Over een eerlijke verdenking die ondergronds gaat als je haar niet uitspreekt, over een god van microregie die niet bestaat, en over een God die zoveel groter is dan onze categorieen aankunnen
Een bekentenis vooraf
De titel van deze blog klinkt een beetje als de titel van een stripboek, niet? Maar het is waar: soms vind ik God een pestkop.
Niet voortdurend. Niet als een vaste overtuiging. Niet als een leerstuk dat ik wil verdedigen. Maar wel als een onderhuidse verdenking die opvlamt op precies die momenten waarop het leven misgaat op precies die plek waar het niet mis hoort te gaan. Iets waar je weken of maanden naartoe hebt gewerkt, dat ondersneeuwt door een onverwachte tegenslag. Een dag die elke voorspelling van geluk had, en die in plaats daarvan ongelukkig wordt op een manier die te kort op elkaar gestapeld is om louter pech te lijken. Een keten van kleine dingen die elk afzonderlijk verklaarbaar zijn, maar die samen aanvoelen als een gepolijste reeks van bekkenslagen. Dan zucht ik. Dan kijk ik even omhoog. En dan denk ik, een halve seconde voor ik mezelf corrigeer: zeg, doet U dit nou expres?
Wie deze vraag nooit heeft gevoeld, schrijft ofwel uit een leven dat hem nog niet hard heeft geraakt, ofwel uit een geloof dat zo gepolijst is dat de gebarsten plekken eronder niet meer bij hem aankomen. Voor de meesten van ons komt deze vraag wel eens. En dan is de eerste verleiding om hem snel weg te bidden. Dat mag ik niet denken. God is goed. God is liefde. Ik moet me schamen. Het gevolg is meestal niet dat de verdenking verdwijnt, maar dat hij ondergronds gaat. En verdenkingen die ondergronds gaan, worden vaak gevaarlijker dan verdenkingen die op tafel komen.
Dit stuk wil de verdenking op tafel leggen. Niet om haar te knuffelen. Niet om er een ideologie van te maken. Maar om haar in alle eerlijkheid uit te lopen, langs de Schrift, langs de kerkgeschiedenis, langs de filosofie, en te kijken wat er aan het eind van de tocht overblijft.
Wat aan het eind overblijft is, denk ik, een stuk minder van een pestkop, en een stuk meer God dan velen van ons gewend zijn.
Deel I. De vraag onder de vraag
Wanneer wij God van pesterij verdenken, doen we eigenlijk drie dingen tegelijk, die we zelden uit elkaar halen. We klagen, we beschuldigen, en we belijden. Het is goed om die drie even uit elkaar te trekken voor we verder gaan.
We klagen, en dat is bijbels. De Psalmen staan er vol van. Psalm 13 begint met “Hoelang, HEERE? Zult U mij voor altijd vergeten?”. Psalm 22 begint met “Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?”, een zin die Jezus aan het kruis op zijn lippen nam. Psalm 88, een van de donkerste teksten in de Bijbel, eindigt met “mijn beste vriend is duisternis” en biedt geen enkele opluchting, geen verheffing aan het eind, geen en toch zal ik vertrouwen. Klagen is een Bijbelse gesprekvorm. Wie klaagt, gelooft genoeg om aangesproken te willen worden.
We beschuldigen, en dat is iets anders. Beschuldigen veronderstelt dat we weten hoe God het had moeten doen. Dat is een veel sterkere positie. Wanneer ik zeg God is een pestkop, zeg ik in wezen: ik weet wat een goede God in deze situatie had gedaan, en deze God heeft het tegenovergestelde gedaan, dus ben ik in mijn recht om Hem ergens van te beschuldigen. Het probleem is niet dat ik beschuldig (Job beschuldigt urenlang). Het probleem is dat ik me niet altijd realiseer hoeveel theologie ik tussen de regels door belijd. Want om God van pesterij te kunnen beschuldigen, moet ik er eerst van uitgaan dat Hij alles regelt. Dat elke regenbui gedoseerd is. Dat elke tegenslag uit zijn hand komt. Dat is een theologie. Het is misschien zelfs een verkeerde theologie. Maar ik beleid haar wel met elke pestkop-zucht.
We belijden, en dat is misschien de meest verraderlijke. Want in de zin God is een pestkop zit de aanname dat God bestaat, dat Hij persoonlijk is, dat Hij in mijn leven zit, dat ik tegen Hem kan praten, en dat Hij mij hoort. Wie zegt de natuurkunde is een pestkop spreekt onzin. De natuurkunde hoort niets. De natuurkunde maakt geen keuzes. Wie zegt God is een pestkop doet iets wat alleen een gelovige kan doen. Hij rekent in stilte op een persoon. Hij gelooft, zelfs in zijn verwijt.
De vraag onder de vraag is dus niet of God bestaat. De vraag onder de vraag is wat voor God Hij is, en wat voor relatie ik tot Hem heb. En dat is de vraag die door de theologische eeuwen heen mensen heeft beziggehouden, op een manier die veel rijker is dan de korte zucht onder een paraplu.
Deel II. De microregie-god die we hebben uitgevonden
We moeten beginnen bij een godsbeeld dat zo wijd verspreid is dat de meesten van ons het ademen zonder het bewust te weten. Ik noem het, voor het gemak, de microregie-god.
De microregie-god is een god die elke verkeerslichtwisseling, elke parkeerplek, elke regenbui, elk telefoontje en elk eerstvolgend toeval persoonlijk bestuurt. Hij is, om in moderne termen te spreken, niet zozeer de Schepper van het toneelstuk als wel de regisseur ervan, en niet zozeer de regisseur als wel de geluidsman, de lichttechnicus en de souffleur tegelijk. Hij zit overal in. Hij beweegt elke knop. En als er ergens iets gebeurt wat niet leuk is, dan heeft Hij dat aangezet, en als er ergens iets gebeurt wat wel leuk is, dan heeft Hij dat aangezet, en als er iets neutraals gebeurt, dan heeft Hij dat aangezet voor een nog onbekend doel dat we later wellicht zullen begrijpen.
Het lijkt vroom. Het voelt vroom. Het is, theologisch, niet zo vroom als het lijkt. En het is bovendien de directe bron van de pestkop-aanklacht. Want als alles tot in detail door God geregisseerd wordt, dan ben jij, op het moment dat het allemaal misgaat op een onhandige stapelmanier, gewoon in zijn handen aan het lijden onder een script dat Hij heeft geschreven. En dat is, naar elke menselijke maatstaf, niet aardig.
De onbedoelde herkomst
Hoe komen we aan deze microregie-god? Voor een groot deel uit een mengsel van twee dingen. Aan de ene kant de Bijbelse leer over Gods voorzienigheid, die echt en diep is. Aan de andere kant een populaire Amerikaans-evangelische lezing daarvan, die in de twintigste eeuw via boeken, liederen en preken in onze hoofden is komen wonen. Denk aan de getuigenisverhalen op zondagochtend. Ik moest die ochtend te laat de deur uit, en juist daardoor miste ik het ongeluk dat tien minuten later op de snelweg gebeurde. God heeft me beschermd. Het is een mooi verhaal. Het is misschien zelfs waar. Maar als we het tot een algemeen principe maken, krijgen we onmiddellijk een probleem. Want wat met de mensen die op tijd waren en wel in het ongeluk zaten? Bestuurde God hen ook? Heeft Hij hen ergens om gestraft, of vergat Hij even? Zo verlaagt de microregie-god alle gebeurtenissen tot persoonlijke berichten van boven, en zit elke ramp opeens vol met goddelijke handtekeningen.
Het meest indringende voorbeeld daarvan is na elke grote natuurramp wel te zien. Een orkaan slaat een dorp aan flarden. Een kerk staat nog. Plaatselijke voorganger zegt op tv: “Wij hebben ons toevertrouwd aan Gods bescherming en zie wat Hij gedaan heeft”. Het klinkt warm. Maar twee straten verderop ligt een huis in puin met een dood kind erin. Hadden die ouders zich niet voldoende toevertrouwd? De microregie-god is een meedogenloze god voor wie net iets te dicht erbij staat.
Het echte probleem
Het echte probleem met de microregie-god is dat hij in feite een god is met menselijke maten op kosmisch formaat. Hij denkt zoals wij denken, regelt zoals wij regelen, alleen dan met meer macht. Hij is een opgeblazen schoolmeester. Hij is een vergrote middenmanager die de planning bewaakt. Hij is geen Geheel-Andere, geen totaliter aliter zoals de theoloog Karl Barth het in de twintigste eeuw zou formuleren. Hij is onszelf, in groter formaat.
En precies daar zit de pestkop-verdenking in verstopt. Als ik mezelf met meer macht zou hebben, zou ik soms anderen pesten. Een beetje. Voor het effect. Voor de les. Dus als God een grotere ik is, doet Hij dat ook. De aanklacht is logisch consistent. Het probleem zit niet in de logica. Het zit in het godsbeeld.
Deel III. Voorzienigheid door de eeuwen, een korte tour
Tijd om te kijken hoe de kerk doorheen de eeuwen heeft nagedacht over de vraag hoe God betrokken is bij wat er in de wereld gebeurt. Dit is geen droog kerkgeschiedenis-college, het is een poging om duidelijk te maken dat de microregie-god een uitvinding van betrekkelijk recente datum is, en dat oudere generaties veel rijkere categorieen kenden.
Augustinus en de toelating van het kwaad
Augustinus van Hippo (354-430) is de westerse kerkvader die het langst en het diepst over kwaad en voorzienigheid heeft nagedacht, niet in de laatste plaats omdat hijzelf jarenlang manicheeer was geweest. De manicheeers geloofden in twee gelijkwaardige machten, één van licht, één van duisternis, eeuwig in strijd. Augustinus brak daarmee, en kwam tot een formulering die nog steeds doorklinkt: het kwaad heeft geen eigen substantie, het is privatio boni, een ontbreken van het goede. Roest is geen ding op zich, het is wat er gebeurt als ijzer zijn integriteit verliest. Duisternis is geen ding op zich, het is afwezigheid van licht. Het kwaad is geen tweede god. Het is wat ontstaat waar het goede gemankeerd is.
Voor Augustinus betekende dat ook dat God niet de auteur van het kwaad is, maar het wel kan toelaten en, daarna, kan inbouwen in een groter geheel dat we niet overzien. Zijn beroemde uitdrukking etiam peccata, zelfs de zonden, drukt uit dat God zelfs het kwaad kan gebruiken voor zijn doel zonder zelf moreel verantwoordelijk te zijn. Dit is geen microregie. Dit is een ruim, geheimvol bestuur, waarin veel ruimte zit voor menselijke vrijheid, voor secundaire oorzaken, en voor dingen die God toelaat maar niet wil.
Wanneer Augustinus aan de pestkop-aanklacht zou worden voorgelegd, zou hij vermoedelijk vragen: weet u zeker dat u God dit alles in de schoenen wilt schuiven? Misschien laat Hij veel dingen gebeuren die Hij niet doet. Misschien zijn er in het universum krachten, vrije keuzes, natuurlijke processen, gevolgen van een gevallen wereld, die niet uit zijn hand komen maar wel binnen zijn bestuur vallen.
Thomas van Aquino en de eerste en tweede oorzaken
Een paar eeuwen later komt Thomas van Aquino (1225-1274) met een nog scherpere onderscheiding, die buitengewoon nuttig blijkt voor onze pestkop-vraag. Aquino spreekt over causa prima en causae secundae: de Eerste Oorzaak en de tweede oorzaken.
God is de Eerste Oorzaak van alles. Hij houdt het universum in stand, op elk moment, en zonder zijn voortdurende dragen zou alles wat is, ophouden te zijn. Dat is metafysisch de grond van alles. Maar binnen het universum dat Hij draagt, opereren tweede oorzaken: natuurkrachten, biologische processen, menselijke keuzes, gevolgen van eerdere keuzes. Deze tweede oorzaken hebben hun eigen, echte werking. God dwingt ze niet tot een bepaald resultaat, Hij draagt ze met al hun eigen bewegingen.
Met dit onderscheid maakt Aquino iets mogelijk wat de microregie-god niet kan. Hij maakt ruimte om te zeggen: het regende, omdat lage druk en warme zeestromen een front opdrongen, en God droeg dat alles als Eerste Oorzaak, zonder zelf de regen te plannen of te willen. Het is niet of God, of meteorologie. Het is God die de meteorologie draagt zonder ermee samen te vallen.
De pestkop-verdenking heeft hier weinig grond meer. God is niet bezig met het uitdelen van speldenprikken via natuurverschijnselen. Hij is bezig met het in stand houden van een werkelijkheid waarin natuurverschijnselen mogen doen wat ze doen, en mensen mogen kiezen wat ze kiezen, en gevolgen mogen lopen zoals ze lopen.
Calvijn en de Calvinistische erfenis
Bij Johannes Calvijn (1509-1564) krijgt de voorzienigheidsleer een andere klank. Calvijn benadrukt sterk dat God volledige controle heeft over alle dingen, ook over wat we toeval noemen. In zijn Institutie schrijft hij dat zelfs een blad dat van een boom valt, doet wat God beschikt heeft. Dit klinkt vaak modern protestantse oren toe als de microregie-god van mijn beschrijving.
Toch is dat een misverstand. Calvijn zegt niet dat God de blad-val plant zoals een ingenieur een tijdspad plant. Hij zegt dat niets buiten Gods bestuur valt, en dat ook wat we toeval noemen, binnen zijn raad bestaat. Hij behoudt het mysterie en wijst de mens af die God ter verantwoording wil roepen voor waarom iets zo en niet anders is. Voor Calvijn is het hart van de zaak dat God ons, ondanks alles wat onbegrijpelijk is, gunstig is gezind in Christus. Niet dat we elke gebeurtenis kunnen verklaren.
Het is bij Calvijns navolgers, vooral in de Amerikaanse evangelische cultuur van de negentiende en twintigste eeuw, dat de leer is uitgelopen op de populaire microregie-versie. Alles gebeurt met een reden, hoor je dan, en als wij die reden niet zien is het omdat God hem voor ons verborgen houdt. Calvijn zou daar voorzichtiger mee zijn geweest. Hij wist het verschil tussen bestuurd worden en gepland zijn.
Arminius en de ruimte voor vrije wil
Jacobus Arminius (1560-1609), de Nederlandse theoloog, vormde de tegenpool. Voor hem zat de zwaarte op de menselijke verantwoordelijkheid en de oprechte vrijheid van de wil. God weet alles vooruit, maar Hij bepaalt niet alles vooruit. De Synode van Dordrecht (1618-1619) heeft het arminianisme uiteindelijk verworpen als afwijking van de gereformeerde leer, maar de erfenis ervan loopt nog altijd door de evangelische en methodistische traditie heen.
Voor onze vraag geeft Arminius een handvat dat de microregie-god dempt: God laat dingen gebeuren die Hij niet wil, want anders is menselijke verantwoordelijkheid een schijnvertoning. Als ik kies om kwaad te doen, kies ik dat, niet God in mij. En als de natuur losbarst, dan is dat het werk van de natuur in een gevallen wereld, niet de directe wens van een god die mij wat wilde leren.
De open theisten en het tegengeluid
Eind twintigste eeuw verscheen een meer radicale stem, het open theism van Clark Pinnock, John Sanders en anderen. Zij stelden dat God niet eens van tevoren weet wat vrije wezens precies gaan doen, omdat dat in metafysische zin onbepaald is. God is een meebewegende partner, geen alwetende regisseur. Deze stroming heeft veel kritiek gekregen, ook van mij niet onbegrepen, omdat zij de almacht en alwetendheid van God lijkt te beperken. Maar het tegengeluid heeft wel gevoel gegeven aan iets wat in de microregie-god ontbrak: de openheid van de tijd, het echt-zijn van menselijke beslissingen, de echtheid van Gods reageren.
Bonhoeffer in de cel
En dan is er nog Dietrich Bonhoeffer (1906-1945), de Duitse theoloog die in 1945 door de nazi’s werd opgehangen. In zijn brieven vanuit de gevangenis schrijft hij iets wat de pestkop-vraag op een totaal andere manier omdraait:
“Alleen de lijdende God kan helpen.”
Bonhoeffer leefde in een wereld die voor zijn ogen instortte. Hij keek niet weg van Gods almacht, maar hij plaatste haar ergens anders dan in de orkestrating van de gebeurtenissen. Voor hem was God machtig juist in zijn lijdende solidariteit met de mens. Hij liet de gebeurtenissen niet zien als micro-managed. Hij zag God in de cel naast hem zitten, niet als de cellenbouwer, maar als de Medegevangene die met hem deelde wat anderen hem aandeden.
Dat is een totaal andere god dan de pestkop. Dat is een God die zo groot is dat Hij zelfs in de pijn aanwezig is zonder de pijn te willen. Een God die de Schepper is, en tegelijk de Lijdende. Een God die op het kruis aanwezig was niet als regisseur van het lijden, maar als degene die het op zich nam.
Deel IV. Bijbelse mensen die God van pesterij verdacht hebben
Wie denkt dat een pestkop-aanklacht uniek is, leest zijn Bijbel niet goed.
Job, de patroonheilige van het eerlijke verwijt
Job is het bijbelse boek over precies onze vraag. Een rechtvaardig man verliest alles, en de oorzaak ervan, lezen we in hoofdstuk 1, is een hemelse weddenschap waar Job zelf niets van weet. Vee, knechten, kinderen, gezondheid, alles weg. Drie vrienden komen langs en bieden hem de standaardtheologie aan: je zult wel iets gedaan hebben. Job weet beter. Hij weet dat hij niets gedaan heeft wat dit verdient. En hij begint te klagen, dan te beschuldigen, dan God uit te dagen.
Lees Job 9 maar eens. “Hij vernielt zowel de onschuldige als de schuldige. Wanneer een gesel plotseling de dood veroorzaakt, lacht Hij om de wanhoop van de onschuldigen” (Job 9:22-23). Dat is geen vrome zin. Dat is Job die God ervan beschuldigt dat Hij meedogenloos is. Of Job 16:9-13, waar Job God beschrijft als een vijand die hem heeft verscheurd en hem gebruikt als doelwit. Of Job 30:21, “U bent veranderd in een wreedaard tegen mij; met de kracht van Uw hand bestrijdt U mij”. Het is de pestkop-aanklacht, vier millennia voor de mijne.
En wat doet God? Hij wijst Job niet de deur. Hij straft hem niet. Hij komt, in hoofdstuk 38, en spreekt. Vier hoofdstukken lang. Niet om Job antwoord te geven op waarom dit gebeurde, maar om Job met wie Hij is in aanraking te brengen. Hij beschrijft de zee, de morgenster, de wilde ezel, de Plejaden, de bliksem. Hij vraagt: “Waar was u toen Ik de aarde grondde?”
Job zwijgt. En het is het zwijgen van iemand die heeft gezien dat zijn aanklacht klein was niet omdat zij verboden was, maar omdat zij gericht was tegen een fantasiebeeld van God. Tegen een god van zijn maat. De echte God bleek groter, raadselachtiger, mooier. Job zegt aan het eind, in 42:5-6: “Slechts van horen zeggen had ik van U gehoord, maar nu heeft mijn oog U gezien. Daarom verfoei ik mijzelf en heb berouw, in stof en as.”
Let goed op wat hier niet gebeurt. God zegt niet: je had nooit zo over me mogen denken. God zegt: je hebt me niet gezien zoals Ik werkelijk ben. Het verschil is enorm. De vraag was niet of Job mocht klagen. De vraag was tegen welke God hij klaagde.
En, opmerkelijk, in hoofdstuk 42:7 spreekt God zich uit tegen de vrienden van Job. “Mijn toorn is ontbrand tegen u en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job.” De drie vrienden hadden de hele tijd God verdedigd. Job had Hem aangevallen. En God zegt: Job heeft juist over Mij gesproken. De vrome verdedigers zaten ernaast. De boze klager had het bij het rechte eind.
Dat is een ontnuchterend punt om bij stil te staan. De pestkop-aanklacht, op zichzelf, is niet wat God in toorn ontstak. Het was de leugenachtige theologische rust van de vrienden. Een eerlijke worsteling kan, in Gods ogen, dichter bij de waarheid staan dan een keurig systeem dat geen barsten kent.
Naomi en haar nieuwe naam
In Ruth 1, na het verlies van haar man en twee zoons, keert Naomi terug naar Bethlehem. De vrouwen herkennen haar nauwelijks meer. “Is dit Naomi?” vragen ze. En zij antwoordt: “Noem mij niet Naomi, noem mij Mara, want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan. Vol ben ik weggegaan, maar leeg heeft de HEERE mij laten terugkeren. Waarom zou u mij Naomi noemen, nu de HEERE tegen mij getuigd heeft en de Almachtige mij kwaad heeft aangedaan?” (Ruth 1:20-21).
Mara betekent bitter. Naomi geeft zichzelf een nieuwe naam waarin haar aanklacht zit. De HEERE heeft mij kwaad aangedaan. De auteur van Ruth schrijft dit op zonder commentaar, zonder correctie. Het staat in de Bijbel zoals zij het zei. En het verhaal wikkelt zich vervolgens uit op een manier waarin Naomi langzaam weer Naomi wordt, niet door een theologisch advies, maar doordat haar leven zich onverwacht opnieuw vult. Boaz, Ruth, een kind. En in 4:14 zeggen de vrouwen tegen haar: “Geprezen zij de HEERE, Die niet heeft nagelaten u heden een losser te geven.” Diezelfde HEERE die zij eerst van leegmaking beschuldigde.
Wat leert ons dit? Dat God grote ruimte geeft aan mensen die in hun bitterheid zijn naam in twijfel trekken. Hij scheldt Naomi niet. Hij laat haar Mara zijn. En Hij heelt haar, niet door een argument, maar door tijd en gebeurtenissen.
Habakuk en de openheid van het verwijt
Het boek Habakuk begint met de pestkop-vraag op kosmisch niveau. “HEERE, hoelang roep ik om hulp en luistert U niet, hoelang roep ik tot U: Geweld! en verlost U niet? Waarom doet U mij ongerechtigheid zien en aanschouwt U de moeite? Ja, verwoesting en geweld zijn vóór mij, er ontstaat onenigheid, ruzie verheft zich” (Habakuk 1:2-3). De profeet kijkt naar wat in zijn samenleving gebeurt, en hij begrijpt niet hoe God daar niets aan doet. Hij verdenkt God van toekijken. Van onverschilligheid. Van onvermogen.
En God antwoordt. Niet met geruststellingen. Met iets wat nog moeilijker te verteren is. Ik ga de Chaldeeen ophitsen om jullie te oordelen. Habakuk slikt zijn eerste vraag in en stelt onmiddellijk de tweede: hoe kan een heilige God dit middel kiezen? Hoe kan U een nóg slechter volk gebruiken om uw eigen volk te oordelen? Hij gaat staan op zijn wachtpost en wacht op antwoord (2:1).
Het antwoord komt in 2:4: “Maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.” Het is een minimaal antwoord. Het verlost Habakuk niet uit zijn ongemak. Het zegt: blijf, in dit alles, vertrouwen. En aan het eind, in hoofdstuk 3, komt het bekende slot: “Al zal de vijgenboom niet in bloei staan en er geen vrucht aan de wijnstok zijn, al zal de opbrengst van de olijfboom tegenvallen en zullen de velden geen voedsel voortbrengen, al zal het kleinvee uit de kooi verdwenen zijn en er geen rund in de stallen over zijn, ik zal dan toch in de HEERE van vreugde opspringen, mij verheugen in de God van mijn heil” (3:17-18).
Habakuk’s verwijt wordt niet weggenomen. Het wordt overstegen. En dat is een ander soort oplossing dan de eenvoudige het zat allemaal zus en zo. Hij krijgt geen verklaring. Hij krijgt een vaster vertrouwen, midden in een ongemakkelijke werkelijkheid.
Jezus in Getsemane en aan het kruis
En dan is er nog deze. Op de avond voor zijn dood is Jezus in een tuin en bidt, in Lukas 22:42: “Vader, als U wilt, neem deze drinkbeker van Mij weg; maar laat niet Mijn wil, maar de Uwe geschieden.” Dat is geen pestkop-aanklacht. Het is iets in de richting van: moet dit per se? Is er geen andere weg? Het is een verzoek om herziening van het script. En het wordt niet ingewilligd.
Aan het kruis komt het verder. “Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?” (Matteus 27:46, Markus 15:34). De Zoon zelf citeert Psalm 22, en het is geen citaat ter sier. Hij beleeft het. Hij voelt het. Hij benoemt het. En de hemel zwijgt.
Wat hier gebeurt is dat de centrale figuur van het christelijk geloof, de Zoon van God zelf, in de godverlatenheid afdaalt en daar de pestkop-vraag uitspreekt, niet omdat Hij God van pesterij beschuldigt, maar omdat Hij door de godverlatenheid heen ging om die voor ons af te leggen. De pestkop-zucht en de godverlaten-schreeuw zijn in zekere zin van dezelfde familie. En Christus heeft hem niet ontweken. Hij heeft hem doorleefd.
Dat helpt me, op een manier die argumenten niet kunnen. Als de Heer die ik dien zelf in zijn dood die schreeuw heeft uitgesproken, dan staat Hij niet boven mijn klacht maar in mijn klacht. Hij is, in Bonhoeffers woorden, de lijdende God die kan helpen.
Deel V. Het kwaad en de natuur: een onderscheiding die mist
Een groot deel van de moderne pestkop-verdenking ontstaat doordat wij niet meer goed onderscheiden tussen verschillende soorten kwaad. De klassieke theologie maakte hierin een onderscheid dat verloren is gegaan.
Moreel kwaad
Moreel kwaad is wat mensen elkaar aandoen. Moord, leugen, verraad, onrecht, geweld. Daar is een dader. Daar is verantwoordelijkheid. Daar speelt zonde. De Bijbel zegt onomwonden dat dit niet uit God komt. Jakobus 1:13: “Laat niemand zeggen, als hij verzocht wordt: Ik word door God verzocht. God immers kan niet verzocht worden met het kwade en Hijzelf verzoekt niemand.” God is hier niet de bron. Hij is de Rechter die het oordeelt, de Verlosser die het overwint, maar Hij is niet de auteur ervan.
Natuurlijk kwaad
Natuurlijk kwaad is een lastiger categorie. Aardbevingen, overstromingen, ziektes, droogtes, stormen. Er is hier geen menselijke dader. De zee komt op en het dorp verdwijnt. Het virus springt over en de longen geven het op. Hoe denken we hierover?
De klassieke christelijke theologie heeft hier verschillende benaderingen ontwikkeld. Eén benadering zegt: deze natuurverschijnselen zijn niet kwaad in morele zin, ze zijn ongelukkige gevolgen van een gebroken, gevallen wereld die zelfs in haar lichaamlijkheid de echo draagt van Genesis 3. Romeinen 8:22 spreekt over een schepping die “zucht en als in barensnood is, tot nu toe”. De aarde is, in deze theologie, niet zoals zij hoort te zijn. Niet omdat God haar zo gemaakt heeft, maar omdat de zonde gevolgen heeft die het hele weefsel raken.
Een andere benadering, vooral bij meer naturalistisch georiënteerde theologen, zegt: natuurprocessen zoals platentektoniek, virusvariaties en stormstelsels zijn intrinsiek aan een wereld die werkt op de manier waarop deze wereld werkt. Zonder platentektoniek geen mineralenrecycling en dus geen bewoonbare planeet. Zonder virussen geen evolutionaire ontwikkeling. Het zijn geen pesterijen. Het zijn de kosten van een levende, dynamische, niet-statische schepping. God heeft ervoor gekozen om een wereld te maken die werkt, en dat werken brengt risico’s mee.
Welke benadering je ook kiest, één ding is duidelijk: het noemen van een stormbui een pesterij van God is een categoriefout. Het is alsof iemand klaagt dat zijn auto hem pest omdat hij niet meer rijdt. De auto pest niemand. De auto is een mechanisme dat een lege brandstoftank niet kan overstemmen. Op dezelfde manier is een stormfront geen morele entiteit. Het is een mechanisme. En wie het personifieert tot een goddelijke pester, schrijft een drama dat de werkelijkheid niet rechtvaardigt.
Dat wil niet zeggen dat natuurkwaad geen pijn doet. Het wil ook niet zeggen dat God er niets mee te maken heeft, want Hij is de Eerste Oorzaak die de hele werkelijkheid draagt. Maar het wil wel zeggen dat de stap van de regen valt op mijn dag naar God pest mij persoonlijk een stap is die theologisch niet ondersteund wordt. Tussen die twee zinnen zit een hele wereld van secundaire oorzaken, gevolgde wetten en draagkracht die uit God komt zonder dat Hij elke regendruppel persoonlijk heeft uitgekozen.
Het kwaad van toelating, niet van veroorzaking
Er is een derde categorie die soms genoemd wordt: het kwaad van toelating. Dingen die God laat gebeuren zonder ze te willen of te veroorzaken. Het sterkste voorbeeld is Job 1, waar God de satan toelaat om Job te treffen, binnen bepaalde grenzen. Augustinus en velen na hem hebben hier veel over geschreven. God laat een ruimte open waarin tweede oorzaken, vrije wezens en gevallen werkelijkheden hun werk doen. Hij is daar niet de auteur van, maar Hij is wel de Toelater. En aan het eind, in de eschatologische voltooiing van alles, zal Hij ook de Hersteller zijn van wat verwoest is.
De pestkop-aanklacht maakt deze drie categorieen plat tot één. Alles wat misgaat, gaat in dezelfde categorie. God doet me dit aan. En precies daar slaat de werkelijke theologie het ergst plat. Want de echte vraag is altijd: welke van deze drie is hier aan het werk? Is dit een moreel kwaad (en wie is de dader)? Is dit een natuurlijk gevolg (en wat is het mechanisme)? Of is dit een toelating die ik niet doorzie (en wat doe ik daarmee)? Wanneer ik dat onderscheid maak, krimpt de pestkop-aanklacht meestal vanzelf.
Deel VI. De grote God en de kleine god
Hier komen we terug bij iets wat ik in eerdere stukken al heb aangeraakt, maar wat in dit verhaal centraal moet staan: hoe groot is God eigenlijk?
De krimp
De microregie-god is, ondanks zijn alomtegenwoordige bemoeienis, eigenlijk een klein god. Hij heeft zich in onze gedachten gevormd naar onze maat. Hij doet wat een vergrote ik zou doen. Hij regelt mijn dag. Hij plant mijn afspraken. Hij beheert mijn weer. En precies daarom is hij, vroeg of laat, een pestkop. Want een vergrote ik, met al die macht, zou ook vergrote irritaties hebben. Hij zou ook af en toe wraak nemen. Hij zou ook af en toe een lesje uitdelen via een onverwachte tegenslag.
Wij hebben Hem klein gemaakt. Niet boos. Niet bewust. Niet uit kwade wil. Maar wel onmiskenbaar.
De Bijbel zelf
Lees Jesaja 40 nog eens, met die ogen. “Wie heeft de wateren met de holte van zijn hand opgemeten, of van de hemel met een span de maat genomen?” (40:12). “Zie, de naties zijn als een druppel aan een emmer, ze worden beschouwd als een stofje aan de weegschaal” (40:15). “Hij is het die zit boven de omtrek der aarde, waarvan de bewoners als sprinkhanen zijn” (40:22).
Dit is geen god die zich bezighoudt met of mijn buitenactiviteit doorgaat. Dit is een God voor wie de bewoners van de aarde als sprinkhanen zijn. En tegelijk is het, en hierin zit het wonder, dezelfde God die in 40:11 zegt: “Hij zal Zijn kudde weiden als een herder, Hij zal de lammetjes in Zijn arm bijeenbrengen en in Zijn schoot dragen.” Niet ondanks zijn grootheid is Hij teder. Door zijn grootheid kan Hij teder zijn op een manier die geen mens kan evenaren. Wij zijn beperkt in onze tederheid; wij moeten kiezen of we groot zijn of teder. God hoeft niet te kiezen. Hij is allebei, in oneindige mate.
Het oplossen van de aanklacht
Wanneer God de God van Jesaja 40 is, lost de pestkop-aanklacht zich op een vreemde manier op. Niet doordat het ongemak weg is. Het ongemak is er. De tegenslag is reëel. Maar de aanklacht tegen Hem verliest haar logische grond. Want een God die zo groot is, doet niet aan microregie. Hij organiseert niet je tegenslag zoals een mens een pesterij zou organiseren. Hij draagt heel het bestaan in stand, en binnen dat dragen lopen er allerlei secundaire oorzaken hun loop, en sommige daarvan landen onhandig op jouw weekend, en dat is rot. Maar het is geen persoonlijk bericht van boven.
En, tegelijkertijd, is die grote God dichterbij dan de microregie-god ooit was. Want een god die zich beperkt tot persoonlijke berichten via tegenslagen, is in feite ver weg, want hij komt nooit echt bij je zitten. De grote God van Jesaja 40 en van het kruis is daadwerkelijk in je tegenslag aanwezig, niet als de organisator ervan, maar als de Aanwezige in elke regendruppel, in elke koude nacht, in elk vermoeid hart, in elke uiteindelijk-toch-doorgegane stap.
Dat is een andere troost dan het had wel een bedoeling. Het is de troost dat Hij erbij was zonder dat Hij het wilde, en dat Hij draagt wat Hij niet had gewild dat zou gebeuren, en dat Hij precies daardoor groot genoeg is om door iedere tegenslag heen iets te doen wat ik zelf niet had kunnen organiseren.
Deel VII. De vraag van de eer
Er is nog één draad die ik wil afmaken. Christenen zeggen vaak, na een tegenvallende gebeurtenis, “tot zijn eer” of “God had hier een bedoeling mee”. Het is een vrome zin. Soms is hij waar. Soms is hij een dooddoener vermomd als belijdenis.
Wanneer het waar is
De zin tot zijn eer is waar wanneer iemand, terugkijkend op een moeilijke periode, kan zeggen: zonder die tegenslag was er iets niet ontstaan wat er nu wel is. Geestelijke groei, een verdiept inzicht, een vriendschap, een dieper gebed, een kennis van God die op de toppen van het comfort niet ontstaan was. Dit zijn echte vruchten. Romeinen 5:3-4 zegt: “en dat niet alleen, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, omdat wij weten dat de verdrukking volharding teweegbrengt, en de volharding ondervinding, en de ondervinding hoop”. Dat is een keten. Verdrukking, volharding, ondervinding, hoop. Achteraf zichtbaar, soms.
Wanneer het een dooddoener is
De zin tot zijn eer is een dooddoener wanneer hij wordt gebruikt om elke tegenslag in een vroom kader te frommelen, ongeacht of er werkelijk een vrucht uit voortkomt. Wanneer iemand in een evaluatie zegt: we hebben gezien hoe God werkte juist in deze omstandigheden, en niemand vraagt door: werkelijk? wat dan? waaraan zien we dat?, dan is de zin een afdekzeil over verlegenheid. We weten niet hoe we het slechte moeten plaatsen, dus geven we het een vrome naam, en hopen dat niemand vraagt of die naam klopt.
Er is een verschil tussen God heeft hier iets uit laten ontstaan dat we niet hadden zien aankomen en God wilde dit. Het eerste is de getuigenis van iemand die achteraf vrucht herkent. Het tweede is een aanname over Gods wil die we niet kunnen verifieren.
Voorzichtigheid is een vrucht van geloof, niet van twijfel
Hier komt iets dat christenen in mijn ervaring te weinig zeggen: het is geestelijk volwassener om te erkennen dat we Gods bedoeling met een specifieke tegenslag niet weten, dan om er een vrome naam aan te geven die we niet kunnen rechtvaardigen. Wij weten niet waarom dit gebeurde, en we vertrouwen dat God ermee kan werken op manieren die wij niet altijd zullen overzien. Dat is geloofstaal. Dat is geen twijfel. Dat is precies het tegenovergestelde van twijfel. Want het is vertrouwen zonder dat we het kader zelf hoeven in te kleuren.
De Heidelbergse Catechismus, vraag 26, beleidt dat God “mij in dit jammerdal regeert, en alle kwaad ten beste keert”. Let op die formulering: ten beste keren. Niet plant. Niet organiseert. Keert. Iets buigen wat eigenlijk een andere kant op ging. Dat is een veel rustiger formulering dan de microregie-god kan voortbrengen, en het is bovendien getrouwer aan wat de Schrift zelf zegt.
Deel VIII. Wat dan, in de regen?
Hier komen we bij het praktische einde van de tocht. Wat doe ik dan, wanneer ik in een situatie zit waarin het allemaal samenvalt op een manier die ongemakkelijk doelgericht aanvoelt?
Eerst: klagen mag
Het is geestelijk gezond om de klacht uit te spreken. Niet ondergronds. Hardop, of in een gebed dat hardop genoeg is om gehoord te worden door jezelf. Voorbeeld: Heer, ik vind dit oneerlijk. Ik snap niet waarom dit nu zo gebeurt. Ik voel me in de steek gelaten. Ik wil dit kwijt voor uw aangezicht. Dat is niet onvroom. Dat is bidden zoals Job, David, Habakuk, Naomi en Jezus zelf hebben gedaan. Een gemeente die deze vorm van bidden niet kent, kent maar een halve Psalter.
Tweede: niet meteen interpreteren
De grootste verleiding na een tegenslag is om onmiddellijk de duiding te leveren. Dit was om mij te leren dat ik …, of God wilde mij hiermee bewust maken van …. Pas op met die duidingen. Soms zijn ze juist. Vaak zijn ze speculaties. Een Bijbelse spreuk komt in zicht: “Wee hun die kwaad goed noemen en goed kwaad” (Jesaja 5:20). Wij doen iets vergelijkbaars als we elke pijn voorzichtig maar onverstandig in een mooi kader proberen te zetten. Soms is een tegenslag gewoon een tegenslag, en kan de geestelijke betekenis ervan pas veel later, of nooit, helder worden.
Derde: kijken naar de tweede oorzaken
Het is goed om jezelf de vraag te stellen: wat zijn de tweede oorzaken hier? Welke menselijke beslissingen speelden een rol? Welke natuurprocessen? Welke gevolgen van eerdere keuzes? Welke organisatorische factoren? Vaak helpt het, niet om God uit het beeld te halen, maar om Hem op zijn juiste plek te zetten als Eerste Oorzaak achter en onder alles, in plaats van direct de schuldige aan elk wissewasje.
Vierde: zoeken naar zijn aanwezigheid, niet naar zijn agenda
In plaats van te vragen wat is uw agenda hierin?, kan de vraag worden: waar bent U hierin? Dat is een andere vraag. De agenda kun je vaak niet zien. De aanwezigheid soms wel. Een onverwacht gesprek met iemand die ook moe is. Een tekst die opduikt op het moment dat je hem nodig hebt. Een rust die niet bij de situatie hoort. Een collega die juist nu langskomt. Niemand van deze dingen bewijst dat God de regen heeft veroorzaakt. Ze laten zien dat Hij er was in de regen. Dat is genoeg.
Vijfde: vertrouwen op het ten beste keren
En dan, ten slotte, de overgave aan wat de Heidelbergse Catechismus ten beste keren noemt. Niet de claim dat het allemaal goed was. Wel het vertrouwen dat God iets uit deze situatie kan halen wat ikzelf niet kon zien. Niet als bewijs voor zijn pesterij, maar als getuigenis van zijn grootheid.
Dat is een vertrouwen dat ergens in stof en as geboren wordt, niet in een commissievergadering. Het is het vertrouwen van Job na de wervelwind, van Naomi met de baby op schoot, van Habakuk op zijn wachtpost. Het is een vertrouwen dat niet de pijn ontkent, maar er doorheen verder ziet.
Conclusie: een grote God in een nat tentje
De pestkop-aanklacht heeft ergens, ondanks alles, een waardevolle kern. Hij is eerlijk. Hij verraadt dat de aanklager een persoonlijk verband met God ervaart. Hij wil het uitspreken in plaats van inslikken. Hij is liever Job dan de drie vrienden.
Maar de aanklacht overspeelt zijn hand wanneer hij stoelt op een god die wij zelf hebben gemaakt. Een god van microregie, een god van onze maat, een god die elke regenbui plant zoals een mens een pesterij zou plannen. Die god verdient de aanklacht. Maar die god bestaat niet. Hij is een projectie. Een vergrote ik. Een knus huisgodje dat we tegelijk almachtig wilden hebben en behapbaar, en dat in die spagaat onvermijdelijk een pestkop werd op de slechte dagen.
De echte God is groter. Hij is de God van Jesaja 40 die de hemel uitspant als een tentdoek. Hij is de God van Job 38 die de morgensterren bij naam roept. Hij is de God van Jakobus 1 die niemand verzoekt en uit wie alle goede gave neerdaalt. Hij is de God van Romeinen 8 die zelfs in een zuchtende schepping alle dingen doet meewerken ten goede voor hen die Hem liefhebben. Hij is de Schepper, de Drager, de Eerste Oorzaak, en tegelijk de Lijdende, de Aanwezige, de Vader van de Heer Jezus Christus die in Getsemane zelf de pestkop-vraag heeft uitgesproken, niet om Hem aan te klagen, maar om de weg ervan af te leggen voor wie het Hem ooit nog zouden vragen.
Hij regelt niet alle weer. Hij draagt alle weer. Hij plant niet alle tegenslag. Hij keert alle tegenslag ten beste. Hij is niet een meedogenloze regisseur. Hij is, in de mooiste paradox van het christelijk geloof, tegelijk transcendent boven alles en immanent in alles, oneindig ver weg en oneindig dichtbij, de Heer die “hoog en verheven” woont en die “bij hen, die verbrijzeld en nederig van geest zijn” (Jesaja 57:15).
Wie deze God leert kennen, betrapt zichzelf op een vreemde zaak: de pestkop-zucht komt minder vaak. Niet omdat het leven leuker wordt. Niet omdat het weer beter wordt. Niet omdat de tegenslagen ophouden. Maar omdat de god van wie wij vermoedden dat hij ons pestte, oplost in iets veel groters dat niet pestlijk meer kan zijn omdat het te groot is om in die categorieen te passen.
En in dat veel grotere ben je, gek genoeg, niet alleen. Hij zit naast je in de nat geworden tent. Hij voelt mee in het ongemak. Hij maakt het niet ongedaan, maar Hij draagt het mee. En als alles voorbij is, en de zon weer schijnt, en je terugkijkt op wat het allemaal voorstelde, blijkt soms, ergens onderweg, iets te zijn gegroeid wat alleen kon groeien in dat ongemak. Niet omdat Hij de regen organiseerde. Maar omdat Hij groot genoeg is om door regen heen tot bloei te brengen wat anders dichtblijft.
“Zelfs door het dal van de schaduw des doods zou ik geen kwaad vrezen, want U bent met mij.” Psalm 23:4
Met mij. Niet boven mij. Niet tegen mij. Met mij.
Een God die met mij is, ook in de regen, ook in het ongemak, ook in de momenten waarop de wereld onhandig op elkaar valt, is alle gepieker over of Hij me wel of niet pest oneindig veel waard.
De vraag verdampt niet. Hij krimpt. Hij wordt klein bij het zien van wie Hij werkelijk is. En in die krimp wordt hij voor het eerst draagbaar, niet als zucht, maar als getuigenis: ik dacht dat U mij pestte. Maar ik kende U nog niet zoals U nu bent. Vergeef mij. Ik herken U.
En Hij, denk ik, glimlacht. Niet omdat Hij gelijk had en wij niet. Maar omdat we Hem eindelijk een beetje meer zien zoals Hij is.
En dat is, uiteindelijk, waar alles op uitloopt. Niet op het kleiner maken van Hem totdat Hij in onze categorieen past. Maar op het groeien van ons, langzaam, vaak in stof en as, totdat wij iets meer in zijn categorieen leren leven.
Slechts van horen zeggen had ik van U gehoord, maar nu heeft mijn oog U gezien.
Dit was een dieptestudie. Geen oplossing. Een doordenking. Wie er een oplossing van wil maken, projecteert toch weer een microregie-god in plaats van een ruime te ervaren. Maar wie meegaat in de gedachte, ontdekt vermoedelijk, ergens onderweg, dat de Heer breder is dan onze klachten, dieper dan onze theologieen, en milder dan onze verdenkingen.
En in die mildheid, denk ik, mogen wij zelf ook iets milder worden naar Hem.