemand die zich op een bijzondere manier aan God wil wijden, kan een gelofte afleggen. Drie dingen moet diegene dan opgeven: alcohol (alles wat van de wijnstok komt, tot de pitten en schillen toe), het scheren van zijn haar, en het aanraken van doden. Voor een afgesproken periode, soms zelfs voor het leven.

Het waren niet de gewone gelovigen die dit deden. Het waren mensen die meer wilden. Simson was een nazireeër. Samuel waarschijnlijk ook. Johannes de Doper, die volgens Lukas geen wijn of sterke drank zou drinken vanaf de moederschoot. En tussen de regels door lees je dat zelfs Jezus’ broer Jakobus volgens vroege bronnen een nazireeër-achtig leven leidde.

Wat zegt dit? Dat de Bijbel niet één lijn kent voor iedereen. Dat er een normaal christelijk leven is waarin je gewoon mag drinken, met mate, in dankbaarheid. En dat er daarnaast een tweede mogelijkheid bestaat. Een vrijwillig afzien. Niet omdat het moet, maar omdat sommige mensen iets willen oprekken. Omdat ze ervaren dat er meer ruimte vrijkomt voor God als de stoffen die het bewustzijn beïnvloeden eruit gaan.

We hebben die tweede mogelijkheid uit ons vocabulaire geschrapt. Wie nu zegt “ik drink niet, om geestelijke redenen,” wordt ofwel als wettisch weggezet, ofwel als oversnel gezien voor een verslaving. Allebei is een armoede. Want er is een derde mogelijkheid: dat iemand iets ziet wat de gemiddelde drinker niet ziet.

Drugs en de oudste truc

Bij drugs ligt het scherper. Het Griekse woord pharmakeia in Galaten 5 wordt vaak vertaald als “toverij,” maar de letterlijke betekenis is het mengen van middelen, vaak om bewustzijnsverandering teweeg te brengen. Paulus zet het in een lijstje met afgodendienst en hekserij. Dat is geen willekeur. In de oudheid hoorde dit bij elkaar. Wie de goden wilde ontmoeten, nam iets in. Wie buiten zichzelf wilde treden, slikte of rookte iets. Wie de geestelijke wereld wilde betreden zonder de tussenkomst van de levende God, gebruikte stoffen.

En dat is precies wat in onze tijd terugkomt onder een nieuwe naam. Ayahuasca-retraites. Paddo’s voor “spirituele groei.” Microdosing als manier om “verbonden” te raken. De stoffen zijn anders, het mechanisme is identiek. Een kortere weg naar het transcendente, zonder de Persoon die daar woont.

De Bijbel waarschuwt daar niet tegen omdat God geen zin heeft in onze pret. De Bijbel waarschuwt omdat een open deur niet altijd uitkomt waar je hoopt. Wie zijn bewustzijn ontgrendelt en daarbij niet kiest voor de Geest van God, kiest impliciet voor wat er verder nog rondzwerft. Dat klinkt ouderwets. Het is alleen maar concreter geworden.

Je lichaam is een tempel, schrijft Paulus. Een tempel is geen experimenteerruimte. Het is een plek waar God woont. Wie daar stoffen binnenlaat die het bewustzijn van de bewoner kapen, doet iets ernstigers dan een regel overtreden.

Tabak en de stille verslaving

Tabak komt in de Bijbel niet voor, en wie een vers zoekt dat roken verbiedt zal het niet vinden. Maar daar zit ook een valstrik. Want de afwezigheid van een verbod betekent niet dat de Schrift niets te zeggen heeft.

De vraag bij roken is niet “mag het.” De vraag is: wat doet het met de vrijheid die Jezus mij gegeven heeft? Iedereen die ooit heeft proberen te stoppen weet het antwoord. Roken is een meester die niet meer wil loslaten. En Paulus’ principe staat er nog steeds: alles is mij geoorloofd, maar ik zal mij door niets laten overheersen.

Daar wringt het. Want als de toets is “wie is de baas,” dan vallen er meer dingen om dan we lief is. Niet alleen de sigaret. Ook de scrollverslaving. Ook de cafeïne-afhankelijkheid waar we grappen over maken. Ook het glas wijn dat we elke avond “nodig” hebben om te ontspannen.

En dan komen we terug bij de jongen met zijn bierblikje. Die was eerlijk over zijn “niet geheel.” De vraag is of de rest van ons dat ook is.

Wie er werkelijk dronken is

In Efeze 5 schrijft Paulus iets vreemds: “word niet dronken van wijn, maar word vervuld met de Geest.” Hij zet die twee tegenover elkaar. Alsof het concurrenten zijn. Alsof er één plek in de mens is die ofwel door alcohol, ofwel door de Geest van God ingenomen wordt, en je moet kiezen welke van de twee daar de baas is.

Dat verandert het hele gesprek. Het gaat niet meer om wat je in je lichaam stopt. Het gaat om wat je in je ziel toelaat om de plaats van God in te nemen. Voor de een is dat drank. Voor de ander porno. Voor de derde geld, of zekerheid, of de goedkeuring van de gemeente. Iedereen heeft iets waarvan hij of zij dronken probeert te worden in plaats van vol van de Geest.

En als je het zo bekijkt, is de jongen met het bierblikje misschien wel een van de eerlijkste mensen op straat. Hij weet dat er iets in zijn leven staat waar Jezus nog niet bij kan. Hij heeft het tenminste in beeld. Hij houdt het omhoog en zegt: dit, dit is mijn niet-geheel.

Hoeveel mensen in de kerkbank op zondag zouden kunnen zeggen wat hún bierblikje is? En durven dat ook omhoog te houden?

Het echte voorstel

Ik denk dat de Bijbel hier iets radicalers voorstelt dan zowel de strenge versie als de relaxte versie wil zien.

De strenge versie zegt: drank is fout, drugs zijn fout, tabak is fout, blijf overal vanaf en je bent goed. Maar dat is een buitenkantoplossing voor een binnenkantprobleem. Je kunt zonder ooit een druppel drank te drinken volkomen door iets anders bezeten zijn.

De relaxte versie zegt: het maakt allemaal niet zoveel uit, alles met mate, kom op zeg. Maar dat negeert de ernst van wat de Schrift wel degelijk zegt over wat ons leven kan binnensluipen en het kan overnemen.

Het Bijbelse voorstel is iets anders. Het is een levenshouding waarin je niets meer toelaat dat sterker wordt dan jij bent. Waarin je elk middel, elke gewoonte, elk pleziertje toetst aan de vraag: wie is hier de baas. Waarin je soms vrij iets gebruikt, en soms vrijwillig iets opgeeft, niet omdat het moet, maar omdat je merkt dat de ruimte voor God groter wordt als bepaalde dingen kleiner worden.

Dat is geen wettisch leven. Dat is een leven dat verdacht veel begint te lijken op vrijheid.

Tot slot

De jongen op het filmpje zei “niet geheel,” en grijnsde. Hij wist niet dat hij daarmee in één zin de hele toestand van christelijk Nederland samenvatte.

We zijn allemaal niet geheel. We hebben allemaal een blikje dat we omhoog houden, of in onze zak verbergen. De vraag is niet of we ervan af kunnen komen door harder ons best te doen. De vraag is of we het durven aan te wijzen, en of we Iemand kennen die geduldig genoeg is om er met ons mee te lopen tot het langzaam echt geheel wordt.

Jezus dronk wijn. Jezus heeft ook nooit één moment dronken gestaan, niet van wijn en niet van iets anders. Hij liet zich nergens door overheersen. Hij was vol, helemaal, voortdurend, van iets wat geen middel was maar een Persoon.

Dat is het aanbod. Niet een lijst regels over wat in en uit het lichaam mag. Maar een vulling van binnenuit die alle andere “niet-geheels” overbodig maakt.

Of u dan eet of drinkt of iets anders doet, schrijft Paulus, doe alles tot eer van God.

Het bierblikje hoeft niet weg. Maar de vraag is wat erin zit, en waarom het omhoog gaat.

Blijf op de hoogte 📖
Nieuwe blogs direct in je inbox.

Meld je aan en ontvang iedere zaterdagmorgen een e-mail met een overzicht van de nieuwe blogs op Woord & Geest.

We sturen alleen een mail bij een nieuw artikel. Geen spam. Lees ons privacybeleid voor meer info.