Een wandeling langs zes plekken waar de schaal van het universum onze theologie aanraakt

We hebben in vijf delen veel grond bedekt. We zijn begonnen bij het ongemak van een godsbeeld dat te krap blijkt voor de werkelijkheid. We zijn doorgereisd naar TRAPPIST-1 op veertig lichtjaar afstand. We hebben in eigen kerkelijk Nederland naar onszelf gekeken en eerlijk vastgesteld dat we God in onze cultuur kleiner hebben gemaakt dan Hij is. We hebben de Bijbel opnieuw gelezen op haar kosmische taal. En we hebben gezien hoe achthonderd jaar christelijke denkers ons zijn voorgegaan in deze vragen.

Maar de hardste vragen liggen nog op tafel. Zes ervan. Vragen waar we niet vlot omheen kunnen. Vragen die de theologie van de twintigste eeuw vaak ontweken heeft, omdat zij de schaal van de moderne kosmologie niet aandurfde te integreren. Maar vragen die hun rust niet vinden bij ontwijking, en die juist nu, terwijl Webb naar TRAPPIST-1 kijkt en de aarde een eenzaam blauw stipje is in een onmetelijke leegte, om eerlijke aandacht vragen.

Wij doen ze in dit deel. Niet uitputtend. Daar zou een hele bibliotheek voor nodig zijn. Maar eerlijk genoeg om recht te doen aan hun gewicht. We luisteren eerst naar de tegenstem, die we tot nu toe niet hebben gehoord. Dan vragen we wie nog beelddrager is. Dan kijken we naar het kruis. Dan naar de Geest. Dan naar het kwaad en de stilte van het universum. Dan naar de eindtijd.

En aan het einde van dit deel zal duidelijk zijn dat de vragen niet allemaal beantwoord zijn. Dat is geen tekortkoming. Dat is het hart van de zaak. In het slotdeel komen we daar op terug.

Een. De stem van de aarde-uniciteit

Tot nu toe hebben we de richting verkend van de schaal. God is groter, het universum is groter, ons denken moet meegroeien. Maar er is een serieuze tegenstem binnen het christelijk denken die zegt: wacht. Misschien is de aarde wel werkelijk uniek. Misschien is het universum wel enorm zonder dat er ergens anders leven hoeft te zijn. Misschien geeft de schaal van de kosmos juist meer gewicht aan de bijzonderheid van onze planeet, niet minder.

De bekendste hedendaagse vertegenwoordiger is Hugh Ross, oprichter van Reasons to Believe. Ross is een astrofysicus en evangelisch christen die al decennialang betoogt dat de combinatie van factoren die de aarde bewoonbaar maken, zo zeldzaam is, dat het universum nog veel groter moet zijn dan we denken om zelfs maar één Aarde voort te kunnen brengen. Niet kleiner. Groter. Het universum moet enorm zijn om de exacte fysica, scheikunde, geologie en biologie van onze planeet te kunnen toelaten. Maar dat betekent niet dat er ergens anders een tweede aarde is. Misschien is dit precies de enige.

In dezelfde lijn, zonder noodzakelijkerwijs christelijk gemotiveerd, schreven Peter Ward en Donald Brownlee in 2000 het invloedrijke boek Rare Earth: Why Complex Life Is Uncommon in the Universe. Hun stelling: microbieel leven is wellicht algemeen, maar de stap naar complex en intelligent leven vereist een opeenvolging van zo gelukkige omstandigheden, dat de aarde misschien wel uitzonderlijk is. De juiste grootte van de zon. De juiste positie in de melkweg. De juiste manen. De juiste plaattektoniek. De juiste atmosfeer. De juiste evolutionaire breuklijnen. Verwijder een ervan en je hebt een dode planeet.

Dan is er het antropisch principe. In de jaren zeventig formuleerde de astrofysicus Brandon Carter het idee dat het universum vol fine-tuning zit. De zwaartekrachtsconstante, de elektromagnetische kracht, de kernkrachten, de uitdijingssnelheid van het heelal, het allemaal staat ingesteld in een nauwe band waarbinnen leven mogelijk is. Verschuif één parameter een fractie en het universum stort in of dijt te snel uit of vormt geen sterren of geen zware elementen. Het universum lijkt afgestemd. Op leven.

Voor christenen als John Polkinghorne, John Lennox en Alister McGrath is dit een sterke vingerwijzing naar de Schepper. Maar binnen die zelfde theologische traditie wordt hier ook iets ongemakkelijks uit afgeleid. Als het universum zo afgestemd is op de mens dat het hele bouwwerk neerstort als één constante schuift, is de mens dan misschien werkelijk de bedoeling van het geheel?

Dit is een eerlijk argument. Het is geen flauwe verzonnen tegenwerping. Het is wetenschappelijk en theologisch een serieuze positie. En wij in deze reeks willen het niet bagatelliseren.

Tegelijk moet het in perspectief blijven. Ten eerste is afwezigheid van bewijs niet hetzelfde als bewijs van afwezigheid. We hebben een halve eeuw serieus gezocht. We hebben een handvol planeten in detail kunnen bekijken. Dat is in kosmische verhoudingen niets. Ten tweede sluit het ene het andere niet uit. Dat de aarde extreem bijzonder is, betekent niet dat er nergens anders leven is. Twee uitzonderingen zijn ook uitzonderingen. Honderd uitzonderingen ook. Het universum kan tegelijk afgestemd zijn op de aarde en ergens anders nog iets dragen.

Maar de hoofdpunt voor onze reeks is dit. Wij hoeven niet te kiezen tussen de aarde is uniek en God denkt ook elders aan. De Schrift dwingt ons hier niet tot een keuze. Wat ze ons wel zegt is dat God het waarschijnlijk groter heeft dan welke positie van ons ook. En een goede gelovige luistert naar beide stromingen en houdt zijn hoofd koel.

Wat Ross en Ward en het antropisch principe ons leren, is dit: de aarde mag dan een speldenprik zijn, ze is geen toevallige speldenprik. Wij zijn hier gemaakt. Of dat ons uniek maakt of niet, daar gaan andere afleveringen over. Maar het stempel van bewuste aandacht ligt op deze plek. En dat is, los van alles, een belijdenis die het volle gewicht van de Bijbel achter zich heeft.

Twee. Wie is nog beelddrager?

Genesis 1:26 is een van de vreemdste verzen in de hele Schrift. Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis. In het Hebreeuws betselem Elohim. Het beeld van God.

Voor de oude kerk was dit een ankervers. De mens is iets bijzonders in de schepping. Niet maar een dier. Niet maar een organisme. Een wezen met een bijzondere positie, met een bijzondere relatie tot de Schepper, met een bijzondere verantwoordelijkheid.

Maar wat betekent dat beeld? Daarover heeft de christelijke theologie eeuwen gediscussieerd, en het is goed om die discussie kort in beeld te brengen voordat we de vraag stellen die ons aangaat.

Er zijn vier hoofdposities. De substantiele visie, klassiek bij Aquinas en de scholastieken, zegt dat het beeld in de menselijke ratio zit. Wij zijn beelddragers omdat wij denken, kiezen, willen. De functionele visie zegt dat het beeld zit in de roeping om over de schepping te heersen, zoals Genesis 1:28 zegt: vervult de aarde en onderwerpt haar. De relationele visie, ontwikkeld onder anderen door Karl Barth, zegt dat het beeld zit in de capaciteit voor relatie, vooral met God. En de christologische visie zegt dat Christus het ware beeld is (Kolossenzen 1:15) en wij beelddrager zijn voor zover wij in Hem zijn.

De meeste christelijke theologen vandaag combineren elementen van alle vier.

En nu de vraag die het hoofdonderwerp van deze sectie is. Als er ergens andere wezens zijn met ratio, met roeping, met capaciteit voor relatie met God, zijn die dan ook beelddrager?

Drie christelijke posities zijn ontwikkeld.

De exclusivistische positie zegt nee. Het beeld is voorbehouden aan de mens. Andere wezens, ook intelligente, zouden iets anders zijn. Vrome dieren, misschien, of geestelijke schepselen van een ander type, maar geen beelddragers in de specifieke bijbelse betekenis.

De inclusivistische positie zegt ja, mogelijk. Als er ergens andere wezens zijn met geest en geweten en moreel besef, met de capaciteit om God te kennen en te dienen, dan is hun bestaan op zich al een uitbreiding van wat beeld kan betekenen. God is rijker dan onze categorieën, en het beeld kan zich op meer dan één manier manifesteren.

De tussenpositie, ontwikkeld onder anderen door de Methodistische theoloog David Wilkinson, zegt dat de aarde in deze relatie uitzonderlijk maar niet exclusief is. Christus is hier geincarneerd, hier gestorven en opgestaan. Die specifieke heilshandeling vond hier plaats. Maar dat betekent niet dat God elders niets doet of niets is. Het betekent alleen dat de bijzondere relatie tussen God en de aarde in onze heilsgeschiedenis een aparte gestalte heeft gekregen.

Geen van deze posities ondergraaft het Evangelie. Dat is de bevrijdende ontdekking van deze sectie. Of het beeld nu exclusief, inclusief of exceptioneel-maar-niet-exclusief is, in alle drie blijft Christus de Heer, blijft het kruis het kruis, blijft de mens geliefd door God, en blijft de roeping van Genesis 1 staan.

Het Evangelie is robuuster dan ons godsbeeld erover.

Wij kunnen niet voor de drie posities kiezen op basis van wat de Bijbel zegt, want de Bijbel spreekt niet expliciet over dit scenario. Maar wij kunnen openhouden dat God meer kan dan onze categorieën beschrijven. En dat is precies de houding die de Schrift zelf van ons vraagt. Mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de Heere. Want zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten hoger dan uw gedachten (Jesaja 55:8-9).

Drie. Een kruis voor de hele kosmos

We zijn in deel 4 al even bij Kolossenzen 1:20 geweest. Maar de vraag die we toen open lieten, gaan we nu durven openen. Wat als er ergens anders ook gevallen wezens zijn? Moet Christus dan op iedere planeet sterven?

Het was Wilhelm van Vorilong in 1448 die deze vraag het meest scherp stelde. Wij hebben hem in deel 5 ontmoet. Zijn antwoord was: Hij had het kunnen doen voor oneindige werelden. Maar het zou niet passend zijn dat Hij in elke wereld opnieuw stierf.

Thomas Aquinas had eerder al gezegd dat God op vele andere manieren had kunnen redden. Anselmus van Canterbury, in zijn Cur Deus Homo, betoogde juist dat de incarnatie en kruisdood noodzakelijk waren omdat alleen een godmens een echte verzoening kon brengen. De theologische traditie is hier verdeeld.

C.S. Lewis nam de vraag op in zijn ruimtetrilogie en in zijn essay Religion and Rocketry. Zijn voorzichtige antwoord: misschien zijn er werelden die niet gevallen zijn. Werelden waar nooit zonde is geweest. Wij hoeven niet aan te nemen dat overal lijden en verlossing nodig zijn. Misschien is de aarde de uitzondering, the silent planet, juist omdat zij gevallen is en in stilte van de rest van de kosmos haar weg moet vinden.

Maar als er andere werelden zijn die wel gevallen zijn? Wat dan?

Kolossenzen 1:20 lijkt hier verder te reiken dan onze gewone preken. Het heeft de Vader behaagd dat in Hem heel de volheid wonen zou, en dat Hij door Hem alle dingen met Zichzelf verzoenen zou, door vrede te maken door het bloed van Zijn kruis, ja door Hem, zowel de dingen die op de aarde als de dingen die in de hemelen zijn.

Lees deze zin opnieuw met de vraag van Vorilong in je achterhoofd.

Alle dingen met Zichzelf verzoenen. Door het bloed van Zijn kruis. Op de aarde en in de hemelen.

Paulus had geen besef van TRAPPIST-1. Hij had geen telescoop. Maar de Geest die hem inspireerde wist alles wat wij vandaag weten, en wat we morgen nog zullen ontdekken. En de tekst die Hij door Paulus liet schrijven, sluit nergens uit dat de verzoening van het kruis kosmische werking heeft. Sterker, ze suggereert het.

Wij weten niet hoe dit precies uitpakt. Wij weten niet of er andere gevallen werelden zijn. Wij weten niet of Christus, indien er andere werelden zijn die Hem nodig hebben, in iedere wereld op andere wijze tegenwoordig is, of dat één daad op één kruis in één planeet kosmisch reikt naar al wat is.

Wat wij wel weten, is dit. Het kruis is groter dan onze preken. Wat op Golgotha gebeurde, raakte de hele schepping. De aardbeving was niet alleen geologisch. Het scheuren van het voorhangsel was niet alleen liturgisch. Het lijden van Christus was niet alleen Joods. Het was kosmisch.

En dat is, in plaats van een probleem, een verrijking van het Evangelie. Niet kleiner. Groter. Want zo lief had God de kosmos dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gaf (Johannes 3:16). Ton kosmon. Niet alleen de mensen op aarde. De geordende werkelijkheid. Het hele toneel.

Wat wij hier wel met overtuiging kunnen zeggen, is dat ons begrijpen van het kruis nooit volledig zal zijn. Maar dat zijn werking nooit ondermaats zal zijn voor wat de werkelijkheid vraagt. Wat het kruis voor jou is, dat is het, in al zijn intieme en persoonlijke kracht. Wat het kruis voor de hele kosmos is, dat is het ook, in al zijn omvang en reikwijdte. Beide zijn waar. Hetzelfde kruis. Dezelfde Heer. Dezelfde liefde.

Vier. De Geest die over de wateren zweefde

Genesis 1:2. De aarde was woest en leeg, duisternis lag over de waterdiepte. En de Geest van God zweefde over de wateren.

Het Hebreeuwse woord hier is ruach. Geest, wind, adem. Dezelfde ruach die in Psalm 104:30 leven schept als God Zijn Geest uitzendt. Dezelfde ruach die in Ezechiel 37 de dorre beenderen tot leven blaast. Dezelfde ruach die in Johannes 3:8 waait waarheen Hij wil.

Wij hebben de Heilige Geest doorgaans verkleind tot wat Hij doet in onze gemeente. Tot tongentaal, zalving, leiding bij persoonlijke beslissingen. Allemaal echt. Allemaal bijbels. Maar daarmee is de Geest niet uitgeput. De Schrift presenteert Hem als de Geest die over de wateren zweefde lang voordat er ook maar één mens bestond. Als de adem die alle leven draagt.

Hier raken we de vraag van deze reeks het meest direct. Werkt de Heilige Geest ook op andere planeten?

Het is geen frivole vraag. Het is de logische vraag bij Psalm 104:30. U zendt Uw Geest uit en zij worden geschapen, U vernieuwt het gezicht van de aardbodem. Als God Geest uitzendt om leven te scheppen, is er geen bijbelse grond om aan te nemen dat die uitzending zich beperkt tot ons stukje grond.

Johannes 3:8 maakt het scherper. De wind waait waarheen hij wil, en u hoort zijn geluid, maar u weet niet vanwaar hij komt en waarheen hij gaat. Zo is het met iedereen die uit de Geest geboren is. De Geest is soeverein. Hij kiest Zijn eigen route. Hij respecteert onze gemeentemuren niet, onze stromingen niet, onze grenzen niet, onze planeet niet.

Voor wie dit ongemakkelijk klinkt, is er een eenvoudige test. Stel je voor dat er ergens op TRAPPIST-1e, of waar dan ook, een wezen bestaat dat denkt, voelt en zoekt naar zijn Maker. Geloof je dat de Heilige Geest naar dat wezen toe kan, als God dat wil? Of begrenst Hij Zich tot deze planeet vanwege onze geografische voorkeuren? De vraag stelt zichzelf.

Het zou eerder verbazingwekkend zijn als de Geest, die over alle wateren zweefde aan het begin van de schepping, niet betrokken zou zijn bij wat ook leeft. Dat sluit niet uit dat de aarde een bijzondere relatie heeft met God in Christus, met een unieke heilsgeschiedenis. Dat is de positie van Wilkinson en anderen. Maar het betekent wel dat de Geest van God niet onze beperkingen heeft.

Wij hebben de Geest jarenlang ingekrompen tot onze gemeente, onze stroming, onze stijl van aanbidding. Het is zo gemakkelijk om de Geest te bezitten alsof Hij van ons is. Maar Hij waait waarheen Hij wil. En wij zouden ons vergissen als we Hem alleen verwachten in de richting waar wij Hem het laatst zagen.

Dit heeft praktische gevolgen, hier en nu. Niet alleen voor de exotheologische vraag. Ook voor onze omgang met andere christenen, andere kerken, andere stromingen. Wie de Geest groot heeft, durft Hem ook elders te herkennen. Wie de Geest klein heeft, ziet Hem nergens behalve in het eigen kerkje.

Misschien is de kosmische vraag van deze sectie een spiegel voor onze kerkelijke vragen. Een Geest die op andere planeten kan waaien, kan ook waaien in de kerk aan de andere kant van de stad. Een God die zoveel ruimte heeft, kan onze kleine ruimtes ook makkelijk overstijgen.

Vijf. Het kwaad onder vreemde zonnen en de stilte van het universum

Twee samenhangende vragen.

De eerste. Romeinen 8:22. Want wij weten dat heel de schepping gezamenlijk zucht en gezamenlijk in barensnood verkeert tot nu toe. Heel de schepping. Niet alleen het mensdom. Niet alleen de aarde. Pasa he ktisis. De hele geschapen werkelijkheid. Onder de val. In wee. Wachtend op verlossing.

Als deze tekst klopt, en als er ergens ander leven is, dan zucht ook dat. Dan kent ook dat lijden. Dan is er ook daar iets dat verkeerd is. Hoe past dat in de theodicee? Hoe past dat in de goedheid van God?

Het is niet alleen onze planeet die kapot is. Het zou kunnen dat de hele kosmos op gebroken voet staat. Romeinen 8 lijkt dat te zeggen. De schepping is aan de zinloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar door wie haar daaraan onderworpen heeft, in de hoop dat ook de schepping zelf zal bevrijd worden van de slavernij van het verderf.

Dit maakt de theodicee niet kleiner, maar groter. Het lijden is geen plaatselijk probleem. Het is geestelijke gebrokenheid van kosmische schaal. En dat is, opnieuw, geen relativering van persoonlijk verdriet. Het is een vergroting van het besef dat verlossing nodig is, niet alleen voor jou, niet alleen voor ons, maar voor alle dingen. Alle dingen die Christus volgens Kolossenzen 1:20 met Zichzelf verzoent.

De tweede vraag is dit. Waar is iedereen?

In 1950 stelde de natuurkundige Enrico Fermi tijdens een lunch in Los Alamos een vraag die de geschiedenis is ingegaan als de Fermi-paradox. Als het universum zo groot is en zo oud, en als er zoveel kansen zijn voor leven en intelligentie, waar is iedereen? We zouden, mathematisch gezien, signalen moeten zien. Beschavingen die de melkweg vullen. Sporen overal. Niets.

Er zijn een tiental wetenschappelijke verklaringen voor de Great Silence. Misschien is leven zeldzamer dan we denken (Ward en Brownlee). Misschien vernietigen beschavingen zichzelf zodra ze technologisch volwassen worden (de Great Filter, Robin Hanson). Misschien houden ze zich bewust stil (Liu Cixin’s Dark Forest). Misschien begrijpen we elkaars signalen niet.

Maar er is ook een theologische lezing die voor onze reeks van belang is. Wat als de stilte zelf een teken is?

Een mogelijkheid die christenen door de eeuwen heen hebben overwogen: misschien is de aarde geen normale planeet maar een gevallen plek in een verder gezonde kosmos. De silent planet van C.S. Lewis. Misschien zijn andere intelligenties er, maar zwijgen ze omdat zij ons als geestelijk gevaarlijk beschouwen. Misschien is er een soort kosmische quarantaine.

Dit is speculatie. Wij gaan er niet hard voor staan. Maar het is een mogelijkheid die ouder is dan men denkt en die voor wie er over wil nadenken iets opens. Misschien is de stilte niet leeg. Misschien is ze gericht. Misschien is ze het kenmerk van een wereld die nog niet klaar is om in een groter gesprek te treden.

Wat we wel met de Schrift kunnen zeggen, is dat lijden niet het laatste woord is. Romeinen 8:22 stopt niet bij het zuchten. Het zuchten is in hoop. In de hoop dat ook de schepping zelf zal bevrijd worden. Het kwaad, of het nu hier is of elders, staat onder een hogere belofte. En die belofte is geen vrome wens. Die belofte is geijkt door het lege graf op de eerste paasochtend.

Zes. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde, kosmisch geijkt

Tot slot, de eindtijd. Wij hebben in onze gemeentes vaak een eschatologie geleerd die heel klein is. Vrederijk in Jeruzalem. Israel weer aan de macht. De tempel herbouwd. Voor sommigen een opname, voor anderen een millennium, voor weer anderen een directe eeuwigheid.

Allemaal verzen waar je de Bijbel voor open kunt slaan, en allemaal posities met respectabele verdedigers. Maar wat hieraan opvalt, is hoe geografisch klein onze eindtijd vaak is. Een paar honderd vierkante kilometer Heilig Land, met een handvol grote spelers, en de rest van het universum doet niet mee.

Openbaring 21-22 zegt iets anders. En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. Niet alleen een nieuwe aarde. Een nieuwe hemel. Hemelen, in het Grieks. De hele kosmos krijgt een vernieuwing. De geografie van de eindtijd is even groot als de geografie van de schepping.

2 Petrus 3:13 echoot het. Maar wij verwachten, overeenkomstig Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont.

Romeinen 8:19-22, die wij in de vorige sectie hebben aangeraakt, plaatst de hele schepping in de wachtkamer voor verlossing. De schepping verwacht reikhalzend de openbaring van de kinderen Gods. Want de schepping is aan de zinloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar door wie haar daaraan onderworpen heeft, in de hoop dat ook de schepping zelf zal bevrijd worden van de slavernij van het verderf, om te komen tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen Gods.

Dit zijn geen kleine teksten. Dit zijn teksten die zeggen dat de verlossing niet ophoudt bij de stadsgrenzen van Jeruzalem, of bij de aardgrenzen van onze planeet, of bij wat onze theologieboekjes hebben getekend. De verlossing reikt over de hele kosmos. Iedere ster, iedere planeet, iedere atomaire structuur, iedere structuur waar we geen naam voor hebben, valt eronder.

Hoe dat er precies uitziet, weten wij niet. Een nieuwe versie van TRAPPIST-1, met levende bewoners die nu hun voltooiing vinden? Een vernieuwde Andromedanevel? Een soort kosmische renaissance waarin alles vlot? De Schrift is hier poetisch en niet technisch. Maar zij is duidelijk dat de schaal van de eindtijd past bij de schaal van de schepping. Hij maakt alle dingen nieuw (Openbaring 21:5). Niet alleen mensen. Niet alleen de aarde. Alle dingen.

En de plek waar wij in deze nieuwe werkelijkheid wonen? Niet ergens hoog in een wolk, zoals onze populaire beelden suggereren. Openbaring 21 zegt het anders. Het nieuwe Jeruzalem daalde neder uit de hemel. God komt naar Zijn vernieuwde schepping toe. Hemel en aarde versmelten. Zie, de tabernakel van God is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen.

Wat dat betekent voor wat er op andere planeten gebeurt, daarover zwijgt de Schrift. Wij kunnen alleen vaststellen dat zij de mogelijkheid open laat van een veel grotere voltooiing dan wij doorgaans hebben gepreekt. Geen lokale finale. Een kosmische voltooiing. Een God die met de hele werkelijkheid afrekent en alles nieuw maakt.

Wat we niet hebben opgelost

We hebben zes vragen aangeraakt en geen van zes ten volle opgelost. Dat is bewust.

De Aarde-uniciteit blijft een sterk argument naast de mogelijkheid van leven elders. Geen van beide is bewezen. Beide passen binnen christelijke theologie. De vraag van de imago Dei kan op verschillende manieren beantwoord worden zonder dat het Evangelie wankelt. Het kruis is kosmischer dan we denken, maar hoe precies, daar reikt onze taal niet bij. De Geest waait waarheen Hij wil, maar wij zijn niet de Geest. Het kwaad is groter dan we hadden gedacht, maar de hoop ook. De eindtijd reikt verder dan Jeruzalem, maar in welke vorm precies, daar moeten we wachten.

Dit is geen tekortkoming. Dit is het hart van waar deze hele reeks naartoe werkt. Wij weten ten dele. Wij zien door een spiegel in raadselen. En dat is niet erg, want wij hoeven niet de werkelijkheid te dragen. Hij draagt de werkelijkheid. Wij hoeven niet alles te weten. Hij weet alles. Wij hoeven niet ons godsbeeld dichtgemetseld te houden om God veilig op te bergen. Hij is veiliger dan ons godsbeeld.

In het volgende deel, dat tevens het slot van deze reeks is, komen we hier op terug. Daar gaan we eindelijk de vraag onder ogen zien die in het allereerste deel al opdoemde. Misschien bestaat God niet zoals wij Hem voor ogen hebben. Misschien zijn onze plaatjes te klein. En als ze vallen, wat blijft er dan over?

Het korte antwoord: meer dan we durven hopen. Een grotere God dan onze geest kan vatten. Maar ook een nabijere God dan ons hart kan dragen. En de paradox waarin het hele Evangelie zijn rust vindt.

Daarover gaat deel 7.


Dit is het zesde deel in de dieptestudie “Voorbij de blauwe stip”. We hebben in dit deel zes openstaande vragen aangeraakt: de aarde-uniciteit, de imago Dei, het kruis voor de hele kosmos, de Heilige Geest die overal waait, het kwaad en de stilte van het universum, en de eindtijd op kosmische schaal. In deel 7, het slotdeel, brengen we alles samen rond de meest fundamentele vraag van de reeks: misschien bestaat God niet zoals wij Hem voor ogen hebben, en wat dat voor je leven op maandagochtend betekent.

Blijf op de hoogte 📖
Nieuwe blogs direct in je inbox.

Meld je aan en ontvang iedere zaterdagmorgen een e-mail met een overzicht van de nieuwe blogs op Woord & Geest.

We sturen alleen een mail bij een nieuw artikel. Geen spam. Lees ons privacybeleid voor meer info.