Over een God die misschien niet bestaat zoals wij Hem voor ogen hebben, en wat dat op maandagochtend met je leven doet

De man uit het weiland in Drenthe is terug. Niet hetzelfde weiland. Het is herfst geworden. Hij staat in een ziekenhuisgang, twee uur ’s ochtends, met een plastic koffiebekertje in zijn handen. Achter de deur ligt iemand die hij liefheeft, en de prognose is niet wat ze had moeten zijn. Ze hebben net het slechte nieuws gehad, en hij is even naar de gang gevlucht om adem te halen.

In zijn hoofd schuiven dingen. Hij denkt aan de zomer. Aan de sterrenhemel. Aan de hele reeks vragen die hij sindsdien heeft meegelezen. Aan de God die hij heeft leren zien als groter dan zijn kinderkamer. Aan TRAPPIST-1. Aan Kolossenzen 1. Aan de troonzaal van Openbaring.

En hij denkt: het klopt, het klopt allemaal, maar wat heb ik er nu aan?

Want zijn moeder ligt achter die deur. En geen telescoop, geen exegese van Psalm 19, geen historische schets van Vorilong en Cusanus helpt hem nu om door deze nacht heen te komen.

Hij kijkt naar zijn beker. Lauwe automatenkoffie. Slechte verlichting. Een tussendeur die zacht piept. En hij beseft dat alle theologie die hij heeft geleerd, op dit moment moet hardlopen om bij te blijven. Dat hij niet kan teruggaan naar de kleine god die het allemaal regelde. Maar dat de grote God die hij nu kent, plotseling vraagt om ergens helemaal anders te wonen.

Dit is waar de hele reeks op uitloopt. Want het ging nooit alleen om de sterren. Het ging om de mens onder de sterren, met zijn handen vol koffie en pijn, die wil weten of hij nog ergens op kan staan.

De vraag die we niet konden ontwijken

Helemaal aan het begin van deze reeks lag een vraag op tafel die we te lang zacht hebben benaderd. Misschien bestaat God niet zoals wij Hem voor ogen hebben.

Het is een ongemakkelijke vraag. Voor sommigen klinkt zij als godslastering. Voor anderen als bevrijding. Voor de meesten als een vraag waar ze diep van binnen al jaren mee rondlopen maar niet hardop uitspreken, omdat ze niet weten wat er gebeurt als ze hem stellen.

Wij gaan haar nu eerlijk neerleggen.

Is het mogelijk dat alles wat wij over God denken, in laatste instantie onvolledig is? Dat onze beste theologen, onze beste catechismussen, onze beste belijdenissen, samen nog steeds maar een fragment beschrijven van wat Hij werkelijk is? Dat ergens, in een dimensie waar wij niet bij kunnen, God anders is dan wij Hem ons kunnen voorstellen?

Het antwoord, eerlijk gezegd, is: ja. Zeer waarschijnlijk. Misschien zelfs zeker.

Niet omdat de Bijbel zou liegen. Niet omdat onze belijdenissen leeg zouden zijn. Maar omdat God, per definitie, oneindig is en wij eindig zijn. Si comprehendis non est Deus, schreef Augustinus al in de vierde eeuw. Als je het begrijpt, is het God niet. Wat in onze hersenpan past, kan niet de oneindige Schepper van honderd miljard sterrenstelsels zijn. Wat in een belijdenisboekje past, kan niet de God beschrijven die de tijd uitspant en de eeuwigheid bewoont. Onze taal is te klein. Onze categorieën zijn te grof. Onze concepten zijn afgeleiden van afgeleiden.

Dat is geen verlies. Dat is gewoon de eerlijkheid die past bij geloof. Wij zien nu door een spiegel in raadselen, wij kennen ten dele (1 Korinthe 13:12). Paulus, die meer van God wist dan wij ooit zullen weten, was bereid dat toe te geven. Bij de top van zijn brieven, in de adembenemende doxologie van Romeinen 11, schreef hij: O diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen! Niet hoe perfect heb ik Hem in kaart gebracht. Ondoorgrondelijk. Onnaspeurlijk.

En wat wij daarom in deze reeks hebben gedaan, is geen ondermijning van het geloof. Het is een herontmoeting met de eerlijkheid die het geloof altijd al voorschreef. De middeleeuwen kenden hier zelfs een naam voor: de theologia negativa. Negatieve theologie. Niet de aanpak waarin we zeggen wat God is, maar waarin we eerlijk zeggen wat Hij niet is. God is niet eindig. God is niet beperkt. God is niet bevatbaar. God is geen voorwerp tussen voorwerpen. Wie zo over God spreekt, wordt aanvankelijk armer in woorden, maar rijker in werkelijkheid.

Wat verloren gaat, en wat blijft

Wij kunnen ons afvragen wat er nu eigenlijk verloren gaat als ons godsbeeld valt.

Misschien onze zekerheid. We kunnen niet meer met dezelfde stelligheid zeggen zo zit God in elkaar. We worden bescheidener over wat we van Hem weten en wat we voor onze rekening durven nemen.

Misschien onze kerkelijke posities. We kunnen niet meer met dezelfde overtuiging zeggen onze stroming heeft het exclusief begrepen, en de anderen zitten ernaast. Want elke stroming heeft een godsbeeld dat onvolledig is, het onze inbegrepen.

Misschien een bepaalde manier van bidden. Niet meer alleen Heer, regel U dit even voor mij. Want we kennen die Heer niet zo goed als we dachten. Hij is nog steeds beweegbaar door gebed, maar Hij is geen postorderbedrijf.

Misschien een bepaalde gerustheid. Niet meer het kalme idee dat we precies snappen wat Hij doet en waarom. We moeten leven met het ongerief dat veel onbegrijpelijk zal blijven.

Dat is wat verloren gaat. En, als we eerlijk zijn, dat is niet zo heel veel om over te treuren. Het waren beelden, geen werkelijkheden. Het waren ankerpunten die we hadden gebouwd in de plaats van het echte anker.

Wat blijft, is meer dan we durfden hopen.

Wat blijft, is dat God er nog steeds is. Dat is misschien wel het meest verbijsterende. Wij kunnen ons godsbeeld kwijtraken zonder God kwijt te raken. Sterker, het kwijtraken van een te klein godsbeeld brengt ons dichter bij de echte God, niet verder weg. Hij was nooit het beeldje dat we van Hem hadden. Hij is altijd al groter en dieper geweest. Dat is geen nieuws voor Hem. Het is alleen nieuws voor ons.

Wat blijft, is dat Hij Zich heeft laten kennen. Niet volledig, maar werkelijk. Wij zien ten dele, maar wij zien. Hij heeft de Schrift gegeven. Hij heeft Zijn Geest gegeven. Hij heeft Zijn Zoon gegeven. In de kribbe, op het kruis, uit het graf. Dat is geen onbenoembare god-aan-zich. Dat is een God die naar ons toe is gekomen in een vorm die we kunnen herkennen, zonder dat die vorm Hem afsluit.

Wat blijft, is de werkelijkheid achter de woorden. Dat is iets anders dan de woorden zelf. De Heere is mijn Herder is een metafoor. De werkelijkheid achter die metafoor is dieper en groter dan welke herderbeschrijving ook. Onze Vader die in de hemelen zijt is een aanspreking, geen volledige theologie. De werkelijkheid achter dat Vader is mooier en zwaarder dan welk vaderbeeld ook. Wij verliezen niet de werkelijkheid. Wij verliezen alleen de illusie dat onze woorden haar bevatten.

Wat blijft, is genade. Want hier ligt het wonder dat het evangelie van alle andere wereldreligies onderscheidt. Wij hoeven God niet zelf te ontdekken. Wij hoeven Hem niet correct in onze woorden te vatten om bij Hem te horen. Hij is naar ons toe gekomen. In Christus. Niemand heeft ooit God gezien, de eniggeboren Zoon die in de schoot des Vaders is, Hij heeft Hem ons verklaard (Johannes 1:18). Verklaard, niet gedefinieerd. Bekendgemaakt, niet verklaard in onze categorieën. Maar werkelijk verklaard.

Dat is geen relativisme. Het is precies het tegenovergestelde. Het zegt: God is groter dan we kunnen denken, en juist die God heeft Zich aan ons gegeven. Niet door onze taal volledig te maken, maar door Zelf in onze taal te treden. Het Woord werd vlees. Niet het Woord werd theologisch correct geformuleerd. Vlees. Een lichaam, een leven, een dood, een opstanding. En in dat vlees ontmoeten wij Hem werkelijk. Niet uitputtend. Maar werkelijk.

De paradox die het evangelie draagt

Hier raken we het hart van waar deze hele reeks om draaide.

De grote God en de kleine God zijn niet twee verschillende goden. Het is dezelfde God. De Schepper van miljarden sterrenstelsels en de Vader die jouw naam kent. De Drager van alle dingen en de Vriend van zondaren. De troon van Openbaring 4 en de stal van Bethlehem.

Filippenzen 2 vat dit samen op een manier die ons nog steeds verbaast als we hem werkelijk lezen. Hij die in de gestalte van God was, achtte het niet als roof aan God gelijk te zijn, maar heeft Zichzelf ontledigd door de gestalte van een dienstknecht aan te nemen. Hij die alles draagt, werd door anderen gedragen op de armen van een tienermoeder. Hij die de sterren bij naam roept, leerde Zelf praten. Hij voor wie het universum bestaat, ademde in een wereldje dat geen weet had van zijn ware omvang.

Dit is de paradox. Niet of-of. Allebei. Helemaal allebei.

Wij hebben in deel 3 vastgesteld dat we God hebben verkleind tot persoonlijke trooster. Dat klopte. Maar wij hadden Hem niet hoeven verkleinen om Hem te laten troosten. Hij troost niet omdat Hij klein is. Hij troost ondanks dat Hij oneindig is. Sterker, de troost krijgt zijn gewicht juist vanwege Zijn grootheid. Wat is troost van een gelijke? Niet veel. Wat is troost van de Almachtige? Alles. Mijn ogen zijn altijd gericht op de Heere, want Hij bevrijdt mijn voeten uit het net (Psalm 25:15). Niet Hij is even groot als mijn probleem. Hij is groter. Het probleem heeft een oplossing omdat Hij erboven is.

Dezelfde paradox geldt voor het kruis. Hoe kan de Schepper van TRAPPIST-1 op een Romeinse kruispaal sterven? Het antwoord is: omdat Hij dat wilde. Omdat Zijn liefde groter is dan onze logica. Omdat de schaal van Zijn macht ook ruimte heeft voor de schaal van Zijn ontlediging. Een kleine god kan niet sterven aan een kruis. Een te kleine god kan niet zoveel afzien. Het is juist de grote God die genoeg ruimte in Zichzelf heeft om Zich tot het kleinste te ontledigen.

De man in de ziekenhuisgang, met zijn koffiebekertje, heeft hier toegang toe. Niet via theologie. Via Christus. De God die hij nu kent als kosmisch groot, is dezelfde God die in Bethlehem werd geboren en in Getsemane bloedzweet huilde. Die God weet wat het is om in een ziekenhuisgang te staan. Niet abstract. Concreet. Hij is daar geweest. Hij is daar nog steeds.

En als zijn moeder achter die deur sterft, dan sterft zij niet in een willekeurige uithoek van een onverschillig universum. Dan sterft zij in een werkelijkheid die Christus draagt. Op een planeet waar Hij Zelf is gestorven. Onder een hemel die ook van Hem is. Niets aan haar dood ontsnapt aan Hem. Niets aan zijn verdriet is buiten Zijn bereik.

Dat is geen oplossing voor zijn pijn. Het is iets anders. Het is een raam dat openblijft in een muur die anders alles afsluit. En dat raam is genoeg.

Maandagochtend

Goed. Theologie is mooi. Maar wij hebben gezegd dat deze reeks niet alleen mag denken. Hij moet landen op maandagochtend. Wat doe je hier nu mee?

Zes dingen. Niet als checklist, maar als richtingen waarin het leven kan veranderen.

Een. Je gaat anders bidden.

Niet alleen lieve Heer, dank U voor deze dag, wees met mijn werk, zegen de zieken. Ook Schepper van de melkweg, Drager van alle dingen, Heilige boven elke heiligheid. Beide passen in hetzelfde gebed. Beide zijn waar. Maar het tweede leerden wij niet. Wij beginnen daar nu mee. En je zult merken dat je gebed daardoor niet kouder wordt, maar groter. De warmte van het persoonlijke blijft. Het wordt ingebed in de vastheid van het kosmische. En je hart wordt rustiger, juist omdat het hoofd weet dat er meer is dan je hart.

Twee. Je gaat anders omgaan met andersdenkenden.

Want als jouw godsbeeld onvolledig is, is dat van de mensen om je heen ook onvolledig. Geen christen heeft het exclusief gevat. Geen stroming heeft de enige sleutel. Dat betekent niet dat alles even waar is. Het betekent wel dat de manier waarop wij vaak met andere kerken, andere stromingen, andere christenen omgaan, vol pretentie zit die het niet kan dragen.

Een grotere God maakt ons milder zonder ons weker te maken. Wij hoeven niets in te leveren van wat wij menen waar te weten. Maar wij gaan het uitspreken met de bescheidenheid van iemand die weet dat ook hij door een spiegel in raadselen kijkt. Dat verandert toon. Dat verandert houding. Dat opent gesprekken die anders dichtbleven.

Drie. Je gaat anders omgaan met onbeantwoorde vragen.

In de oude theologie waren onbeantwoorde vragen vaak een probleem. Iets dat opgelost moest worden, weggeredeneerd, of weggebid. Nu ze niet alleen toegestaan zijn, maar passend bij wie God is, hoef je ze niet meer als bedreigingen te zien. Je leest een vers waar je niet bij kunt. Goed. Je hoort een preek die niet helemaal klopt voor jou. Goed. Je hebt een vraag waar geen antwoord op komt. Goed.

Job kreeg geen antwoord. Hij kreeg een ontmoeting. Dat was meer dan een antwoord. Misschien geldt voor jou hetzelfde. Je vragen worden niet altijd beantwoord. Maar je krijgt iemand naast je staan die groot genoeg is om met de vragen om te gaan. En dat blijkt vaak voldoende.

Vier. Je gaat anders omgaan met lijden.

Misschien wel de zwaarste verandering. Maar ook de meest belovende. Een te kleine God ging in de knel bij groot verdriet. Hij paste niet meer. Hij werd weggeredeneerd of in stilte verlaten. Een grotere God past wel. Niet omdat Hij verklaart, maar omdat Hij draagt. Niet omdat Hij het lijden goedmaakt, maar omdat Hij erbij is.

Wie de Christus van de kribbe en het kruis kent, weet dat God lijden niet vermijdt. Hij is erdoorheen gegaan. En precies daarom kun je in een ziekenhuisgang om twee uur ’s nachts, met lauwe koffie in je handen, zeggen: ik begrijp niets, ik wil niets, maar Hij is hier. Dat is geen vrome formule. Dat is geestelijke werkelijkheid. En zij is genoeg om door deze nacht te komen. Niet meer. Maar wel zoveel.

Vijf. Je gaat anders aanbidden.

Aanbidding wordt eerlijker. Minder ego, meer wonder. Minder kijk wat ik voel, meer kijk Wie U bent. Niet omdat onze gevoelens ongepast zijn. Maar omdat zij niet langer het centrum van de aanbidding zijn. Hij is het centrum. Wij komen in Zijn cirkel, niet andersom.

Dat verandert ook wat we zingen, hoe we zingen, wat we vragen, hoe we komen. We zingen niet meer alleen over hoe goed Hij voor ons is. Wij zingen ook over hoe groot Hij is, los van ons. Wij zingen over de troonzaal, de sterren, de Drager van alle dingen. En we ontdekken dat dit niet kouder is, maar warmer. Niet onpersoonlijker, maar persoonlijker. Want pas als Hij in volle omvang voor je staat, wordt het persoonlijke pas echt persoonlijk.

Zes. Je gaat anders leven.

Want kosmische bescheidenheid maakt iets met je dat niet vrij is voor wie zijn god klein heeft. Je hoeft niet meer de hoofdrol te spelen in je eigen verhaal. Je weet dat je een schepsel bent op een blauwe stip in een onmetelijk universum, en dat juist deze plek wordt gedragen door een liefdevolle Hand. Dat maakt je niet onbelangrijk. Het maakt je vrij. Je hoeft geen god te zijn voor jezelf. Je hoeft niet alles te regelen, niet alles te begrijpen, niet alles te dragen. Hij draagt. Jij mag leven.

En dat heeft consequenties. Je werkt anders. Je consumeert anders. Je hebt minder kerkpolitieke ambitie. Je hebt minder behoefte om gelijk te krijgen. Je zit minder strak op posities, denominaties, fronten. Je hebt minder angst voor wat anderen vinden. Want jouw maat is niet meer hun maat. Jouw maat is een grotere God die jou ziet. En dat verandert alles, terwijl er aan de oppervlakte niets verandert.

Het slot

De man in de ziekenhuisgang loopt terug naar de deur. Hij heeft een paar minuten gezeten op een onmogelijk plastic stoeltje, met zijn ogen dicht. Hij heeft niet uitgebreid gebeden. Maar hij heeft iets gezegd. Iets als: U bent groter dan ik begrijp. U bent groter dan dit lijden. U bent groter dan ik. Wees hier.

Hij weet niet of God hem hoort op de manier waarop hij dat als kind dacht. Hij weet niet wat er gebeurt achter die deur. Hij weet niet wat hij precies gelooft op dit moment. Maar hij weet dat hij niet alleen is. Niet omdat hij iets voelt, maar omdat de werkelijkheid groter is dan wat hij voelt.

En als hij door de deur loopt en zijn moeder ziet, en haar hand pakt, en zijn vader naast haar staat met natte ogen, dan ziet hij even iets dat hij niet kan uitleggen. Een licht dat niet van de fluorescentielampen komt. Een aanwezigheid die niet van het verpleegteam is. Een stilte die niet ongemakkelijk is. Iemand is daar. Niet alleen op dit kamertje. In de hele kamer en in het hele ziekenhuis en in de hele stad en in heel Nederland en in de hele wereld en in de hele kosmos. En toch ook hier. Hier specifiek. Hier persoonlijk.

Dit is waar de reeks naartoe wilde. Niet naar slimme antwoorden op vragen over TRAPPIST-1. Naar de werkelijkheid van een God die zo groot is dat Hij ook in een ziekenhuiskamer kan zijn. Een God die het universum draagt en jouw hand vasthoudt. Een God die honderd miljard sterrenstelsels heeft uitgestrooid en die de naam van jouw moeder kent. Een God die niet kleiner is dan we dachten. Die juist veel groter is. En precies daardoor dichterbij dan we dachten.

In deel 1 schreef ik dat de stoel onder onze voeten begint te schuiven, maar dat de Rots blijft staan. Dat was nog een vermoeden. Nu, na zes delen denken en zeven delen samenleven met deze vraag, kunnen we het met meer rust zeggen.

De stoel mag schuiven. De Rots staat. Niet omdat onze theologie hem ondersteunt. Maar omdat Hij ondersteunt wat Hij heeft gemaakt, inclusief onze theologie, inclusief onze vragen, inclusief onze ziekenhuiskamers, inclusief onze blauwe stip in een onmetelijk universum.

Want zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten hoger dan uw gedachten (Jesaja 55:9). Wij hebben dat eindelijk ernstig genomen. En het was geen verlies. Het was bevrijding.

Heilig, heilig, heilig roepen de vier wezens voor de troon, dag en nacht, zonder ophouden. En heel zacht, ergens in een ziekenhuisgang in Nederland, mompelt een man met een koffiebekertje hetzelfde woord. Hij weet niet meer goed wat het betekent. Maar hij weet dat hij meedoet. En dat is voor nu meer dan genoeg.

De volgende morgen komt licht door de gordijnen. Een nieuwe dag begint. En een grotere God dan ooit gaat met hem mee.

Maandagochtend.


Dit is het zevende en laatste deel in de dieptestudie “Voorbij de blauwe stip”. Wij begonnen bij een man die op zijn rug in een weiland naar de sterren keek en voelde dat zijn godsbeeld te krap was geworden. Wij eindigen bij dezelfde man, in een ziekenhuisgang, die ontdekt dat het kwijtraken van een te klein godsbeeld geen verlies is, maar het begin van een grotere ontmoeting. Een God die het universum draagt en in Bethlehem werd geboren. Een Schepper die op een kruis ging hangen. Een Almachtige die in een ziekenhuiskamer naast jouw moeder zit. Niet of of, maar allebei. Helemaal allebei.

Aan alle lezers die deze reeks hebben gevolgd: dank dat u meedacht. Dat u eerlijke vragen toeliet zonder af te haken. Dat u de stoel liet schuiven zonder de Rots los te laten. Mogen wij samen, als gelovigen in een groot universum, voortaan kleiner over onszelf en groter over Hem denken. En in die volgorde, eindelijk, weer in vrijheid leven.

Blijf op de hoogte 📖
Nieuwe blogs direct in je inbox.

Meld je aan en ontvang iedere zaterdagmorgen een e-mail met een overzicht van de nieuwe blogs op Woord & Geest.

We sturen alleen een mail bij een nieuw artikel. Geen spam. Lees ons privacybeleid voor meer info.