Over draagmoederschap, stille embryo’s, en de vraag die we niet stellen bij de wieg.
Op een zondag, ergens in een Nederlandse gemeente. Een echtpaar, glunderend, met een baby tussen hen in. Een doopjurk, soms bloemen, soms een zus van de moeder iets verderop met een rode wang en een glimlach die ergens iets dieper zit. Het kerkblad meldt het feestelijke nieuws. Er wordt gedankt, gebeden, gezongen.
En dan staat de gemeente voor een vraag die niet gesteld wordt.
Hoe is dit kind tot stand gekomen.
Het is een vraag die in onze tijd ongemakkelijk klinkt. Een soort schending van de privésfeer. Want wat doet het ertoe, zal iemand zeggen, het kind is er. God zij dank dat het kind er is. En dat is ook waar. Een kind is altijd een gave. Maar de manier waarop een kind tot stand komt, is in onze tijd niet meer een ondoorgrondelijk Godsgeheim. Het is in toenemende mate een keuze, een traject, een planning. En dat verandert iets aan wat de gemeente eigenlijk viert.
Wat er werkelijk gebeurt
Laten we concreet zijn. In Nederland kiezen steeds meer christelijke echtparen voor IVF, soms in combinatie met draagmoederschap. De redenen lopen uiteen. Een eerdere zwangerschap die fataal afliep. Een ziekte die het lichaam te kwetsbaar maakt voor een nieuwe zwangerschap. Onverklaarbare onvruchtbaarheid. Wat begon als hulp voor de uitzonderlijk schrijnende gevallen, is een breed begaanbaar pad geworden.
In sommige gemeenten wordt het zonder uitzondering gevierd. De doop of opdragen volgt, de kinderzegen, de afkondiging. En in de wereld om ons heen wordt het pad nog breder. De wetgever in Den Haag wil draagmoederschap juridisch eenvoudiger maken. Voor heteroparen. Voor alleenstaanden. En, in toenemende mate, voor paren van hetzelfde geslacht die samen een kind willen.
Wie aan dit alles voorbij feliciteert zonder vragen te stellen, helpt mee aan een verschuiving die over een paar jaar onherroepelijk lijkt. De kerk staat dan met lege handen wanneer er een gelijkgeslachtelijk stel met een baby in de armen voor de gemeente komt staan en vraagt om een dankzegging. Want op welke principiële grond kunnen we dat verzoek dan nog wegen, als het traject zelf, IVF, donor, draagmoeder, binnen de gemeente al lang geaccepteerde praktijk is geworden.
Het kind als gave, niet als product
De Bijbel kent kinderloosheid. Ze kent haar zelfs intens. Sara, jaren wachten, lachen, tranen. Rebekka. Rachel. Hanna, die in haar verdriet zo bidt dat de priester denkt dat ze dronken is. Elisabet, oud en kinderloos, in de schaduw van haar man de priester. En in al deze verhalen zien we iets bijzonders. Het kind komt niet voort uit techniek, maar uit gebed en geduld. Het komt op Gods tijd en op Gods manier.
Op één plaats, ergens vroeg in Genesis, gaat het anders. Sara houdt het wachten niet langer uit. Ze heeft een slavin, Hagar, en ze biedt haar aan haar man aan. Het is, als je het wilt benoemen, de eerste vorm van draagmoederschap in de Schrift. Geen witte jas en geen ziekenhuis, maar de gedachte erachter is dezelfde. Een ander vrouwenlichaam wordt ingezet om een kind voort te brengen waar het eigen lichaam in achterblijft.
We weten hoe het verhaal verder gaat. Er komt een kind, Ismaël, en er komt scheuring. Tussen Sara en Hagar. Tussen Sara en Abraham. Tussen Ismaël en Isaak. En uiteindelijk tussen volken die tot op vandaag met elkaar in conflict staan. De Schrift veroordeelt Hagar nergens, zij is veeleer het slachtoffer in dit verhaal. Maar de Schrift waarschuwt wel. Wanneer wij de zegen forceren, wanneer wij het kind dwingen uit een lichaam dat God niet heeft aangewezen, oogsten we wat we zelf hebben gezaaid.
Dat is geen toevallige opmerking in een verder vrolijk verhaal. Het is een patroon. Door de hele Bijbel heen blijft het kind een gave. Niet een prestatie, niet een resultaat, niet een product. En precies daar schuurt het met onze tijd, want in onze cultuur is een kind langzamerhand iets geworden waar je recht op meent te hebben. Iets wat je inkoopt, iets wat je organiseert, iets wat de medische wereld voor je regelt als de natuur niet meewerkt.
Een gemeente die dit zonder vragen viert, viert een ander mensbeeld dan dat van de Schrift. En die verschuiving is groter dan we vaak doorhebben.
De stille embryo’s
Er is nog iets wat in de gepolijste foto van de baby in de doopjurk niet zichtbaar is. Bij IVF worden bijna altijd meerdere eicellen bevrucht. Dat is geen detail van het traject, dat is hoe de techniek werkt. Sommige embryo’s worden teruggeplaatst. Andere worden ingevroren. Andere worden weggeselecteerd omdat ze afwijkingen vertonen, of omdat er simpelweg te veel zijn.
Voor wie gelooft, zoals de Schrift leert, dat een mens vanaf de bevruchting unieke waarde draagt, is dit geen voetnoot. Wat is er gebeurd met de broers en zussen van het kind. Hoeveel van hen liggen ergens in een vriezer. Hoeveel van hen zijn nooit teruggeplaatst. Hoeveel van hen zijn afgekeurd om medische redenen.
Dit zijn vragen die ongelooflijk pijnlijk zijn voor ouders die hier middenin staan. Dat is geen reden om ze niet te stellen. Het is wel een reden om ze met liefde te stellen, en op het juiste moment, en niet als een vinger maar als een uitnodiging tot bezinning. De gemeente die zwijgt uit beleefdheid, beschermt mensen niet, ze laat ze alleen.
De helling
Wanneer een gemeente IVF en draagmoederschap als vanzelfsprekend behandelt voor heteroparen, is de redenering die de deur opent voor andere combinaties al uit de kast gehaald. Want als techniek mag worden ingezet om de natuurlijke beperkingen van de ene situatie te omzeilen, waarom zou ze niet mogen worden ingezet om die van een andere situatie te omzeilen.
Een paar van twee mannen heeft technisch precies hetzelfde nodig. Een eicel, een baarmoeder, een arts, een contract. Een paar van twee vrouwen heeft een donor nodig. Alleenstaand, ouder, alleen, het maakt steeds minder uit, want alle technische barrières zijn al geslecht. De morele barrière die overblijft is bijbels van aard. Maar als de gemeente bij het eerste geval geen morele afweging heeft gemaakt, op grond waarvan zou ze die dan bij het tweede wel maken.
De zorg die oudere broeders en zusters hier voelen is niet overdreven. Ze is profetisch. Zij zien wat veel jongere broeders en zusters in hun begrijpelijke hartelijkheid niet zien.
En de gezinnen die hier al middenin staan
Hier moeten we voorzichtig zijn. Want er zijn gezinnen, soms in onze eigen kring, die deze weg al zijn gegaan. Een eerstgeborene begraven. Een lichaam dat een volgende zwangerschap niet meer aankon. Een zus die uit pure liefde aanbood om de baarmoeder die haar zus niet meer had te zijn. Wie zoiets meemaakt, kiest niet luchthartig. Daar zit verdriet, daar zit hoop, daar zit menselijke goedheid in vermengd met technische mogelijkheden waar nog niemand een fatsoenlijk theologisch antwoord op heeft gegeven.
Voor deze gezinnen geldt: het kind is geen vergissing. Het kind is een mens, naar Gods beeld, geliefd door Hem, en geroepen om in Zijn licht te wandelen. De vragen die we hier stellen zijn niet gericht aan dat kind. Ze zijn gericht aan de gemeente die heeft nagelaten ze eerder te stellen. En ze zijn gericht aan onszelf, voordat de volgende casus zich aandient.
Wie zelf een kind heeft via IVF of draagmoederschap, is in de gemeente niet minder welkom dan iemand anders. Het Evangelie kent geen rangen onder ouders. Maar de gemeente moet zichzelf wel de vragen stellen die ze tot nu toe heeft overgeslagen. Anders blijft het bij meeleven na de uitkomst, en wordt er nooit nagedacht over de weg ernaartoe.
Wat dan wel
Een gemeente die dit goed wil doen, doet drie dingen.
Ze rouwt mee met wie kinderloos is. Echt rouwt, niet met snelle troost en alvast een verwijzing naar de IVF-kliniek, maar met de oprechte erkenning dat dit een diep en eerlijk verdriet is. Hanna mocht in de tempel huilen. In onze gemeenten moet daar ook plaats voor zijn.
Ze stelt vragen, biddend en zorgvuldig. Niet alleen wanneer het kind er al is, maar daarvoor. Wat zegt de Bijbel over hoe een kind tot stand komt. Wat doen we met de embryo’s die niet meegenomen worden. Wat zeggen we tegen het echtpaar dat onvruchtbaar blijkt. Wat is onze houding tegenover een arts die elke wens technisch faciliteert. Dit zijn pastorale gesprekken, niet beleidsmatige aanwijzingen. Ze gebeuren bij de koffie, in de huiskring, op afspraak met iemand die niet alleen kennis heeft, maar ook moed.
En ze viert, oprecht, ieder kind dat geboren wordt. Want hoe het kind ook tot stand kwam, het is nu een mens, geliefd door God, naar Zijn beeld. Het kind verdient onze onvoorwaardelijke liefde, onze gebeden, en onze zegen.
Tot slot
Het Evangelie maakt geen onderscheid tussen kinderen die natuurlijk zijn ontstaan en kinderen die uit IVF zijn voortgekomen. God heeft beide lief. Maar het Evangelie roept ons wel op om te onderscheiden waar Gods gave eindigt en waar onze maakbaarheid begint, en om eerlijk te zijn over de prijs van onze technologie.
Een kind is geen recht. Het is een gave. Wie dat onderscheid loslaat, raakt op den duur niet alleen het kind kwijt, maar ook de Gever.
Bid voor de gezinnen die deze weg zijn gegaan. Bid voor de zussen die uit liefde hun lichaam beschikbaar stelden. Bid voor de embryo’s die nooit werden geboren. Bid voor de gemeenten die zonder vragen feliciteren. En bid om de moed om de vraag wél te stellen, voordat de volgende foto in het kerkblad verschijnt.
Want stilzwijgen is geen vorm van liefde. Het is een vorm van afstand.