Studie over een Mickey met een hoge hoed, een skelet als gastheer, en een hele generatie die opgroeit zonder dat ze ooit hoeft te voelen hoe je iets niet doet. Over de zachte normalisering van wat ooit nog vreemd was, wat dat met onze kinderen doet, en wat het met onszelf doet.

Mickey met een doodshoofd

Op het scherm van een telefoon, ergens halverwege april, staat een advertentie. Mickey Mouse op een balkon. Hij draagt een paarse smoking en een hoge hoed met een ingebouwd spinnenweb. Boven hem in vampierletters: Disney Halloween Festival. Eronder een tekst om de gemiddelde tienjarige uit haar stoel te trekken: “Het is misschien nog lente, maar de ondeugende geesten en Disney Schurken bereiden zich al voor op Disney Halloween Festival. Ben jij klaar voor een gezellig herfstfeest van 26 september tot en met 1 november in Disneyland Paris?” (De afbeelding bij deze blog is erop gebaseerd.)

Even verderop, in dezelfde app, een tweede afbeelding. Een grafsteen op de voorgrond. Een bos zonder bladeren. Tegen die kale takken, statig, in lange jas en met een keurige hoge hoed, een skelet. Niet een vluchtige verschijning. De gastheer van het verhaal. De tekst eronder: “Beleef een magische Halloween. Van met pompoenen versierde paden tot de parade Mickey’s Halloween Celebration: stap in een wereld vol spanning, Disney Schurken en magische streken.”

Lees die woorden eens hardop. Magische Halloween. Gezellig herfstfeest. Ondeugende geesten. Magische streken. Niet één van die woorden duwt je weg. Allemaal trekken ze. Het kind dat dit ziet voelt geen huivering, ze voelt verlangen. En het is precies dat verschuiven, van afstand naar verlangen, dat we hier willen onderzoeken.

Want wat gebeurt is geen plotselinge omkering. Het is een lange beweging die we ergens onderweg zijn vergeten op te merken. Skeletten zijn niet meer eng, maar charmant. Geesten zijn niet meer grimmig, maar ondeugend. Heksen zijn geen schaduw meer, maar een lieve oude dame met een ketel. En de meest familievriendelijke muis op aarde introduceert je dochter in deze wereld, met een lichtshow erbij.

Dit is niet een Disney-probleem. En het zijn ook niet drie losse voorbeelden. Het is een hele beweging die zich uitstrekt over de cultuur waarin onze kinderen opgroeien. Een beweging die het duister van zijn donkerheid ontdoet, het sacrale van zijn diepte, en het christelijke van zijn vanzelfsprekendheid. Niet door aanval. Door verzachting. Niet door spot. Door inkapseling.

Daar gaat deze studie over.

Deel I. De truc van het zachte

Voor we naar voorbeelden kijken, willen we eerst de truc zelf zien. Want hij werkt overal hetzelfde.

Vroegere culturele oorlogen werkten frontaal. Romeinse keizers wilden dat christenen wierook offerden voor de keizer, en wie het niet deed werd voor de leeuwen geworpen. De Franse Revolutie wilde de kerken sluiten en plaatste een godin van de Rede op het altaar. De Sovjet-Unie verbood God simpelweg. Frontale aanvallen, duidelijk gemarkeerd, herkenbaar. Een gelovige wist precies wat er gevraagd werd, en wist precies wat hij niet kon. Trouw was zwaar, maar helder.

De truc van onze tijd is verfijnder. Er staat geen leeuw klaar. Er ligt geen wet om je te dwingen. Er klinkt geen openlijk verbod. In plaats daarvan komt er iets veel vriendelijkers naar je toe. Een kortingsactie. Een dagje uit. Een seizoensthema. Een Mickey die zwaait. Een filmreeks waarin de hoofdpersoon een toverleerling is. Een lentefeest op school. Een mindfulness-oefening voor kleuters. Een koopzondag.

Stuk voor stuk dingen die niemand verplicht. Stuk voor stuk dingen die voelen als plezier. Stuk voor stuk dingen waar je “nee” tegen kunt zeggen, maar waarvan het “nee” je doet voelen als de zuurpruim die niet meedoet, terwijl iedereen om je heen het wel ziet zitten.

Paulus had hier al een woord voor. “Word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar word innerlijk veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid” (Romeinen 12:2). De Griekse term, suschèmatizesthai, betekent letterlijk zich laten vormen door dezelfde mal. Niet “laat je niet aanvallen”. Maar “laat de mal je niet de vorm geven.” Een mal werkt langzaam, met druk en geduld, en wat eruit komt heeft de vorm van de mal aangenomen zonder dat het materiaal het in de gaten had.

Dit is de truc. Geen frontale aanval. Een mal.

En de mal bestaat uit duizend kleine deurtjes, en de deurtjes hebben gewoonlijk leuke kleuren.

Deel II. Wat de kinderen leren

Laten we eerlijk kijken naar het lesprogramma dat de gemiddelde Nederlandse kleuter en basisschooler de afgelopen jaren krijgt voorgeschoteld. Niet op de school zelf, maar in het bredere veld waarin ze opgroeit.

Het feest van het magische

In de herfst krijgt ze pompoenen, spinnenwebben en versierde scholen. Halloween is van een onbekende Amerikaanse traditie naar het normale ritme verschoven in nog geen vijftien jaar. Volgens onderzoek van Franke Media doet inmiddels driekwart van de kinderen iets met Halloween, op school of in de sportvereniging. Walibi’s Fright Nights zijn weken van tevoren uitverkocht. Toverland heeft zijn Halloween Days. De Efteling heeft zijn eigen Halloweenseizoen, met huiveringwekkend versierde paden. Disneyland Paris is, voor wie het kan betalen, het orgelpunt van dit alles.

Het is goed om hier kort stil te staan. Want Halloween dat een marketingfeest is, is iets anders dan Halloween dat een onschuldige verkleedavond is. Wat de cultuur eruit naar boven brengt is niet het “snoep ophalen”-gedeelte. Wat de cultuur eruit naar boven brengt is een wereldbeeld. Een wereld waarin geesten ondeugend zijn, schurken een glamoureuze parade hebben, skeletten gastheer mogen zijn en het griezelen het hoogtepunt is. Niet één onderdeel hiervan is christelijk te noemen, en niet één onderdeel hiervan zou een eerste-eeuwse christen herkenbaar voorgekomen zijn als iets om plezier mee te hebben.

“Bij u mag niemand gevonden worden die zijn zoon of zijn dochter door het vuur laat gaan, geen waarzegger, geen wichelaar, geen uitlegger van voortekenen, geen tovenaar, geen bezweerder, geen raadpleger van geesten, geen wonderdoener en niemand die de doden raadpleegt” (Deuteronomium 18:10-11).

Dit is geen losse zin. Dit is een muur. Niet om kinderen pret te ontnemen, maar om de afstand tot bepaalde dingen vast te leggen. En precies die afstand, die de Bijbel zo zorgvuldig optrekt, wordt in onze tijd vrolijk verkort. Niet aangevallen. Verkort.

Het verhaal van de magie

Kijken we breder dan Halloween, dan zien we dat een groot deel van de populaire kinderverhalen tegenwoordig is opgebouwd rond magie. Niet de literaire fantasie zoals Tolkien of Lewis, waar magie nooit doel was maar altijd verwijzing. Iets anders. Een magie die haar eigen voltooiing is. Toverleerlingen op een internaat. Heksen die het opnemen tegen kwade krachten. Helden die over occult talent beschikken. Spreuken, formules, geesten en bezweringen, allemaal gewone bouwstenen van het genre.

In het Sprookjesbos van een groot Nederlands park werkt dezelfde logica. Droomvlucht voert je door een wereld van elfen en trollen. Fata Morgana dompelt je in oosterse mystiek. Het Spookslot speelt met de doden. Symbolica heeft een tovenaar als gastheer. Veel hiervan is met grote zorg en kunstzinnigheid gemaakt, dat moet eerlijk gezegd worden. Maar ook hier ontbreekt de wijzing naar de Maker. De magie is haar eigen voltooiing. De wereld is gesloten.

Een kind dat van haar derde tot haar twaalfde duizend uur doorbrengt in deze verhaalwereld, leert iets. Niet expliciet. Niet via een leerboek. Maar via de duizend kleine signalen die haar inprenten dat dit is hoe een verhaal zit, zo zit een wereld in elkaar, deze zijn de spelers. En als ze dan op zondag naar de kerk gaat en hoort over een schepping in zes dagen, een Christus die opstond, een Heilige Geest die op het Pinksterfeest neerdaalde, dan klinkt dat in haar oren niet zoals het in de oren van haar grootouders klonk. Het klinkt als één verhaal naast veel andere verhalen. Even goed, even leuk, even niet.

Dit is de schade. Niet dat haar geloof actief wordt aangevallen. Dat haar geloof in een rij wordt gezet met magische verhalen waar het niet thuishoort.

Het feest dat zijn naam kwijtraakt

Tegelijk verdwijnen de christelijke feesten zachtjes uit de openbare ruimte. Op veel scholen heet Kerst tegenwoordig Lichtjesfeest of Wintergala, en heet Pasen Lentefeest. De inhoud die er ooit was, wordt eruit gefilterd. Wat overblijft is de schaal: een boom met kaarsjes, een ei van chocola. De vorm zonder de vlam.

In een land dat eeuwenlang gevormd is door christelijke feestdagen, is dit geen kleine verschuiving. Dit zijn de plooien van de jaarcyclus. De plek waar een kind, ook zonder dat ze het beseft, ritmes leert die ergens diep in haar lichaam blijven zitten. Een Pasen dat geen Pasen meer heet, leert haar iets. Een Kerst dat geen Christus meer noemt, leert haar iets. Niet door een nieuwe leer, maar door een oude leegte die zachtjes met iets anders wordt opgevuld.

De zondag die haar adem verliest

En dan de zondag, die in deze studie het meest persoonlijke deel zal zijn. Want dit is het terrein waarop ik mijzelf het minst boven kan plaatsen.

Tot 1996 lag de Winkeltijdenwet vast: winkels dicht op zondag, met enkele toeristische uitzonderingen. In dat jaar werden onder Paars de teugels gevierd: gemeenten mochten zelf maximaal twaalf koopzondagen per jaar instellen. In 2013 werd ook die beperking geschrapt. De gevolgen lieten zich raden. In 1998 winkelde 40% van de Nederlanders weleens op zondag. In 2008 was dat 74%. In 2025 is een wekelijkse koopzondag in vrijwel elke stad de normale gang van zaken.

Ik ben daarin meegegaan. Niet bewust, niet bepleitend, maar gewoon, met de stroom mee. De zondag is, ook bij mij, een dag geworden waarop de winkel beschikbaar is, en dus een dag waarop de winkel soms nodig blijkt. De grote boodschappen op zondagmiddag, omdat het zo lekker rustig is. Ik weet hoe dit gaat omdat ik het in mijn eigen leven heb zien gebeuren. En wie iets aan zichzelf wil veranderen, doet er goed aan dit eerst hardop toe te geven.

Wat heb ik daarmee verloren? Niet wettelijk iets. Geestelijk iets. Israël ontving de Sabbat als belijdenis: één dag per week niet werken, niet kopen, niet jagen op productiviteit. “Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag” (Exodus 20:11). Onder het nieuwe verbond verschoof de dag, vanwege de opstanding, naar de eerste van de week (Handelingen 20:7). Maar de logica bleef. Een dag waarop de wereld stilstaat en zegt: ik ben hier de gast, niet de motor.

Wat de koopzondag heeft gedaan is precies deze logica wegnemen. Niet door geweld. Door beschikbaarheid. Hij heeft van de zondag een individuele keus gemaakt. “Wie wil, laat dicht. Wie wil, laat open.” En in een wereld waar elke keus afzonderlijk genomen moet worden, slijt het gemeenschappelijke ritme weg, niet omdat één persoon haar wegneemt, maar omdat niemand haar nog gemeenschappelijk handhaaft.

Deel III. De wereld zonder lege plekken

Wat hebben deze dingen met elkaar te maken? Op het eerste gezicht weinig. Een park, een feest, een rustdag, een schoolfeest. Vier verschillende werelden.

Maar wie even doorkijkt, ziet dezelfde beweging. Stuk voor stuk vullen ze ruimtes in die ooit een andere lading hadden. De ruimte rond de doden, vroeger gevuld met de hoop van de opstanding, wordt nu gevuld met grafstenen, skeletten en mogelijk-vrolijke geesten. De ruimte van de zevende dag, vroeger gevuld met aanbidding en rust, wordt gevuld met aanbiedingen en boodschappen. De ruimte van de verbeelding van het kind, vroeger gevuld met een Schepper die sprak en een storm die werd gestild, wordt gevuld met magische rijken die hun eigen voltooiing zijn. De ruimte van de jaarcyclus, vroeger gevuld met Pasen en Pinksteren, wordt vervangen door Lentefeest en Wintergala.

Niet één van deze invullingen valt het oude geloof rechtstreeks aan. Allemaal vervangen ze. Charme is hun werktuig, leegte is hun materiaal. Wat ze nodig hebben is een plek waar het oude is uitgehold genoeg om er iets nieuws in te leggen. En in een land dat al twee generaties geleden in grote stappen ontkerstend is geraakt, is er aan zulke holtes geen tekort.

Dit is wat we zo moeilijk doorzien. We denken dat de geestelijke strijd zich afspeelt waar er nog uitdrukkelijke aanvallen zijn. Maar de strijd zit ook, misschien wel vooral, in de duizend gewone momenten waarop ergens iets wordt gevuld dat ooit van iets anders was. En als dat lang genoeg duurt, leert de generatie die opgroeit niet eens meer dat er iets eerder zat. Voor hen is het nieuwe het oude.

Dat is wat de Bijbel een geslacht noemt dat “de HEERE niet kende, en evenmin de werken die Hij voor Israël verricht had” (Richteren 2:10). Zo’n geslacht ontstaat zelden door één keer een verkeerde keus van vader op zoon. Het ontstaat door honderd kleine vergetelheden over drie generaties. En dan, op een dag, staat er iemand op die de woorden niet meer kent.

Deel IV. Daniël in Babel

Geestelijk overleven in zo’n cultuur vraagt iets ouds. Niet iets nieuws. Hetzelfde wat in elke eeuw werd gevraagd, alleen nu in andere kleren.

Het boek Daniël geeft een prachtig model. Daniël en zijn vrienden waren naar Babel gevoerd, een stad van afgoden, magie, koninklijke decreten en gedwongen aanpassing. Het was hun niet vergund zich te isoleren. Ze stonden in dienst van de koning. Ze leerden de taal en de literatuur van de Chaldeeën (Daniël 1:4). Ze namen verantwoordelijkheid voor de stad, precies zoals Jeremia het had geboden: “Zoek de vrede van de stad waarheen Ik u in ballingschap heb gevoerd” (Jeremia 29:7).

Maar er was een lijn. Drie kleine, zichtbare daden waaraan zij zich hielden, hoe normaal ook geworden in Babel.

Ze aten niet van de spijs van de koning (Daniël 1:8). Niet uit hoogmoed. Uit liefde voor God. Omdat die spijs verbonden was met afgoderij. Ze knielden niet voor het beeld dat Nebukadnezar liet oprichten (Daniël 3). Niet omdat ze hem haatten; ze dienden hem op honderd andere manieren met heel hun hart. Maar dit ene moment, dit ene knielen, dat ging niet. Ze stopten niet met bidden toen het verboden werd (Daniël 6). Daniël deed zijn raam open zoals hij gewend was, drie keer per dag, met het gezicht naar Jeruzalem. Niet uitdagend, niet als demonstratie. Gewoon. Hij deed wat hij deed.

Drie kleine, zichtbare daden. Een dieet. Een houding. Een gebed. Niets opvallends. Niets revolutionairs. Maar in die drie kleine dingen lag het hele leven verborgen. En vanuit die drie dingen kwam de getuigenis. De koning zag een vierde Man in de oven, Daniël kwam onbeschadigd uit de leeuwenkuil, en Babel hoorde, hoofd voor hoofd, dat er een God leefde anders dan de hunne.

Dat is het patroon waarmee gelovigen door cultuurbreuken heen leefden. Niet het hele Babel slopen. Niet uit Babel weglopen. Maar binnen Babel zichtbaar anders zijn op een paar onderhandelbare punten, en op die punten niet bewegen.

Deel V. Drie kleine dingen voor onze tijd

Wat zou dat voor ons betekenen? Niet een groot programma. Niet een campagne tegen Disney of de Efteling of de winkeliersvereniging. Drie kleine dingen, gericht op onze gezinnen en ons eigen huis.

Ten eerste: praat door wat je ziet.

Het ergste wat we kunnen doen is meegaan zonder te praten. Het op één na ergste is van bovenaf verbieden zonder uit te leggen. Wat we wel kunnen doen, en wat in elke generatie werkt, is gesprekken voeren. In de auto na het park. Aan tafel na de schooldag. In bed na het verhaal. “Wat zag je vandaag? Wat geloof je daarvan? Wat zegt de Bijbel daarover?”

Een kind dat heeft leren toetsen, kan veel zien zonder schade. Een kind dat alleen mocht consumeren, zonder dat er thuis ooit een naam aan iets werd gegeven, heeft geen instrument. Het verschil zit in de woorden die jij thuis koos om uit te spreken bij wat zij meemaakte. “Leer een jongen volgens zijn levensweg, ook als hij oud geworden is, zal hij daarvan niet afwijken” (Spreuken 22:6). Dat leren is geen lijst regels. Het is een vermogen om te onderscheiden, dat door duizend gesprekken thuis wordt opgebouwd.

Ten tweede: vier wat van Hem is, met inhoud.

Een gesloten deur op 31 oktober is niets, als er op 31 oktober niets ánders gebeurt. Een verbod op koopzondag is niets, als de zondag verder een lege dag is. Onze kracht ligt niet in wat we afwijzen, maar in wat we vieren.

Vier de dag des Heeren. Dek de tafel op zaterdagavond, steek de kaars aan, lees samen, eet uitgebreid. Vier Hervormingsdag op 31 oktober. Vier Kerst zo dat het kind weet wie er op aarde kwam. Vier Pasen zo dat het opstaan groter is dan het ei. Vier Pinksteren. Vier de doop, het avondmaal, de zegen. Vier alles wat de wereld is vergeten te vieren, en je zult merken dat je kinderen niet zo snel in de leegte hoeven te zoeken.

Want de leegte zoekt vanzelf, dat is precies haar werk. Wat de leegte stopt is niet een nee. Het is een ja met inhoud.

Ten derde: laat de zondag weer ademen.

Niet wettisch. Niet met een lijst van wat wel en niet mag. Maar met de bewuste keus om die ene dag, voor zover je macht reikt, anders te laten zijn dan de andere zes. Niet werken als het niet noodzakelijk is. Niet kopen als het niet noodzakelijk is. Brood vrijdag al halen. Boodschappen zaterdag doen. Een platte boodschappentas op zondag. Een huis dat anders ademt dan op woensdag.

Stiller dan een preek, maar zichtbaar voor je kinderen. En als het toch een keer misgaat, niet jezelf veroordelen, maar de volgende week opnieuw proberen. “Heden, als u Zijn stem hoort, verhard uw hart niet” (Hebreeën 3:7). Heden. Niet “toen het nog beter was”. Heden, deze zondag, dit gezin.

Slot. De kleine kandelaar

We zijn niet de eerste generatie die in een vreemde cultuur leeft. De vroege kerk leefde in een wereld geestelijk donkerder dan de onze. Rome had goden voor elk seizoen, gladiatorengevechten als zondagsentertainment, kinderoffers aan de tempelmuren, slavernij als economisch fundament. De christenen hadden geen wet aan hun zijde, geen keizer, geen mediatraining. Ze hadden een klein verhaal, een gemeenschappelijke maaltijd, een dag in de week waarop ze samenkwamen, en een gewoonte om elkaars lasten te dragen. En binnen drie eeuwen was het rijk veranderd. Niet door macht. Door volharding.

Ons wordt niets minder en niets meer gevraagd. Niet om de mal te slopen. Niet om uit Babel te vluchten. Maar om in Babel zichtbaar anders te zijn op een paar punten, in ons huis, met onze kinderen, en daar niet te wijken.

“Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen” (Johannes 1:5). De duisternis weet niet wat het licht is, en kan het niet doven. Wel kan zij het overstemmen, met aanbiedingen, met magische jasjes, met een Mickey op een balkon en een skelet als gastheer. Wel kan zij ons zo veel laten zien dat we vergeten te kijken naar Hem.

Daarom de keus voor het kleine, het zichtbare, het volgehoudene. Een gesprek na het park. Een platte boodschappentas op zondag. Een gezin dat de feesten viert die de wereld is vergeten. Drie kleine dingen, geduldig in plaats. En over de jaren, langzaam, vanzelf, een kind dat anders weegt wat het ziet.

“Maar wij allen, met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwend, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt” (2 Korinthe 3:18).

Dat is wat we onze kinderen het liefst meegeven. Niet een lijst van wat de wereld doet en wat zij niet mag. Maar een gezicht. Onbedekt. Gericht op Hem. Zodat wat zij ziet langzaam in haar overgaat. Zodat zij, op haar tijd, weer iets door kan geven. Zodat het licht, hoe klein ook, blijft branden.

“U bent het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen zijn.” Mattheüs 5:14

Blijf op de hoogte 📖
Nieuwe blogs direct in je inbox.

Meld je aan en ontvang iedere zaterdagmorgen een e-mail met een overzicht van de nieuwe blogs op Woord & Geest.

We sturen alleen een mail bij een nieuw artikel. Geen spam. Lees ons privacybeleid voor meer info.