Over een god die past in een dagboekje, en de hemel die niet meer in onze theologie past
Op een zondagochtend in een evangelische gemeente, ergens in Midden-Nederland, staat een vrouw op tijdens het getuigenismoment. Ze heeft een mooi verhaal. Vorige week was er een belangrijke vergadering op haar werk, ze had er flink tegen opgezien, en ze had ervoor gebeden. En weet je wat? Ze had de juiste woorden gevonden. Ze had haar punt kunnen maken. De vergadering was goed afgelopen. God is zo goed, zegt ze, en de gemeente knikt instemmend.
Het is een mooi getuigenis. Niets mis mee. God is goed, en Hij hoort gebeden, en het is gepast om Hem daarvoor te danken.
Maar ergens, als je goed luistert, voel je dat dit getuigenis een afdruk is van iets veel groters dat we niet meer benoemen. Het getuigenis gaat over een werkvergadering. Het gaat over haar dag. Het gaat over haar woorden, haar zenuwen, haar uitkomst. God speelt mee. Hij is de vriendelijke regisseur op de achtergrond die haar dag van haar maakt.
En dan, op datzelfde moment, die zelfde maandagochtend dat zij haar vergadering had, stak James Webb 1,5 miljoen kilometer hier vandaan zijn vergulde spiegel uit naar TRAPPIST-1, op veertig lichtjaar afstand, om te kijken naar zeven planeten waarvan we niet weten of er leven is. En de Schepper van die zeven planeten was óók aanwezig op haar vergadering. En dat is wonderlijk. Maar het is een wonder dat we niet meer in volle omvang voelen, omdat we het kosmische perspectief uit ons godsbeeld hebben gefilterd.
Wij hebben Hem klein gemaakt. Niet boos. Niet bewust. Niet uit kwade wil. Maar wel onmiskenbaar. En het kost ons meer dan we denken.
De God die in een dagboekje past
Het begint vaak met de taal. Luister een week naar je eigen gebeden, naar de gebeden in je gemeente, naar de aanbiddingsliederen die we zingen. Welke God komen we daarin tegen?
Heel vaak: een God die heel veel met onze gevoelens te maken heeft. Hij voelt mee, Hij troost, Hij draagt ons. Hij is een vader voor de eenzame. Hij is een vriend voor wie geen vrienden heeft. Hij houdt van jou. Hij ziet jou. Hij heeft jou op het oog.
Dat is allemaal waar. Geen woord ervan is leeg. De Bijbel zegt het zelf, op tientallen plaatsen, en wel op de mooiste manier. Maar het is niet de hele waarheid. En als alleen dit deel van de waarheid blijft staan, ontstaat er iets vreemds. God begint te krimpen. Tot de maat van mijn dag. Tot de maat van mijn problemen. Tot de maat van mijn dagboekje.
De Amerikaanse socioloog Christian Smith schreef in 2005 een boek waarin hij Amerikaanse tieners interviewde over hun geloof. Wat hij ontdekte, gaf hij een naam: Moralistic Therapeutic Deism. Moralistisch therapeutisch deisme. Klinkt zwaar. Het idee is simpel. De meeste jongeren in zijn onderzoek geloofden in een vriendelijke God die wil dat we aardig voor elkaar zijn, die wil dat we ons goed voelen, die niet veel van ons vraagt en die er vooral is op de momenten dat we Hem nodig hebben. Het was geen evangelie. Het was een geestelijke wellness-programma. En, opmerkelijk, het bleek de feitelijke godsdienst van de meeste opgegroeide christenen ook te zijn.
Onze theologie heeft die toets allang niet meer gehouden. Onze taal heeft Hem klein gemaakt zonder dat wij het door hadden. Hij is een persoonlijke coach geworden. Een spirituele therapeut. Een goedaardige hemelse parkeermeester die af en toe een goede plek voor je regelt. Een vriend die luistert wanneer je belt.
Niets daarvan is verkeerd, op zich. Hij is een vriend. Hij luistert. Hij coacht, in zekere zin. Maar wie alleen die rollen ziet en de andere achter zich heeft gelaten, kijkt naar een poppetje dat hij God noemt.
A.W. Tozer en de oudtestamentische schrik
De Amerikaanse predikant en schrijver A.W. Tozer schreef in 1961 een boek getiteld The Knowledge of the Holy. Het opent met een zin die intussen klassiek is: Wat van God in onze gedachten komt, is het belangrijkste van ons. Hij ging verder: Vergeleken met onze werkelijke gedachten over God, zijn onze beleden geloofswaarheden van weinig belang. Onze ware gedachten over God liggen verborgen onder ons godsdienstig praten.
Tozer zag in zijn tijd al wat sindsdien alleen maar erger is geworden. Christenen hadden nog wel het juiste vocabulaire. Ze zeiden de juiste dingen. De Almachtige. De Heere der Heerscharen. De Eeuwige. Maar de werkelijke gedachten erachter, de onderhuidse beleving, was die van een knus huisgodje.
Het Oude Testament heeft daar geen last van. Lees Jesaja 6 nog eens. Jesaja ziet de Heer zitten op een hoge troon. De zomen van Zijn gewaad vullen de tempel. Serafs roepen het uit en de drempels schudden van het geluid. De tempel vult zich met rook. En Jesaja, die net even langskwam, valt op zijn aangezicht en roept: Wee mij, want ik verga! Ik ben een man met onreine lippen.
Dit is geen aanbiddingslied uit de Opwekkingsbundel. Dit is een man die in elkaar zakt onder de heiligheid van iets wat groter is dan hijzelf. Wee mij. Ik verga. Geen fijn dat ik bij U mag zijn, Heer. Geen wat een geweldige tijd in Uw nabijheid. Schrik. Pure schrik.
Of lees Ezechiel 1. De profeet ziet wezens met vier gezichten en vier vleugels en wielen vol ogen. Boven die wezens is er een gewelf, en op het gewelf is er een troon, en op de troon is er een gestalte als van een mens, omgeven door iets dat lijkt op vuur en regenboog. Toen ik die zag, viel ik op mijn aangezicht, schrijft Ezechiel. Niet omdat hij niets begreep. Juist omdat hij iets begreep.
Of Mozes bij de braamstruik in Exodus 3. De stem zegt: Trek je sandalen van je voeten. Of de Heer die voorbijgaat in Exodus 33 terwijl Mozes in een spleet van de rots wordt gestopt, met de hand van God die hem afdekt totdat het voorbij is.
Wij doen niet meer aan deze God. Hij komt niet langer voor in onze diensten. Hij past niet meer in onze gemeentes. Hij is wegbezuinigd ergens in de twintigste eeuw, weggewerkt naar wat we het Oude Testament zijn gaan noemen, opgeborgen in dogmaboekjes onder kopjes als ‘de heiligheid van God’ en ‘de transcendentie van God’, maar nooit nog werkelijk levend ervaren.
We hebben er een minimalistisch huisaltaartje voor in de plaats gezet.
Hoe zijn we hier gekomen?
Het is geen kwaadwillige samenzwering. Het is een gestaag proces van eeuwen. We schetsen de hoofdlijnen.
In de middeleeuwen was God enorm. Hij was de Heer der Heerscharen, de Schepper van hemel en aarde, de Rechter van de wereld. Tegelijk was Hij in zekere zin ver weg. De volksvroomheid had heiligen en Maria nodig om de afstand te overbruggen. Dat had zijn problemen, en de Reformatie heeft daar terecht op gereageerd. Solus Christus, alleen Christus is onze middelaar. Sola Scriptura, alleen de Schrift bepaalt wat we van God weten. Sola Gratia, alleen genade.
Maar de Reformatie bracht ook iets onbedoelds met zich mee. Door zoveel nadruk op de persoonlijke verhouding tussen mens en God, werd God geleidelijk privé-bezit. Mijn Verlosser. Mijn Heer. Mijn persoonlijke heiland.
In de zeventiende en achttiende eeuw kwam daar de Verlichting bij. Het wereldbeeld werd mechanisch. God werd, in het deisme, een soort horlogemaker die de boel in beweging had gezet en zich verder niet bemoeide. Voor christenen die dat afwezen, ontstond een zekere defensieve houding. Wij geloven in de levende God die Zich met ons bemoeit. Mooi gezegd. Maar de bemoeienis kromp wel beetje bij beetje in tot het persoonlijke domein.
In de negentiende eeuw kwam Friedrich Schleiermacher, en met hem de gedachte dat geloof in feite een soort gevoel is. Het schlechthinniges Abhängigkeitsgefühl, het volstrekte afhankelijkheidsgevoel. Religie als ervaring. Religie als emotie. Religie als binnenkant. De buitenkant, de wereld, de wetenschap, de geschiedenis, dat liet je over aan andere disciplines.
In de twintigste eeuw vergrootte de psychologie nog eens. Carl Jung, Carl Rogers, en in de evangelische wereld James Dobson en zijn navolgers. Geloof werd een psychische functie. God werd een innerlijke werkelijkheid. Wat Hij daarbuiten, in de structuur van de werkelijkheid, in de geschiedenis, in de kosmos, doet, schoof langzaam naar de achtergrond.
Charles Taylor, de Canadese filosoof, beschreef in zijn boek A Secular Age (2007) wat hij het ‘immanente kader’ noemt. Het idee dat alles wat ertoe doet zich binnen deze wereld afspeelt, binnen mensen, binnen relaties, binnen ervaringen. Het transcendente, dat wat boven ons uitsteekt, is daardoor naar de rand van onze gedachten geschoven. Zelfs voor christenen.
We bidden nog wel. Maar we bidden over kleine dingen. We zingen nog wel. Maar we zingen over hoe wij ons voelen. We belijden nog wel. Maar we belijden vooral persoonlijke dingen.
En ergens onderweg, zonder dat iemand het signaal gaf, is de hemel boven ons hoofd dichtgegaan. We kijken naar binnen. Wij zien onszelf. En in die spiegel zien we ook God, zoals Hij in onze lichtval verschijnt: heel persoonlijk, heel betrokken, heel klein.
De prijs die we betalen
Een te kleine God doet je geen pijn op het moment dat je Hem bedenkt. Een te kleine God doet je pijn op het moment dat de werkelijkheid groter blijkt te zijn dan Hij.
Iemand wordt ernstig ziek. Een kind sterft. Een huwelijk knapt af. Een land scheurt uiteen. Een oorlog breekt uit. Een pandemie maait een halve generatie weg. En de God die we hadden, de aardige hartdokter, weet er geen raad mee. Hij was niet ontworpen voor dit formaat verdriet. Hij was ontworpen voor parkeerplekken en vergaderingen.
Mensen verliezen hun geloof, vaak niet omdat ze de Bijbel doorzochten en tegenstrijdigheden vonden, maar omdat hun God simpelweg te klein bleek te zijn voor wat hen overkwam. Ze hadden een God die hun dag goed maakte. Toen hun leven instortte, paste Hij niet meer.
Dat is niet Gods schuld. Dat is de schuld van de versie van God die we hen hebben aangeleerd.
Dezelfde dynamiek speelt op cultureel niveau. Onze tijd is grootser dan onze theologie. Webb-telescopen, klimaatcrisis, kunstmatige intelligentie, biotechnologie, genocide, vluchtelingenstromen, een wereldorde die wankelt. De grote vragen rijzen op met een omvang waar onze huiskamer-God niet bij in de buurt komt. En jongeren voelen dat. Ze haken niet af omdat ze niet meer in iets willen geloven. Ze haken af omdat ze in iets groters willen geloven dan wat de kerk hen biedt.
We hebben hen een knuffelversie van God gegeven en ons verbaasd dat ze, eenmaal zelfstandig, niet meer komen. Ze geloofden niet minder dan wij. Ze geloofden te weinig in dezelfde te kleine God die wij belijden, en daarom eindigden ze bij niets.
Dat is geen aanklacht. Dat is een zelfdiagnose. Wij hebben dit gemaakt. En we moeten erachter komen hoe we het ongedaan maken.
Job 38, of: een andere manier om met God in gesprek te gaan
Lees Job 38 nog eens. Echt lezen. Niet vluchtig. Vier hoofdstukken aan een stuk.
Job heeft alles verloren. Zijn kinderen. Zijn vee. Zijn gezondheid. Zijn aanzien. Drie vrienden komen langs en geven hem theologische verklaringen die niet kloppen. Job worstelt met God. Hij eist een rechtszaak. Hij wil dat God antwoordt.
En dan komt God. Maar niet zoals Job verwachtte.
Wie is hij die de raad verduistert met woorden zonder kennis? Omgord nu uw lendenen als een man, dan zal Ik u ondervragen, en onderwijs Mij. Waar was u toen Ik de aarde grondde? Maak het bekend, als u inzicht hebt.
En dan begint een lijst die zich uitstrekt over vier hoofdstukken. Heb je ooit de zee bevolen tot hier en niet verder? Weet jij waar het licht woont? Heb je de schatkamers van de sneeuw gezien? Kun je de Plejaden samenbinden? Kun jij de bliksem op pad sturen?
God antwoordt Job niet met waarom. Hij antwoordt met wie. Wie ben Ik. Wie ben jij.
En aan het eind, in hoofdstuk 42, zegt Job: Ik weet dat U alles vermag, en geen plan voor U onmogelijk is. Wie is hij, vraagt U, die de raad verduistert zonder kennis? Daarom heb ik gemeld wat ik niet begreep, dingen, te wonderbaar voor mij, die ik niet wist. Slechts van horen zeggen had ik van U gehoord, maar nu heeft mijn oog U gezien. Daarom verfoei ik mijzelf en heb berouw, in stof en as.
Slechts van horen zeggen had ik van U gehoord, maar nu heeft mijn oog U gezien.
Job had een godsbeeld. Een keurig, theologisch correct godsbeeld. Het was niet eens verkeerd. Maar het was te klein. Het was van horen zeggen. Het was wat hij van anderen had geleerd. En toen God Zelf voorbijkwam, brak dat beeld in stukken. En precies in dat brekende moment, in stof en as, ontmoette Job God werkelijk.
Wij hebben gezien wat hij zag, niet altijd. Wij hebben veel van horen zeggen. Wij hebben theologie van anderen overgenomen. Onze boekenkast staat vol met goede auteurs die ons goed hebben gevormd. Maar er is een verschil tussen weten wat anderen over God hebben geschreven en zelf voor Zijn aangezicht staan.
En soms is een telescoop, of een sterrenhemel, of een dood waar je geen woord voor hebt, of een ziekenhuiskamer, het instrument dat God gebruikt om dat verschil te slechten. Hij komt voorbij. En jouw godsbeeld breekt. En achter de stukken is Hij groter dan je dacht.
Niet kleiner. Groter. Onmetelijk veel groter. Maar daardoor ook, onverwacht, dichterbij.
Jesaja 40 en het oprollen van een tentdoek
Jesaja 40 is een hoofdstuk dat veel preken haalt. Maar meestal de tweede helft. Maar wie de Heere verwachten, zullen hun kracht vernieuwen, zij zullen hun vleugels uitslaan als arenden, zij zullen lopen en niet moe worden. Mooi vers. Wordt veel gezongen. Hangt in cross-stitch boven de kapstok.
Maar het hoofdstuk begint met iets anders. Het begint met een belofte van troost aan een volk in ballingschap. Troost, troost Mijn volk, zal uw God zeggen. En dan wordt die troost onderbouwd. Met wat? Met sentiment? Met therapie? Met vriendelijke woorden?
Nee. Met kosmologie.
Wie heeft de wateren met de holte van zijn hand opgemeten, of van de hemel met een span de maat genomen, of het stof der aarde met een maatje gevat, of de bergen met een waag gewogen, en de heuvels met een weegschaal? Wie heeft de Geest des Heeren bestuurd, en wie heeft Hem als raadsman onderwezen? Met wie heeft Hij beraadslaagd, dat Hij Hem inzicht zou geven, en Hem zou onderwijzen op het pad van het recht?
Trooste Israel hoort niet eerst dat hun verdriet wordt gezien. Ze horen eerst hoe groot hun God is. Zie, de naties zijn als een druppel aan een emmer, ze worden beschouwd als een stofje aan de weegschaal. Zie, de eilanden zijn als fijn stof. Hij is het die zit boven de omtrek der aarde, waarvan de bewoners als sprinkhanen zijn. Hij is het die de hemel uitspant als een dunne doek, en hem uitspreidt als een tent om in te wonen.
En daarna, na deze immense beschrijving, komt het sentiment. Hij geeft de moede kracht. Want zie, de troost van Jesaja 40 berust er niet op dat God meeleeft op ons niveau. De troost berust erop dat onze problemen, hoe groot ook, op het niveau van God minuscuul zijn. Een ster die uitvalt is voor de Schepper minder dan de bezorgdheid van een spreeuw bij een verkeerd paadje.
Wij zijn deze troost vaak kwijtgeraakt. Onze troost is geworden: God ziet je verdriet, God huilt met je, God begrijpt het. Allemaal waar. Allemaal bijbels. Maar het is een stuk troost. Niet de hele.
De andere helft is dat Hij oneindig veel groter is dan je verdriet. En dat Zijn grootheid je verdriet niet bagatelliseert, maar omsluit. Een immense liefde die alles draagt. Een almachtige Hand die jouw kleinste pijn niet vergeet, maar Hem ook niet opzweept tot kosmische ramp. Die de proportie houdt waar wij Hem kwijt zijn.
Een grote God maakt je verdriet niet kleiner. Hij maakt het draagbaarder. Want Hij is groter dan het.
Wat we kwijt zijn, en hoe we het terugkrijgen
Wij zijn verschillende dingen kwijt. Het kosmische perspectief. De heiligheid die je doet wegzakken. De aanbidding die niet over jou gaat. Het besef dat God meer is dan jouw therapeut. Het ontzag.
We kunnen dat niet terugkrijgen door alleen maar te roepen dat het belangrijk is. We krijgen het terug door langzaam, geduldig, ons godsbeeld weer op te bouwen volgens wat de Schrift werkelijk zegt. Niet de halve Bijbel, niet de favoriete teksten, niet de geruststellende verzen. De hele Bijbel. Inclusief Job 38. Inclusief Jesaja 40. Inclusief Psalm 147. Inclusief Openbaring 4.
We krijgen het terug door soms de telefoon weg te leggen en naar buiten te gaan. Naar boven te kijken. Stil te zijn. Niet om een spirituele ervaring af te dwingen. Maar om te erkennen dat onze maat van denken en voelen krap is geworden, en dat een grotere werkelijkheid mag binnenstromen.
We krijgen het terug door de moed om in onze gemeentes anders te bidden. Niet alleen Heer, dank U voor deze dag, zegen ons werk, wees met de zieken, maar ook Heer, U die de sterren bij naam roept, U die de eilanden weegt als stof, U voor wie de naties als druppels zijn, ontferm U over deze stad, dit volk, deze planeet.
Het zijn dezelfde woorden in andere proporties. Maar de proportie verandert wat ze met je doen.
Een te kleine God laat je achter met te grote vragen. Een grotere God geeft je rust bij vragen die je niet kunt beantwoorden. Want de vragen zijn er nog wel, maar ze passen voortaan binnen Hem, niet meer buiten Hem.
De uitnodiging
In een evangelische gemeente in Midden-Nederland staat een vrouw op tijdens het getuigenismoment. Ze is dezelfde vrouw als in het begin van dit deel. Maar het is een paar maanden later. Ze deelt geen werkvergadering meer. Ze deelt iets anders.
Ze vertelt dat ze de afgelopen weken iets is gaan ontdekken wat ze nooit eerder zo had gezien. Dat de God die ze kent, dezelfde God is die de melkweg uit zijn hand schudde. Dat ze al jaren bidt tot een vriendelijke begeleider, en dat ze nu pas leert dat Hij ook de Almachtige is. En dat dat geen tegenstelling is, maar een vergroting. Dat Hij niet minder persoonlijk wordt door kosmisch te zijn. Dat Hij niet minder kosmisch wordt door persoonlijk te zijn. Beide tegelijk. Beide even sterk.
Ze huilt een beetje terwijl ze het zegt. Niet van verdriet. Van iets anders. Iets dat lijkt op het oude Hebreeuwse yir’at YHWH, het ontzag voor de Heer. Iets dat lijkt op wat David schreef, en Jesaja, en Job aan het einde.
Slechts van horen zeggen had ik van U gehoord, maar nu heeft mijn oog U gezien.
Wij weten niet of God dat in jou ook gaat doen. Wij hopen het wel. Wij denken dat dit precies het moment in de geschiedenis is waarin de Geest van God veel mensen klaarmaakt voor een grotere ontmoeting. Niet ondanks de wetenschap. Niet ondanks de vragen over leven elders. Niet ondanks de oneindigheid van het universum. Juist daardoor. Hij gebruikt het allemaal.
In het volgende deel keren we terug naar de Bijbel zelf. Want de Schrift heeft meer over de kosmos te zeggen dan we ooit hebben gepreekt. We gaan terug naar Genesis 1. Naar Job 9 en 38. Naar Psalm 8 en 19 en 33 en 147. Naar Jesaja. Naar Romeinen 1. Naar Kolossenzen 1. Naar Hebreeen 1.
We gaan ontdekken dat onze Bijbel altijd al een kosmisch boek is geweest. Wij hebben er alleen de huiskamerverzen uit gehaald.
Maar de hele kast staat nog vol. En het is tijd om er weer in te kijken.
Dit is het derde deel in de dieptestudie “Voorbij de blauwe stip”. In deel 1 keken we naar het ongemak dat ontstaat als de werkelijkheid groter blijkt dan ons godsbeeld. In deel 2 namen we de wetenschap onder de loep, en stonden we stil bij TRAPPIST-1. In dit deel hebben we naar binnen gekeken, naar onszelf, en eerlijk vastgesteld dat we God in de loop der eeuwen kleiner hebben gemaakt dan Hij is. In deel 4 keren we terug naar de Schrift om te zien wat zij werkelijk over de kosmos zegt.