Over werken die jaren liepen, en wat er gebeurt als de mensen erachter ineens een andere kant op kijken
Er zit iets eigenaardigs in deze tijd. Mensen die jarenlang ergens aan meebouwden, trekken hun handen ervan terug. Niet luidruchtig. Vaak heel beleefd. Maar wel definitief. Ik kom het steeds vaker tegen.
Het gaat over werken die al langer lopen. Bedieningen die vrucht hebben gedragen. Initiatieven die mensen tot zegen waren. En het gaat over de mensen die in en om die werken stonden. Niet allemaal voorop. Vaak juist niet voorop. Maar betrokken, verbonden, beschikbaar. Mensen die ergens hun ja-woord hadden gegeven en dat ja-woord jaar na jaar opnieuw bevestigden door gewoon te komen, mee te doen, beschikbaar te zijn.
En nu zijn er die zeggen: dit kan ik niet meer.
Daar willen we vandaag iets over zeggen. Niet uit veroordeling. Niet uit ergernis. Maar uit zorg. Want er gebeurt iets in onze tijd, en het is de moeite waard om het hardop te benoemen voordat we ermee verder gaan alsof het niets is.
De stille verschuiving
Het gebeurt bijna altijd op dezelfde manier. Geen brief. Geen toespraak. Geen scène.
Iemand voelt over een paar maanden tijd dat zijn hart elders ligt. Ergens anders is iets ontstaan dat trekt. Of in de gemeente waar hij thuishoort is iets gebeurd waar hij niet meer mee kan. Of allebei. Het maakt eigenlijk niet uit. Wat telt is dat het zwaartepunt van zijn ziel is opgeschoven. En als zijn ziel opschuift, schuiven na een tijdje ook zijn handen op. Dat is een natuurlijk proces. Niemand draagt makkelijk werk waar zijn hart niet meer bij is. Het voelt scheef. Oneerlijk zelfs. Hij vraagt zich af waarom hij dit eigenlijk nog doet. En op een gegeven moment komt er een gesprek thuis aan tafel, een paar weken nadenken, een appje. Of soms gewoon afwezigheid.
Dat is een echt iets. Wij ontkennen niet dat het bestaat. Wanneer je hart elders ligt, wordt het werk waarvoor je je naam leent ineens zwaar. Dat is geen vrome theorie. Dat is hoe mensen in elkaar zitten.
Maar er is een vraag die we durven stellen, met liefde en met ernst. Wist je waar je je handen vandaan trok? En wist je waarom je ze daar ooit naartoe had gebracht?
Wat is het werk eigenlijk?
Het werk dat een gemeente doet, is bijna nooit alleen van die gemeente. Een evangelisatieproject raakt buurten waar mensen wonen die niets met de interne discussie te maken hebben. Een kringenwerk raakt deelnemers uit allerlei hoeken. Een diaconale actie raakt mensen die niets afweten van bestuurlijke zorgen. Een muziekgroep speelt voor mensen uit dertig achtergronden. Een werk dat al jaren loopt, raakt vrijwilligers en deelnemers uit gemeenten die niets met het huidige conflict van doen hebben. En dat is geen detail. Dat is bij sommige werken precies de essentie van waarom ze bestaan. Ze zijn breder dan de muren waar ze worden voorbereid. Ze dragen vrucht over grenzen heen.
Wie zich terugtrekt uit zo’n werk omdat hij zich niet meer kan vinden in bijvoorbeeld het leiderschap of de visie van de organiserende gemeente, doet iets bijzonders. Hij behandelt iets dat breder is dan zijn gemeente, alsof het smaller is dan zijn boosheid. Hij koppelt twee dingen aan elkaar die niet noodzakelijkerwijs aan elkaar gekoppeld zijn. Hij maakt van zijn ongenoegen op een leiderschap een ongenoegen op alles wat dat leiderschap heeft helpen mogelijk maken.
Dat is begrijpelijk. Maar het is niet zonder gevolgen.
Boosheid is gulzig
Er is iets eigenaardigs aan boosheid. Ze is niet selectief. Wie kwaad is op een persoon, raakt na verloop van tijd ook kwaad op alles wat die persoon aanraakt. Wie het niet meer kan vinden in een leiderschap, vindt het na verloop van tijd ook niet meer in de werken die uit dat leiderschap voortvloeien. Wie ergens vertrekt, neemt zelden alleen zijn jas mee. Hij neemt ook zijn taken mee, zijn rollen, zijn beschikbaarheid, zijn ja-woord van vorig jaar.
En dan komt er een moment waarop iemand zegt: ik kan dit niet meer doen. Ik kan me niet meer vinden in de visie. Ik haak af. Dat is het moment waarop boosheid niet meer selectief is. Dat is het moment waarop een conflict over visie een werk raakt dat niets met die visie te maken heeft. En het is het moment waarop wij ons hardop moeten afvragen wie hier eigenlijk de prijs betaalt.
Want het zijn vaak niet de mensen tegen wie de boosheid gericht is. Het is de derde, de vierde, de buitenstaander. De vrijwilliger die niets afweet van het conflict. De deelnemer uit een gezin dat al ergens anders kerkt. De broeder of zuster die van geen kant betrokken is bij het bestuurlijke gedoe en gewoon hoopte dat dit jaar weer iets moois zou worden.
Boosheid is goedkoop voor degene die haar voelt. Ze is duur voor de mensen die niet wisten dat ze ervoor moesten betalen.
De geestelijke vermomming
Soms wordt boosheid vermomd als gehoorzaamheid. Soms wordt teleurstelling vermomd als onderscheiding. Soms wordt verwijdering vermomd als trouw aan een hoger principe.
We hebben allemaal de neiging om onze keuzes geestelijk in te kleden. Dat is menselijk. Maar het is ook gevaarlijk. Want zodra we onze beslissingen presenteren als geestelijk, wordt het bijna onmogelijk om er nog over te praten. Wie kan immers iemand tegenspreken die zegt dat hij de Heilige Geest volgt? Wie durft een broeder of zuster nog vragen of hun keuze misschien meer met emotie te maken heeft dan met openbaring?
En dan toch, met liefde, willen we deze vraag stellen. Aan onszelf en aan elkaar. Wanneer je zegt dat je een werk neerlegt vanwege visieverschillen, klopt die redenering ook als je het werk loskoppelt van het bredere conflict? Klopt ze ook als je het werk op zichzelf bekijkt, los van wie nu in welk kamp zit?
Als het antwoord eerlijk is, weet je het.
Als het werk op zichzelf gezond is, breed gedragen, jaren oud, vol vrucht, dan is de redenering om je naam eraf te halen niet zo recht als ze lijkt. Dan is wat eronder zit niet onderscheiding maar verwijdering. Niet roeping maar reactie. Niet leiding van de Geest maar lekkage van een conflict dat zich ergens anders afspeelt.
Dat is hard om te lezen. We schrijven het niet om te kwetsen. We schrijven het omdat het hardop gezegd moet worden, en omdat we vermoeden dat sommigen die het lezen al lang voor zichzelf weten dat hier iets niet helemaal klopt.
Wie schittert door afwezigheid
Er is nog iets dat we niet voorbij kunnen lopen. Soms zegt stilte meer dan woorden. Wanneer een groep mensen zich verwijdert van een gemeenschap, en die groep zwijgt over de werken die uit die gemeenschap voortkomen, is dat een keuze. Niet altijd een uitgesproken keuze. Maar het is een keuze. Geen statement, geen afwijzing, geen openlijke kritiek. Gewoon afwezigheid. Gewoon wegblijven. Gewoon niet meer aansluiten, niet meer aanmoedigen, niet meer aanwezig zijn waar je eerder wel kwam.
Dat is een vorm van distantie die enorm wordt gevoeld. Door de mensen die wel komen. Door de medewerkers die zien wie er niet is. En soms ook door de mensen die zelf zijn weggebleven, omdat hun eigen afwezigheid zwaarder begint te wegen dan ze hadden verwacht.
Een werk verlaten is niet hetzelfde als een gemeente verlaten. Wie zijn lidmaatschap opzegt, maakt een keuze die zijn eigen geestelijke huis betreft. Maar wie zich terugtrekt uit een werk dat ook van anderen is, raakt ook anderen. Hij laat een gat vallen dat niemand had voorzien.
En dan rijst de vraag: voor wie is deze keuze eigenlijk gemaakt?
De huurling en de herder
Jezus zegt in Johannes 10 iets treffends. Hij heeft het over de huurling en over de herder. De huurling vlucht wanneer hij de wolf ziet komen, want hij is geen herder en de schapen zijn niet van hem. De herder geeft zijn leven voor de schapen.
Het kenmerk van de huurling is niet dat hij slecht werk doet. Het is dat hij weggaat zodra het hem te veel kost. Hij blijft als het meevalt. Hij gaat als het tegenvalt. Zijn aanwezigheid is conditioneel.
Het kenmerk van de herder is niet dat hij meer talent heeft. Het is dat hij blijft. Niet omdat alles goed gaat, maar omdat de schapen van hem zijn. Hij is verbonden. Hij heeft zich gegeven. Hij gaat niet weg omdat het ongemakkelijk wordt.
In een tijd waarin volwassen christenen zich snel terugtrekken uit werk dat ze eerder droegen, mogen we onszelf de vraag stellen of we herder zijn of huurling. Niet als oordeel, maar als spiegel. De vraag is niet of we het recht hebben om te gaan. We hebben dat recht. De vraag is of we, als we gaan, eerlijk durven zien wat we achterlaten.
Wat doorklinkt naar wie na ons komt
Er is een aspect dat we niet voorbij kunnen lopen, en het raakt aan iets diep in het Koninkrijk. Veel van het werk in een gemeente raakt op een of andere manier de volgende generatie. Niet altijd direct, maar vaak indirect. Wanneer mensen hun handen terugtrekken, voelen jongeren dat. Niet omdat ze het kunnen verwoorden. Maar omdat ze leren wat ze leren van wat ze zien.
Jezus zegt in Markus 9 iets dat ons stil zou moeten maken. Hij zet een kind in het midden van zijn leerlingen. Hij neemt het in zijn armen. En Hij zegt dat wie zo’n kind ontvangt in zijn naam, Hem ontvangt. Daarna komt die ernstige zin. Wie een van deze kleinen die in mij geloven tot zonde verleidt, voor hem zou het beter zijn dat hem een molensteen om de hals werd gehangen en hij in de zee werd geworpen (Markus 9:42).
We denken bij deze tekst meestal aan grof misbruik. Maar Jezus heeft het over iets breders. Over alles wat het geloof van een kleine kan doen wankelen. En het hartszeer van de jongere is bijna nooit de leer. Het is bijna altijd de mens. De volwassene die zei dat hij er zou zijn en niet kwam. De voorbeeldfiguur die liet zien dat zijn principes belangrijker waren dan zijn beloftes.
Dat hoeft niet de bedoeling te zijn van wie afhaakt. Maar dat is wel de boodschap die overkomt. En het is een boodschap waarvan we niet weten hoe lang ze blijft hangen. Waarschijnlijk lang…
De vraag voor de spiegel
Aan iedereen die op dit moment overweegt om zich terug te trekken uit een werk dat groter is dan de gemeente waar het uit voortkomt, willen we vragen.
Zou je deze beslissing ook nemen als de organiserende gemeente niet in een crisis zat? Als alles rustig was, alles soepel liep, alles zoals vorig jaar? Zou je dan zeggen dat de visie niet meer bij je past?
Als het antwoord nee is, dan weet je dat dit besluit niet over het werk gaat. Dan gaat het over iets anders dat zich aan het werk hecht. Dan is het een afgeleide. Een symptoom. Een verlengstuk van een ander conflict, dat je oplost door een handeling die niets met dat conflict te maken heeft.
En dan is het de moeite waard om stil te worden. Niet om je gevoel weg te duwen. Wel om te onderscheiden waar je gevoel bij hoort, en waar het niet bij hoort.
Trouw is geen koppigheid
We willen niet naïef zijn. Er zijn momenten waarop iemand werkelijk zijn taak moet neerleggen. Wanneer er zonde in het spel is. Wanneer er onveilige situaties ontstaan. Wanneer iemand werkelijk niet meer met goed geweten kan blijven werken aan iets waaraan hij medeplichtig wordt aan onrecht. Dat zijn ernstige momenten en ze verdienen ernstige overweging.
Maar dat is bijna nooit wat we zien. Wat we vaak zien is iets minder dramatisch en daarom misschien wel ingrijpender. Mensen die zich terugtrekken omdat de sfeer hun niet meer bevalt. Omdat hun nieuwe geestelijke richting elders ligt. Omdat hun loyaliteit verschoven is en de oude verplichtingen ineens niet meer passen bij de nieuwe identiteit.
Dat is iets anders dan een geestelijke noodzaak. Dat is een verschuiving in loyaliteit. En het is geoorloofd om te schuiven, maar het is niet geoorloofd om te doen alsof die verschuiving ons ontslaat van de mensen aan wie we ons hadden verbonden.
Paulus schrijft aan de Filippenzen iets dat hier raakt. Hij vraagt hen om eensgezind te zijn, en niet uit eigenbelang of eerzucht te handelen, maar in nederigheid de ander uitnemender te achten dan zichzelf. Laat ieder niet alleen op zijn eigen belangen letten, maar ook op die van anderen (Filippenzen 2:3,4). En dat is wat trouw aan een werk soms vraagt. Letten op het belang van de mensen die niet bij je conflict betrokken zijn. Letten op het belang van iedereen die meedoet omdat hij gelooft dat dit werk groter is dan de gemeente die het organiseert.
Slot
Het is de avond voor het kruis. Petrus zal verloochenen. De leerlingen zullen vluchten. En Jezus zegt tegen Petrus: Ik heb voor jou gebeden dat jouw geloof niet zal ophouden. En jij, als je eens bekeerd zult zijn, versterk dan je broeders (Lukas 22:32).
Daar zit een diepe waarheid in. De roeping van wie weer bij staat na te zijn omgevallen, is niet om dan zijn eigen weg te gaan. Het is om de broeders te versterken. Om bij te dragen aan wat blijft staan, ook als veel rondom ons wankelt.
Voor sommigen onder ons kan dat heel concreet iets betekenen. Het kan betekenen dat ze, ondanks alles wat ze voelen, hun ja-woord weer oppakken en gewoon doen wat ze eerder beloofden te doen. Niet omdat ze het allemaal eens zijn. Niet omdat de pijn weg is. Maar omdat een werk dat al jaren vrucht draagt, niet ophoudt waardevol te zijn omdat de mensen er omheen zijn veranderd.
We bidden voor hen. Voor iedereen die in stilte een verschuiving voelt en niet weet of hij daaraan moet toegeven of zich erin moet verzetten. Voor iedereen die zich al heeft teruggetrokken en in stilte vermoedt dat het misschien voorbarig was. Voor iedereen die nog blijft en het zwaar vindt, maar die ziet dat zijn aanwezigheid niet voor niets is.
En over dat alles staat een woord van Jezus dat het waard is om vandaag te horen. Hij zegt dat wie een beker koud water geeft aan een van zijn kleinen, zijn loon niet zal verliezen (Mattheüs 10:42). Niet één daad van toewijding gaat verloren. Niet één keer trouw blijven gaat onopgemerkt voorbij. Niet één keer in stilte je woord houden raakt zoek bij Hem.
Het werk wordt gezien. Niet door iedereen. Maar door Hem.
En dat is misschien het belangrijkste woord vandaag. Niet over verleiders of bange mensen. Niet over wie weggaat of wie blijft. Maar over de vraag die onder dit alles ligt en die we de moeite waard vinden om hardop te stellen.
Voor wie deed je het, toen je begon?
Als het antwoord op die vraag nog steeds Hem is, dan is het waard om te blijven. Ook als alles om je heen schuift. Ook als je hart een andere kant op trekt. Ook als de mensen die je vroeger naast je had nu een andere weg gaan.
Hij blijft. Wij mogen Hem daarin volgen.