// Woord vooraf:
We hebben vernomen dat deze seriereeks als te langdradig wordt ervaren. Meerdere mensen hebben ons hierover gemaild. We hebben hier over nagedacht en hebben besloten om hier een 7-delige serie van te maken in plaats van 13 delen. De kern blijft uiteraard in stand, maar sommige elementen pakken we iets bondiger aan.
Over een vraag die christenen al sinds de middeleeuwen stellen, een mythe die we kunnen begraven, en een gesprek dat al lang gaande is
Er is een misvatting die zich diep in onze tijd heeft genesteld. Hij komt in twee gedaanten, een seculiere en een vrome, maar beide vertrouwen elkaar verbazend goed.
De seculiere gedaante zegt: christenen hebben altijd geweigerd om over zulke dingen na te denken. Toen de astronomie het universum groter maakte, sloeg de kerk in paniek. Galilei werd voor de inquisitie gesleept. Bruno werd verbrand. Het christelijk geloof is in zijn diepste wezen anti-wetenschappelijk.
De vrome gedaante zegt: de Bijbel is helder, de aarde is uniek, ander leven hoort niet bij ons geloof, dus laten we ons er niet mee bezighouden.
Beide kennen ze de geschiedenis niet. Beide kennen ze de duizenden bladzijden niet die christelijke denkers in achthonderd jaar over deze vraag hebben volgeschreven. Beide kennen ze de Franciscanen niet die in de dertiende eeuw al speculeerden over honderd werelden. Beide kennen ze de bisschop van Parijs niet die in 1277 met een dossier van tweehonderdnegentien stellingen de Aristotelische afsluiting opentrok. Beide kennen ze de kardinaal niet die in 1440 schreef dat er waarschijnlijk in elke regio van de hemel bewoners zijn.
In dit deel maken we een wandeling door de geschiedenis. Geen volledige geschiedenis. Een wandeling. Stop bij de plekken die ertoe doen. We willen iets laten zien dat de meeste lezers nooit hebben geleerd. De vraag die wij vandaag stellen is geen nieuwe vraag. En de manier waarop wij hem stellen, geesteloos en verlegen, is geen christelijke traditie. Het is een afwijking van een christelijke traditie. Christenen hebben hier altijd over nagedacht. Soms boos. Soms openhartig. Soms verbeeldingsrijk. Maar bijna nooit zwijgend.
Augustinus en Aquinas: de eerste neeën
We beginnen waar het Westen graag begint: bij Augustinus. De grote kerkvader van Hippo, vierde en vijfde eeuw, was geen vriend van het idee van meerdere werelden. In zijn De civitate Dei en in zijn schepping-commentaren wees hij dergelijke speculaties af. Niet omdat hij er bang voor was, maar omdat hij de vraag overbodig vond. God heeft één wereld geschapen. De Schrift kent één wereld. Daarmee uit.
Achter zijn nee zat een filosofie. Augustinus stond in de Platonische traditie en aanvaardde, zoals zijn tijdgenoten, een kosmos die rond een centrum draaide en waar elk deel zijn natuurlijke plaats had. Een ander centrum, een andere wereld, leek onlogisch. Niet onmogelijk voor God, maar onnodig.
Acht eeuwen later kwam Thomas Aquinas, de grote dominicaan en kerkleraar, die de filosofie van Aristoteles in de christelijke theologie integreerde. Aquinas erfde van Aristoteles ongeveer hetzelfde standpunt: een wereld, en niet meer. Maar hij gaf er een eigen draai aan. God had op vele andere manieren kunnen redden, schreef hij in de Summa Theologiae (III, q1, a2). Maar Hij heeft deze manier gekozen. Geen meerdere werelden. Geen meerdere incarnaties. Eén heilsgeschiedenis. Aquinas legde dus theologisch slot op de discussie. Wat God had kunnen doen, deed Hij niet. Wat we erover wisten, kwam uit de openbaring.
Voor wie hier wil stoppen en zegt zie je wel, christenen wijzen het altijd af, één probleem. De geschiedenis stopt hier niet. Ze begint hier pas.
1277: een bisschop slaat een paal door de Aristoteles
In 1277 was de Universiteit van Parijs in beroering. Aan de artes-faculteit, het filosofische deel van de universiteit, werden Aristotelische stellingen onderwezen die theologisch op gespannen voet stonden met de christelijke leer. Paus Johannes XXI vroeg de Parijse bisschop Etienne Tempier om de zaak te onderzoeken. Op 7 maart 1277 publiceerde Tempier een lijst van tweehonderdnegentien veroordeelde stellingen. Wie ze onderwees, dreigde excommunicatie.
De lijst is curieus. Sommige stellingen zijn klassieke filosofische problemen. Maar één stelling staat er bij die voor onze reeks van belang is. Aristoteles leerde dat God geen meerdere werelden kan maken. Tempier veroordeelde dat. Niet omdat hij in meerdere werelden geloofde, maar omdat hij geloofde dat de Aristotelische metafysica God beperkte. God is almachtig, zei Tempier in de kern. Hij kan meerdere werelden maken als Hij dat wil. Wij hebben geen recht om Hem die mogelijkheid te ontzeggen.
Pierre Duhem, de grote Franse wetenschapshistoricus, schreef bijna een eeuw later een opmerkelijke zin: Als we een datum moeten kiezen voor de geboorte van de moderne wetenschap, kiezen we zonder twijfel het jaar 1277, toen de bisschop van Parijs plechtig verklaarde dat meerdere werelden konden bestaan.
Duhem overdreef misschien. Maar hij raakte iets. De condamnaties van 1277 hebben in middeleeuws Europa een ruimte geopend die honderden jaren gesloten leek. God kán meer dan Aristoteles toestaat. En vanaf dat moment werden filosofen vrij om te speculeren wat God dan nog allemaal had kunnen, of had willen, of misschien zelfs had gewild scheppen.
Kerkhistoricus Ed Grant, die zijn leven aan deze periode wijdde, vond in middeleeuwse handschriften na 1277 stelselmatig de uitdrukking secundum imaginationem. Volgens de verbeelding. Filosofen begonnen secundum imaginationem na te denken over wat zou zijn als de aarde niet het centrum was, als er meerdere werelden bestonden, als de hemel oneindig was. Het was nog geen wetenschap. Het was bedacht denken, ten dele theologisch, ten dele filosofisch. Maar de muren waren weg.
De Franciscaanse stem: Bonaventura en Vorilong
In de dertiende en veertiende eeuw was er een tweede stroming naast het thomisme. De Franciscanen. Bonaventura (1217-1274), tijdgenoot van Aquinas en biograaf van Franciscus van Assisi, was openlijker dan Aquinas. Hij schreef: God had honderd zulke werelden kunnen maken, en dan nog één die alle andere omvatte. God kon meer. Of Hij meer wilde, was een andere vraag.
Maar de echte verrassing komt van een Franciscaan die geen mens zich nog herinnert. Wilhelm van Vorilong, ook bekend als Guillaume de Vaurouillon, leefde van ongeveer 1390 tot 1463. Hij doceerde aan de Sorbonne, weigerde uit principe deel te nemen aan het proces tegen Jeanne d’Arc, en schreef een commentaar op de Sententiae van Petrus Lombardus dat tweehonderd jaar lang aan elke katholieke universiteit werd gelezen.
In dat commentaar nam Vorilong zonder verlegenheid de vraag op die ons interesseert. Wat als er meerdere werelden zijn? Stammen hun bewoners van Adam af? Hebben zij gezondigd? Heeft Christus ook voor hen gestorven?
Zijn antwoorden zijn verrassend modern. Als er andere werelden zijn, dan zouden hun bewoners niet van Adam afstammen, dus zouden ze niet onder de erfzonde vallen. Een gedachte die in deel 7 van deze reeks terugkomt als we de vraag van de imago Dei behandelen.
En dan, alsof het niets is, gaat hij verder met iets dat de adem stokt. Als de bewoners van die andere werelden gevallen waren, dan was Christus’ incarnatie en kruisdood op aarde voldoende om hen te verlossen. Hij had het kunnen doen, niet voor onze wereld alleen, maar voor oneindige werelden. Maar het zou niet passend zijn dat Hij in elke wereld opnieuw stierf.
Lees deze zinnen nog eens. Een Franciscaan in 1448 stelt openlijk dat het kruis op Golgotha kosmisch verzoenend is, en dat Hij niet in elke wereld opnieuw hoeft te sterven. Dat is in feite een vroege uitwerking van Kolossenzen 1:20. Alle dingen, op de aarde en in de hemelen, vrede gemaakt door het bloed van Zijn kruis.
Vorilong is geen ketter. Hij is geen randfiguur. Hij is een hooggeplaatste Franciscaan, een gewaardeerd theoloog, een handboekschrijver die in de eeuwen na hem aan vele universiteiten werd gelezen. En hij denkt dit gewoon op. In 1448. Zes eeuwen voordat NASA de eerste exoplaneet zou ontdekken.
Nicolaas van Cusa: de kardinaal met te veel verbeelding
Wie Vorilong durft, durft alles. Maar er was een tijdgenoot die nog veel verder ging.
Nicolaas van Cusa, 1401 tot 1464, was geen randfiguur. Hij was kardinaal. Hij was diplomaat van drie pausen. Hij was theoloog, jurist, wiskundige, mysticus, kerkbestuurder. Een man die in zijn vrije tijd een rondreis maakte langs Duitse kloosters om hervormingen door te voeren, en daarna een boek schreef over leren onwetendheid.
Dat boek heet De docta ignorantia, Over de geleerde onwetendheid, gepubliceerd in 1440. Het is een mystieke en filosofische verkenning waarin Cusanus, zoals hij ook wel wordt genoemd, de werkelijkheid wil benaderen door bewust te erkennen wat we niet weten. Onwetendheid als een manier om wijs te worden.
In dat boek schrijft hij iets wat de meeste mensen niet weten dat een kardinaal in 1440 al zo openlijk schreef. Hij stelt dat de aarde niet het centrum van het universum is. Hij stelt dat er geen vast centrum is. Hij stelt dat het universum geen rand heeft, of dat de rand zich overal bevindt. God is een sfeer waarvan het centrum overal is en de omtrek nergens. Een uitspraak die hij niet zelf bedacht, maar die hij wel adopteerde.
En hij stelt dat de hemellichamen niet leeg zijn. We veronderstellen dat in het zonnegebied bewoners zijn die zonniger, helderder, intellectueler zijn, en geestelijker dan zij die op de maan wonen, en zij die op aarde wonen. Wij geloven dit op grond van de vurige invloed van de zon, de waterachtige invloed van de maan en de zware invloed van de aarde. Op dezelfde manier veronderstellen we dat geen van de andere regio’s van de sterren zonder bewoners is, alsof er net zoveel bijzondere wereldlijke delen van het ene universum zijn als er sterren zijn, waarvan er geen aantal is.
In een tijd dat niemand wist of er zelfs maar één planeet rond een andere ster was, stelde een kardinaal van de Rooms-Katholieke Kerk dat er waarschijnlijk in elk gebied van de sterren bewoners zijn. Dat zon, maan, aarde elk hun eigen soort schepselen hebben. Dat hun aard verschilt naar de aard van het hemellichaam zelf.
Wij hebben de neiging om dit als excentriek af te doen. Mystiek geneuzel. Niet wetenschappelijk. Maar Cusanus werd in zijn eigen tijd niet veroordeeld. Zijn boek werd gelezen, zijn ideeën besproken. Toen hij stierf werd hij begraven met de eer die een kardinaal toekomt. Latere geleerden zoals Kepler, Descartes, Huygens en Voltaire citeerden hem expliciet als een gerespecteerde religieuze stem die in oneindige werelden geloofde. Hij was geen martelaar. Hij was een patriarch.
En als de geschiedenis van het denken over buitenaards leven binnen de christelijke traditie iemand een vader nodig heeft, dan is hij het.
De Bruno-mythe: laten we hem rechtzetten
Hier moet iets eerlijk worden gezegd. Want bij elke discussie over geloof en kosmische pluriformiteit duikt de naam Giordano Bruno op. Hij werd toch verbrand omdat hij in meerdere bewoonde werelden geloofde? Op het Campo de’ Fiori in Rome staat zijn standbeeld. Slachtoffer van de inquisitie. Wetenschappelijke martelaar.
Het verhaal is rommeliger dan deze samenvatting suggereert.
Bruno was een dominicaan die uit zijn orde stapte, een geweldenaar van een denker, een hermetische mysticus, en een man met opvattingen die zelfs onder de meest vrijdenkende kerkelijke instanties van zijn tijd onverteerbaar waren. In 1600 werd hij na een proces van zeven jaar in Rome ter dood gebracht. De vraag is waarom.
Volgens Frances Yates, één van de grootste Bruno-onderzoekers van de twintigste eeuw, en volgens de Stanford Encyclopedia of Philosophy, en volgens vrijwel alle moderne historici, is de mythe dat Bruno werd terechtgesteld om zijn opvattingen over een oneindig universum of meerdere werelden niet houdbaar.
Bruno werd veroordeeld voor een hele waaier theologische ketterijen. Hij ontkende de Drie-eenheid. Hij ontkende de godheid van Christus en noemde Hem een bekwame magicus. Hij ontkende de maagdelijke geboorte. Hij ontkende de transsubstantiatie. Hij beweerde dat de Heilige Geest de wereldziel was. Hij geloofde in zielsverhuizing.
Een recente studie door historicus Alberto Martinez (2016) suggereert dat de meervoudige werelden wel degelijk een rol speelden, en misschien zelfs een grote rol. Andere historici betwisten dat. De waarheid ligt waarschijnlijk in het midden. Bruno’s kosmologie en zijn theologie waren bij hem onlosmakelijk verweven. Hij was geen wetenschapper die per ongeluk in theologische problemen kwam. Hij was een mysticus die theologische opvattingen verdedigde die voor de katholieke autoriteiten een serieus probleem waren.
Wij begrijpen ons. Verbrand worden voor je geloofsovertuigingen is in elk geval onverdedigbaar. Wij vieren Bruno niet als slachtoffer en de inquisitie niet als rechter. Maar de vlotte mythe dat Bruno werd vermoord omdat hij in buitenaards leven geloofde is gewoon historisch onjuist. Cusanus geloofde in oneindige werelden, was kardinaal en stierf in zijn bed. Vorilong dacht serieus na over Christus’ kosmische verlossing en publiceerde gewoon zijn boeken. De vraag op zich is in de kerkgeschiedenis nooit een ketterse vraag geweest.
Wat wel een ketterse positie is, was alles wat Bruno daaromheen vertelde. En het is verstandig om die twee niet te verwarren.
De wetenschappelijke revolutie: Kepler, Huygens, Newton
Met Copernicus (1473-1543), die de zon in het centrum zette, kreeg de discussie nieuwe brandstof. Galileo (1564-1642) zag met zijn telescoop manen rond Jupiter en bergen op de maan. Het idee dat daarboven een andere werkelijkheid bestond, werd minder ridicuul.
Johannes Kepler, de Duitse astronoom (1571-1630), schreef een opmerkelijk boekje genaamd Somnium, een soort wetenschappelijke fantasie over een reis naar de maan, met daarin reflecties over hoe leven op de maan zou kunnen zijn. Kepler was een diepgelovige Lutheraan. Voor hem was de wiskundige harmonie van het zonnestelsel een vingerafdruk van de Schepper. Hij was niet bang voor de mogelijkheid dat de maan bewoners had. Hij was alleen niet zeker.
Christiaan Huygens, de Nederlandse natuurkundige, wiskundige en astronoom (1629-1695), ging verder. Zijn boek Cosmotheoros, postuum gepubliceerd in 1698, gaat openlijk over de vraag of de planeten bewoond zijn. Hij betoogde van wel. Hij beargumenteerde, met de logica van zijn tijd, dat een Schepper die zoveel werelden maakte, ze ook bewoond zou willen zien. Het boek was een Europese bestseller.
Isaac Newton (1643-1727) was als persoon een Bijbelvaste theoloog, schreef vier keer zoveel theologie als wetenschap, en zag in de orde van het zonnestelsel een directe manifestatie van Gods almacht. In zijn Algemeen Scholium schreef hij dat God het universum onderhoudt. Hij sloot meerdere werelden niet uit. De grootheid en pracht van de schepping past bij de oneindigheid van de Schepper.
Niemand van deze mannen werd verbrand. Niemand werd geëxcommuniceerd. Ze konden in de zeventiende en achttiende eeuw vrij over deze vragen schrijven, ze publiceerden bij gerenommeerde uitgevers, ze werden gelezen door pausen, koningen en gewone burgers, en ze hielden hun geloof zonder dat het hen brak.
De vraag of er ergens anders ook leven is was eeuwenlang een gewone vraag in de christelijke wereld. Ze werd niet altijd hetzelfde beantwoord, maar ze werd gesteld zonder schroom.
Thomas Chalmers en de reformatorische verdediging
In 1815 hield een Schotse Presbyteriaanse predikant in Glasgow zeven preken die de Britse intelligentsia in beroering brachten. Zijn naam was Thomas Chalmers (1780-1847). De preken werden in 1817 gepubliceerd onder de titel A Series of Discourses on the Christian Revelation Viewed in Connection with the Modern Astronomy.
Het probleem dat Chalmers wilde aanpakken was dit. Sceptici, zo legde hij uit, gebruiken de moderne astronomie als wapen tegen het christelijk geloof. Het universum is zo enorm, zeggen ze, dat de gedachte dat een persoonlijke God zich met deze nietige aarde bezighoudt absurd is. Hoe kan iemand geloven dat de Schepper van miljoenen werelden zich bekommert om dit ene moddervliegje?
Chalmers’ antwoord was driedelig en reformatorisch.
Ten eerste, de grootheid van God maakt zijn aandacht voor het kleine niet minder, maar meer. Een microscoop laat zien dat een druppel water zelf vol van werkende intelligentie is. Een telescoop laat zien dat sterrenstelsels vol zijn met dezelfde Hand. Beide getuigen van een God die op elke schaal aanwezig is.
Ten tweede, de aarde mag dan klein zijn, maar zij is waarschijnlijk niet uniek in haar belang. Chalmers nam openlijk aan dat er andere werelden waren met andere wezens. Hij betoogde alleen dat de aarde, vanwege de val en de verlossing, een buitengewone plek had in Gods plan. Niet de enige plek waar God werkt. De plek waar Hij iets specifieks deed.
Ten derde, de redding van Christus heeft een kosmische dimensie. Wij geloven dat het bloed dat aan het kruis vloeide niet alleen voor onze planeet was, maar voor het hele toneel van de schepping. De val raakte de hele schepping (Romeinen 8:22). De verlossing reikt even ver.
Chalmers’ boek werd in 1817 elf keer herdrukt. Het werd gelezen op alle Engelstalige kansels van de negentiende eeuw. Het is in vergetelheid geraakt, maar het verdient een nieuwe lezer in onze tijd. Want Chalmers heeft, twee eeuwen voor TRAPPIST-1, precies de discussie gevoerd die wij vandaag opnieuw moeten voeren. En hij deed het als een orthodoxe Reformatorische predikant, niet als een mysticus en niet als een ketter.
Hij was ook stichter, zoals later bleek, van de Free Church of Scotland, en bouwer van een sociaal evangelisch programma onder de armen van Glasgow. Niemand kon hem ervan beschuldigen dat hij de bodem onder zijn geloof uittrok. Hij maakte zijn geloof juist groter.
C.S. Lewis: de moderne klassicus
Tot slot moeten we naar de twintigste eeuw. En daar staat een man wiens naam we al meermalen hebben genoemd, maar die nu de aandacht verdient die hij toekomt.
Clive Staples Lewis (1898-1963) was hoogleraar middeleeuwse en renaissance literatuur in Oxford, en later in Cambridge. Hij was een van de invloedrijkste christelijke schrijvers van de twintigste eeuw. Mere Christianity. The Screwtape Letters. The Chronicles of Narnia.
Maar Lewis schreef ook een trilogie die in Nederland minder bekend is: de Space Trilogy. Out of the Silent Planet (1938). Perelandra (1943). That Hideous Strength (1945). Drie romans waarin hij speculeerde over een universum vol intelligente schepselen die niet zijn gevallen, en over hoe de aarde, de stille planeet, vanuit een kosmisch perspectief de zwarte plek van het universum is, juist omdat zij gevallen is.
Lewis dacht hierover ook in essays. In zijn artikel Religion and Rocketry, oorspronkelijk gepubliceerd in Christian Herald in 1958, behandelde hij openlijk de vraag wat de ontdekking van buitenaards leven zou doen voor het christelijk geloof. Zijn antwoord, samengevat, was een variatie op Vorilong en Chalmers. Niets fundamenteels. De Bijbel zegt nergens dat God de hele kosmos alleen voor de mens heeft gemaakt. God kan, indien Hij wil, op andere wijzen, op andere plaatsen, ander leven en andere relaties hebben. Wat Hij voor ons in Christus heeft gedaan, is in zijn aard intiem en specifiek. Het sluit andere bewegingen van Hem niet uit.
En, schrijft Lewis met de scherpte die hem kenmerkt, de mens is in geen positie om God voor te schrijven wat Hij wel of niet kan doen met de uitgestrektheid van Zijn schepping.
Waar dit ons brengt
We sluiten af met een eenvoudige conclusie. Niet als een definitief oordeel, maar als een uitnodiging.
De gedachte dat christenen pas in onze tijd, geconfronteerd met TRAPPIST-1 en James Webb, voor het eerst moeten nadenken over de kosmische schaal van het geloof, is historisch onjuist. Christenen denken hierover sinds de dertiende eeuw. Soms voorzichtig. Soms moedig. Soms verrassend ruimdenkend voor hun tijd. Augustinus en Aquinas zeiden nee. Tempier opende de deur. Bonaventura en Vorilong dachten kosmische verzoening. Cusanus geloofde in bewoners overal. Kepler en Huygens en Newton lieten ruimte. Chalmers verdedigde het reformatorisch. Lewis maakte het volkstaal.
Wij staan in een gezelschap. Het is een groot gezelschap. Het is een gezelschap waarin ketters en kardinalen, Franciscanen en Calvinisten, mystici en wetenschappers gezamenlijk hebben aangenomen dat de vraag over kosmische schaal niet aan de geloofszekerheid hoeft te knagen, maar haar juist groter kan maken.
Wat verloren is gegaan, is dit gesprek. Wij hebben het in onze gemeentes laten verdampen. Wij denken dat onze theologie pasklaar moet zijn voor het moederbord van het normale leven, en alle vragen die buiten dat formaat vallen leggen wij weg. Maar onze voorouders deden dat niet. Ze waagden zich aan het denken. Ze speculeerden secundum imaginationem. Ze hadden vertrouwen dat hun God groot genoeg was voor hun grootste vragen.
Misschien hebben wij dat vertrouwen ergens onderweg verloren. En misschien is het opnieuw in onze tijd nodig.
In het volgende deel doen we iets wat we tot nu toe niet hebben gedaan. We laten de tegenstem spreken. De stem van wie zeggen dat de aarde uniek is, dat het universum wel groot is maar geen verdere bewoners heeft, dat de zoektocht naar leven elders een dwaalspoor is. Wij gaan eerlijk luisteren. Want sommige van die argumenten zijn sterk. En een dieptestudie die alleen één kant van het verhaal vertelt, is niet diep genoeg.
Dit is het vijfde deel in de dieptestudie “Voorbij de blauwe stip”. In deel 1 keken we naar het ongemak dat ontstaat als de werkelijkheid groter blijkt dan ons godsbeeld. In deel 2 zoomden we in op TRAPPIST-1. In deel 3 stelden we vast dat we God in onze cultuur kleiner hebben gemaakt dan Hij is. In deel 4 keerden we terug naar de Schrift en haar kosmische taal. In dit deel maakten we een wandeling door achthonderd jaar christelijk denken over de vraag of er meer werelden bestaan. In deel 6 luisteren we naar de tegenstem.