Over een Schrift die kosmischer is dan onze preken, en hoofdstukken die de huiskamer ver achter zich laten
Pak je Bijbel eens van de plank. Een gebruikte Bijbel, eentje die je echt leest. Sla hem open. Welke pagina’s vouwen het makkelijkst open? Welke verzen hebben strepen, kringeltjes, ezelsoortjes? Welke passages staan in het krijt op je geheugen?
Voor de meeste van ons: Johannes 3:16. Romeinen 8:28. Psalm 23. Filippenzen 4:13. Want zo lief heeft God de wereld gehad. Wij weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede. De Heer is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft.
Mooie verzen. Ware verzen. Verzen waar gemeentes op zijn gebouwd en levens op zijn gevoed.
Maar sla nu eens Kolossenzen 1:15-20 op. Of Job 38 en 39. Of Psalm 104. Of Hebreeen 1. Of Openbaring 4. Hoe zien die pagina’s eruit in jouw Bijbel?
Bij velen: gladder. Schoner. Met minder strepen. Soms met geen strepen.
Het is niet dat we deze hoofdstukken niet kennen. We hebben ze ooit gelezen. Misschien in een doorlees-plan. Misschien tijdens een Bijbelkring. Maar ze zijn niet onze plek geworden. Wij teruggaan naar deze hoofdstukken als de aarde te krap wordt? Niet vaak. We gaan terug naar Psalm 23. We gaan terug naar Filippenzen 4. We gaan terug naar onze paadjes.
Daarmee is niets mis. Maar het verklaart wel iets. We hebben een godsbeeld dat past bij de hoofdstukken die wij intensief lezen. We missen het godsbeeld van de hoofdstukken die we overslaan.
En de hoofdstukken die wij overslaan, zijn vaak juist de hoofdstukken waar God groter is dan onze huiskamer. Waar de hemel openscheurt. Waar de zee bevolen wordt tot hier en niet verder. Waar Christus alles draagt door het Woord van Zijn kracht. Waar de levende wezens dag en nacht roepen heilig, heilig, heilig.
Wij ontmoeten de Bijbel doorgaans in haar kleinere maat. Vandaag gaan we eens langs de hoofdstukken die haar grotere maat vertegenwoordigen. Niet om de kleine maat af te schaffen. Maar om de grote maat eindelijk eens echt binnen te laten.
Genesis 1: niet de aarde, maar de hemelen en de aarde
We beginnen waar de Bijbel begint. In het begin schiep God de hemel en de aarde. Wij hebben in de gemeentes vaak veel preken gehoord over deze zin. Maar de aandacht ging meestal naar de aarde. Naar de zes dagen. Naar de schepping van de mens. Naar het paradijs en de val.
De hemel kwam er bekaaid vanaf.
Lees Genesis 1 nog eens, maar tel mee hoe vaak het Hebreeuwse shamayim voorkomt. Hemel, hemelen. Niet als bijzaak. Als hoofdrolspeler. In den beginne schiep God de shamayim en de aretz. In vers 8: God noemde het uitspansel hemel. In vers 14: God zei: er zijn lichten aan het uitspansel des hemels. In vers 16-17: God maakte twee grote lichten en de sterren. En zette ze aan het uitspansel des hemels.
Het Hebreeuwse shamayim is een meervoud. Niet de hemel. De hemelen. Het is alsof de oude Hebreeuwen al voelden dat het boven hen niet één plat plafond was, maar laag op laag op laag. Onmetelijk veel laag.
In vers 16 zegt de tekst, bijna terloops: en de sterren. Twee Hebreeuwse woorden: we’et hakkokavim. En de sterren. Dat is alles. Drie zinnen aan de zon, een halve aan de maan, twee woorden aan de honderden miljarden sterren in honderden miljarden sterrenstelsels. Bewust kort. Niet omdat ze onbelangrijk zijn. Omdat de schrijver van Genesis op het punt staat om in te zoomen op het toneel van de aarde, en de hemelen als coulissen achter laat staan, in al hun overweldigende uitgestrektheid, zonder erover uit te weiden. Wat veelzeggend is.
Stel je voor dat we Genesis 1 hadden gelezen alsof we niet wisten hoe het verder ging. We zouden zeggen: dit verhaal gaat over een God die hemelen en sterren én een aarde maakte. We zouden niet vooronderstellen dat de aarde het centrale toneel is. Wij hebben dat ingelezen. We hebben aangenomen dat alles in Genesis 1 leidt naar Adam in vers 26.
Maar misschien leidt Adam in vers 26 niet het verhaal. Misschien is hij een hoofdstuk in een veel groter verhaal. En misschien gaat dat veel grotere verhaal over een Schepper die hemelen vol sterrenstelsels maakt en daar tegelijk in komt wonen, zoals een dichter zowel het hele boek schrijft als bij elke afzonderlijke bladzijde betrokken is.
Wij zijn opgevoed met De aarde is het centrum van Gods plan. Genesis 1 zegt het zachter. Het zegt: De hemelen en de aarde zijn beide door Hem gemaakt. En in welke verhouding ze tot elkaar staan, dat laat de tekst nog open.
Job 9 en de man die de sterrenbeelden bij naam noemde
Sla Job 9 eens open. Een hoofdstuk dat zelden in Bijbelstudies aan de beurt komt. Job is in gesprek met zijn vrienden, ze hebben theologische uiteenzettingen, en plotseling, in vers 8 en 9, zegt Job iets opmerkelijks.
Hij is het, die alleen de hemelen uitspant, en op de hoogten der zee voortschrijdt. Hij is het die de Beer, de Orion en de Plejaden heeft gemaakt, en de binnenkamers van het Zuiden.
De Beer. Orion. Plejaden. De binnenkamers van het Zuiden.
Job, die we doorgaans zien als de geslagen rouwende, kent zijn sterren. Hij heeft naar boven gekeken. Hij weet welke patronen aan de hemel staan. Hij benoemt zelfs sterrenstreken op het zuidelijk halfrond, de binnenkamers van het Zuiden, regio’s van de hemel die in zijn breedtegraad nauwelijks zichtbaar zijn maar waarvan hij weet dat God ze heeft gemaakt.
Dit is een gelovige die de werkelijke hemel kent. Geen plat plafond. Geen ondergeschikt schepsel. Een uitspansel waarin God zich uitstrekt en patronen maakt en hemelen uitspant.
Latere hoofdstukken in Job zijn nog explicieter. We hebben in deel 3 al stilgestaan bij Job 38, waar God Zelf antwoordt en Hij Job ondervraagt over Plejaden, Orion en Mazzaroth. Wat ons nu opvalt: dezelfde sterrenbeelden uit Job 9, alleen nu als verwijt. Kun je de banden van de Plejaden vastbinden, of de touwen van Orion losmaken? Kun je de Mazzaroth tevoorschijn brengen op zijn tijd?
Job had naar de sterren gekeken en gedacht dat hij wist Wie ze had gemaakt. God antwoordt: ja, en weet je ook dat je niet eens een knoop van een sterrenbeeld kunt vastmaken? Het verschil tussen kijken en kunnen. Tussen herkennen en regeren. Tussen aanbidden en zelf zijn.
In de oudheid was Job, in zijn ellendige hoek van wereldverdriet, kosmischer gevormd dan de meeste van ons in 2026 met al onze telescopen. Hij zag de hemel. Hij wist Wie er achter stond. Hij was, in de ware zin van het woord, een man met perspectief.
Wat is er met óns gebeurd?
De Psalmen, het zangboek dat de hemel opent
Het Psalmenboek is voor velen een vertrouwde plek geweest. Psalm 23, 91, 121, 139. Maar er is een hele cluster psalmen die wij relatief weinig horen, en die de hemelen tot hun hoofdonderwerp maken.
Psalm 19 begint zo: De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk Zijner handen. De ene dag spreekt het overvloedig uit tot de andere dag, en de ene nacht toont het kennis aan de andere nacht.
Lees dat met aandacht. De hemelen vertellen. Het uitspansel verkondigt. De dag spreekt. De nacht toont kennis. Dit is geen plat decor. Dit is een actief sprekende werkelijkheid. Een prediker boven ons hoofd, vierentwintig uur per dag, in een taal die alle volken verstaan, ook al hebben ze geen woorden om mee te praten.
Vers 4 vervolgt: Hun richtsnoer gaat uit over de gehele aarde, hun woorden tot het einde der wereld. Een prediker met een wereldwijd publiek. Een psalm die uitdrukkelijk zegt dat de schepping zelf een boodschap draagt, die vooraf gaat aan elke gepredikte boodschap.
Pas in de tweede helft van de psalm gaat het over de wet van de Heer, over de geboden. David verbindt de twee getuigen, hemel en wet, in één lofprijzing. Beide spreken. Beide zijn betrouwbaar. Beide leiden naar God.
Wij hebben de psalm vaak gehalveerd. We pakten de tweede helft, over Gods wet die de ziel verkwikt. Mooi. Belangrijk. Maar zonder de eerste helft zwemt het in de lucht. De Psalm zegt: God laat zich kennen door de schepping én door Zijn Woord. Beide zijn nodig. Beide zijn echt. En als christenen die het laatste hebben omarmd en het eerste hebben ondergewaardeerd, dan dragen wij maar één van zijn twee benen.
Of Psalm 33, vers 6 en 7: Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest van Zijn mond hun ganse heir. Hij brengt het water der zee bijeen als op een hoop, Hij legt de afgronden in schatkamers.
De Geest van Zijn mond. Dezelfde Geest die in Genesis 1:2 over de wateren zweefde. De Schepper-adem die hemelen schept. Het ganse heir (in het Hebreeuws kol-tseva’am, alle hemellichamen). Honderd miljard miljard sterren. Door de adem van Gods mond.
Of Psalm 104, een lofzang die voor wie er oog voor heeft net zo kosmisch is als de moderne sterrenkunde. Hij maakt de wolken tot Zijn wagen, Hij wandelt op de vleugels van de wind. Hij maakt Zijn engelen winden, Zijn dienaren een vlammend vuur. Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten, zij zal nimmer wankelen.
Of Psalm 147, vers 4: Hij telt het aantal sterren, Hij noemt ze alle bij hun naam. De NASA-catalogus van bekende sterren bevat momenteel ruim een miljard objecten. De totale schatting van het aantal sterren in het waarneembare heelal ligt rond een sextiljoen, dat is een 1 met 21 nullen. Iedere ster bij naam. Niet iedere ster getelds. Iedere ster bij naam. Een persoonlijke bekendheid van de Schepper met elk van zijn sterren.
Wij ervaren het soms als wonderlijk dat God ónze naam kent. Maar dat is geen wonder, het is gewoon proportie. Als Hij de sterren bij naam kent, kent Hij ook jou bij naam. Als Hij die enorme waarheidsschaal aankan, dan is jij precies daarbinnen ook.
Spreuken 8 en de Wijsheid die mee mocht kijken
Spreuken 8 is een van de mooiste hoofdstukken in de Bijbel die wij zelden in een prek tegenkomen. De Wijsheid spreekt, en zegt dat zij er was bij de schepping.
Eer dan de bergen verzonken waren, voor de heuvels werd ik geboren. Toen Hij de hemelen gereed maakte, was ik daar. Toen Hij de boog beschreef op het oppervlak van de waterdiepte, toen Hij de wolken daarboven bevestigde, toen de bronnen van de waterdiepte versterkten, toen Hij voor de zee zijn perken stelde, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden, toen Hij de fundamenten van de aarde uitzette, toen was ik bij Hem als een kunstenaar, en was dagelijks Zijn vermaak, te allen tijde voor Zijn aangezicht spelende.
De Wijsheid speelt voor Gods aangezicht terwijl Hij de hemelen maakt. Een dichterlijk beeld. Maar voor de oude kerk, en voor de meeste theologen sinds, is deze passage een voorafschaduwing van Christus zelf. De Wijsheid die er bij was. Hij door wie alles wordt geschapen. Hij die in Johannes 1 het Woord wordt genoemd, dat in den beginne bij God was.
En als dat zo is, dan zou er bij elke berg, bij elke wolk, bij elke ster, een Wijsheid hebben staan dansen die later de naam Jezus van Nazareth zou dragen. Verbijsterend. En toch is dat de boodschap die wij in onze paasdiensten en kerstvieringen vaak helemaal niet horen.
Het hart van de Schrift: Kolossenzen 1
Wij komen nu bij wat in deze hele reeks misschien wel het belangrijkste tekstgedeelte is. Kolossenzen 1:15-20. Een passage die in veel kerken wel wordt gelezen, maar zelden volledig wordt gepreekt. Want wie hem werkelijk volgt, raakt iets aan dat veel verder reikt dan de gemiddelde belijdeniscatechisatie.
Hij is het Beeld van de onzichtbare God, de Eerstgeborene van heel de schepping. Want door Hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn: tronen, heerschappijen, overheden of machten, alle dingen zijn door Hem en voor Hem geschapen. En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan tezamen in Hem. En Hij is het Hoofd van het lichaam, namelijk van de gemeente. Hij, die het begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn. Want het heeft de Vader behaagd dat in Hem heel de volheid wonen zou, en dat Hij door Hem alle dingen met Zichzelf verzoenen zou, door vrede te maken door het bloed van Zijn kruis, ja door Hem, zowel de dingen die op de aarde als de dingen die in de hemelen zijn.
Lees deze passage zin voor zin.
Door Hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen en die op de aarde zijn. Niet alleen de aarde. In de hemelen en op de aarde.
Die zichtbaar en die onzichtbaar zijn. Niet alleen de zichtbare wereld. Ook de onzichtbare. Dimensies, krachten, structuren, geestelijke werkelijkheden waar wij geen telescoop voor hebben.
Tronen, heerschappijen, overheden of machten. Hier komen we in een woordenschat die voorbij ons gewone perspectief gaat. Dit zijn termen voor geestelijke instanties, machten in het universum, een werkelijkheid die wij grotendeels uit onze theologie hebben weggemodernisseerd, maar die voor de schrijver van Kolossenzen volstrekt vanzelfsprekend was.
Alle dingen zijn door Hem en voor Hem geschapen. Christus is niet alleen de Schepper, maar ook het doel. Voor Hem. Het hele universum, met al wat erin is, met al wat erop kan leven, gaat naar Hem toe. Zoals een rivier naar de zee.
En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan tezamen in Hem. Het Griekse woord hier, synesteken, betekent letterlijk bij elkaar gehouden. Christus houdt alles bij elkaar. Op dit moment, terwijl jij dit leest, wordt het universum bij elkaar gehouden door Hem. Niet alleen de aarde. Alle dingen. Inclusief TRAPPIST-1. Inclusief de Andromedanevel. Inclusief de zwarte gaten in het centrum van melkwegstelsels die nog niet eens zijn ontdekt.
En dan, vers 20, de zin die alles uitlegt. Het heeft de Vader behaagd dat in Hem heel de volheid wonen zou, en dat Hij door Hem alle dingen met Zichzelf verzoenen zou, door vrede te maken door het bloed van Zijn kruis, ja door Hem, zowel de dingen die op de aarde als de dingen die in de hemelen zijn.
Alle dingen. Op de aarde en in de hemelen. Door het bloed van Zijn kruis met Zichzelf verzoend.
Wat dit precies betekent, daar gaan we in latere delen op door. Voor nu zeggen we alleen: deze tekst dwingt ons om onze theologie van het kruis groter te maken dan zij veelal is. Het kruis is voor Paulus geen lokale Joodse aangelegenheid. Het is een kosmische gebeurtenis. Een verzoening die uitstraalt door alle dingen, op de aarde en in de hemelen.
Wij hebben Kolossenzen 1 vaak veranderd in een belijdenistekst over Christus’ goddelijkheid. Kijk, Hij is door wie alles is geschapen, dus Hij is God. Daar is niets mis mee. Maar de tekst doet meer. Hij verbindt de schepping en het kruis op een manier die boven onze gewone preken uitsteekt. Hij die alles maakte, heeft alles ook verzoend. Niet de mens alleen. Alle dingen.
Hebreeen 1: dezelfde melodie
Hebreeen begint precies hier. Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij in het laatste van deze dagen tot ons gesproken in de Zoon, Die Hij Erfgenaam gemaakt heeft van alles, door Wie Hij ook de wereld gemaakt heeft.
Door Wie Hij ook de wereld gemaakt heeft. Het Griekse woord hier, aionas, kun je vertalen als werelden, eeuwen, of het heelal. Christus is de architect van alle tijden en alle ruimten.
Vers 3 vervolgt: Hij, Die de afstraling van Gods heerlijkheid is en de afdruk van Zijn zelfstandigheid, en Die alle dingen draagt door Zijn krachtig woord.
Alle dingen draagt. Het Griekse pheron, draagt, ondersteunt, houdt in beweging. Christus is geen toeschouwer van het universum. Hij is de Drager. Op dit moment. Terwijl jij ademhaalt. Terwijl TRAPPIST-1 flitst. Terwijl een ster aan de andere kant van de Andromedanevel haar laatste gloed afwerpt.
Hier is een Christus die niet binnen de gemeentemuren past. Niet binnen Bethlehem alleen. Niet binnen Jeruzalem. Niet binnen de aarde. Een Christus voor wiens dragen alles bestaat.
De troonzaal: Openbaring 4
We sluiten af bij het laatste boek. Openbaring 4. Johannes ziet de hemel openstaan. Hij ziet een troon en Iemand die op de troon zit.
Rondom de troon stonden vierentwintig tronen, en op de tronen zaten vierentwintig oudsten, in witte kleren gekleed, en zij hadden gouden kronen op hun hoofden. En uit de troon kwamen bliksemen, donderslagen en stemmen. En zeven vurige fakkels brandden vóór de troon. Dat zijn de zeven Geesten van God.
En vóór de troon was een glazen zee, kristallen gelijk. En in het midden van de troon en rondom de troon waren vier dieren, vol ogen van voren en van achteren.
En de vier dieren hadden elk voor zich zes vleugels rondom, en vanbinnen waren zij vol ogen. Zij hadden geen rust en zeiden dag en nacht: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was, Die is en Die komt!
Wij zijn dit beeld kwijtgeraakt. Wij hebben het wegvertaald naar ‘apocalyptisch beeldspraak’ en het ondergebracht in een hoekje van de eindtijdsleer. Maar in het vroege christendom was Openbaring 4 een centraal beeld. Iconen, kerkmozaïeken, theologische werken: de troonzaal stond vooraan. Want Openbaring 4 zegt iets wat onze kleine theologie van God dringend nodig heeft.
God woont. Niet in jouw hart, niet alleen. God woont op een troon. Daar omheen aanbidden levende wezens vol ogen. Daar staat een glazen zee. Daar zijn zeven vurige fakkels. Daar zijn vierentwintig oudsten. Daar wordt onophoudelijk gezongen heilig, heilig, heilig. Dit is de werkelijkheid achter alle werkelijkheden. Dit is de plek waar de aarde slechts één van vele schepselen is die bewogen worden.
Wie deze troonzaal kent, gaat anders bidden. Wie weet dat zijn gebed zich voegt bij dit eeuwige heilig, heilig, heilig, kan zijn telefoon eens wegleggen, zijn drukte eens loslaten, zijn benauwdheid eens openen, en zich beseffen dat zijn kleine gebed deelneemt aan een aanbidding die de hele kosmos draagt.
Wat we missen, en hoe we het terugnemen
Wij hebben de huiselijke Bijbel. De Bijbel met streepjes bij Johannes 3:16. De Bijbel waar Filippenzen 4 zacht is van het lezen. Dat is geen schande. Dat is een fase in de geschiedenis van de kerk.
Maar er is een andere Bijbel, even authentiek, die naast onze huiselijke staat. De kosmische Bijbel. De Bijbel van Genesis 1, Job 38, Psalm 19, Psalm 33, Psalm 104, Psalm 147, Spreuken 8, Jesaja 40, Jesaja 45, Romeinen 8, Kolossenzen 1, Hebreeen 1, Openbaring 4. Een Bijbel waarin God niet alleen onze knusse Vriend is, maar de Schepper, Onderhouder en Verzoener van alle dingen, op de aarde en in de hemelen, het zichtbare en het onzichtbare.
Beide Bijbels zijn dezelfde Bijbel. We hebben hem alleen niet als geheel gelezen.
We krijgen de tweede helft terug door bewust te kiezen om die hoofdstukken vaker te openen. Door ze in onze leesplannen op te nemen. Door ze in onze gemeentes te laten lezen, niet als achtergrondmuziek tussen Romeinen en Filippenzen, maar als hoofdtekst. Door ze te bemediteren totdat hun beelden in onze ziel beklijven.
We krijgen het terug door onze taal aan te passen. Niet alleen lieve Heer, dank u voor deze dag, maar ook Heer der Heerscharen, Schepper van de hemelen, Drager van alle dingen, ontferm U over deze stad. Beide zinnen passen in een en hetzelfde gebed. Beide zinnen zijn waar.
We krijgen het terug door ons godsbeeld letterlijk groter te tekenen. Niet meer een vriendelijke begeleider in onze omgeving. Maar de troon van Openbaring 4, de Drager van Hebreeen 1, de Verzoener van Kolossenzen 1. En tegelijk, in dezelfde Persoon, de Herder van Psalm 23 en de Vriend van Johannes 15. Beide tegelijk.
Want hier ligt het wonder. Hetzelfde Boek dat ons de Schepper toont van honderden miljarden sterrenstelsels, vertelt ons dat Hij ons bij naam kent. Datzelfde Boek dat ons Christus toont als Drager van alle dingen, vertelt ons dat Hij voor ons is gestorven. Datzelfde Boek dat ons de troonzaal opent met een eeuwig heilig, heilig, heilig, vertelt ons dat Hij in een kribbe is geboren.
Klein én groot. Persoonlijk én kosmisch. Vlees én Schepper. Niet of-of. Allebei. Helemaal allebei.
In het volgende deel maken we een wandeling door de geschiedenis. We gaan kijken hoe christenen achthonderd jaar lang met de vraag hebben geworsteld of er ergens, in die immense kosmos die de Bijbel beschrijft, ook nog ander leven zou kunnen zijn. Augustinus, Aquinas, Cusanus, Bruno, Newton, Lewis. We zullen merken dat de vragen die wij stellen niet nieuw zijn. Christenen denken er al eeuwen over na. Wij zijn alleen even vergeten dat we dat doen.
Dit is het vierde deel in de dieptestudie “Voorbij de blauwe stip”. In deel 1 keken we naar het ongemak dat ontstaat wanneer de werkelijkheid groter blijkt dan ons godsbeeld. In deel 2 zoomden we in op TRAPPIST-1. In deel 3 stelden we een eerlijke diagnose: we hebben God in onze cultuur kleiner gemaakt dan Hij is. In dit deel zijn we teruggekeerd naar de Schrift om te ontdekken dat zij altijd al kosmischer was dan onze preken. In deel 5 maken we de overstap naar de geschiedenis: hoe hebben christenen door de eeuwen heen nagedacht over de vraag of er buiten de aarde ander leven kan zijn?