Over een god die in jouw kamer paste en daar nu uit gegroeid is

Er ligt een man op zijn rug in een wei in Drenthe. Twee uur ’s nachts, ergens in juli, dekentje onder zich, een mok thee die koud aan het worden is. Geen lichtvervuiling, voor het eerst sinds jaren. Boven hem de Melkweg, dwars over de hemel, zo helder als hij hem nooit eerder heeft gezien. Hij heeft net op zijn telefoon een nieuwe opname van de James Webb-telescoop voorbij zien komen. Achtduizend sterrenstelsels, geperst in een hemelvlek ter grootte van een speldenprik. Een speldenprik. Op de hele hemel boven hem zou dat beeld zich miljoenen keren herhalen. Iedere stip op zijn scherm: een sterrenstelsel met honderden miljarden zonnen. Hij rekent het even uit en stopt dan. Het getal heeft geen zin meer.

En dan voelt hij iets schuiven.

Geen twijfel. Geen crisis. Geen donkere nacht van de ziel. Iets veel ongemakkelijkers: hij merkt dat de god die hem op de zondagsschool werd uitgelegd, die god van het flanelbord met de schapen en de herder, niet meer past op wat hij ziet. Niet omdat die god te klein is voor zijn verstand. Maar omdat die god te klein is voor de hemel.

Hij weet niet wat hij hier eigenlijk mee aan moet.

De ervaring die niemand benoemt

Misschien herken je dit. Niet per se onder een sterrenhemel in Drenthe. Misschien op een zondagavond achter de telefoon. Misschien tijdens een natuurdocumentaire. Misschien tijdens een gesprek met je puberzoon die ineens zegt: Pa, snap je hoe groot het universum is?

Het is een specifiek soort ongemak. Geen ongeloof. Geen verzet. Eerder een soort claustrofobie. Het godsbeeld dat je hebt meegekregen, voelt opeens te krap. Niet omdat het kapot is. Niet omdat je gestopt bent met geloven. Maar omdat de werkelijkheid groter blijkt dan de mal waarin het werd gegoten.

We hebben er in kerkelijk Nederland geen vocabulaire voor. We praten over twijfel, over geloofscrises, over afhakers. Maar dit is iets anders. Dit is iemand die niet wil afhaken, die juist méér God wil, en die merkt dat zijn theologie hem in de weg zit. Wie dat hardop zegt op een gemeenteavond, krijgt een stille kring om zich heen. Bid er maar voor. Niet te veel nadenken. Vertrouw op de Heer.

Dat zijn geen antwoorden. Dat zijn deuren die zachtjes worden dichtgeduwd.

En toch zit hij daar in dat weiland, en zit jij hier achter dit scherm, en weet je dat het niet weggaat met een korte preek over geloofsvertrouwen.

De cijfers waar we niet in passen

Laten we de cijfers eens noemen. Niet om indruk te maken. Maar omdat we niet langer kunnen doen alsof we ze niet hebben gehoord.

Het waarneembare heelal heeft een doorsnede van ongeveer drieënnegentig miljard lichtjaar. Daarbinnen bevinden zich, volgens de meest recente schattingen op basis van Webb-data, een paar honderd miljard sterrenstelsels. Een conservatief getal. Sommige eerdere studies kwamen uit op twee biljoen. Hoe je het ook keert, het is een aantal waar de menselijke geest niet bij kan. Als je iedere seconde een sterrenstelsel zou tellen, en je begon bij het ontstaan van de aarde, vier en een half miljard jaar geleden, dan zou je nu nog niet eens een vijftigste deel hebben gehad.

Ieder van die sterrenstelsels bevat tussen de tien miljard en duizend miljard sterren. Onze eigen Melkweg telt er ergens tussen de honderd en vierhonderd miljard. Astronomen hebben tot nu toe ruim zesduizend exoplaneten ontdekt, planeten buiten ons zonnestelsel. De schatting is dat er alleen al in de Melkweg miljarden aardachtige werelden bestaan. Op veertig lichtjaar afstand draaien rond een rode dwerg genaamd TRAPPIST-1 zeven gesteenteplaneten, waarvan er drie of vier in de zogenaamde bewoonbare zone vallen. Daar is voorlopig nog geen leven gevonden, en wellicht ook nooit. Maar de telescopen kijken er op dit moment naar.

De aarde, ondertussen, is een blauwe stip. Carl Sagan vroeg in 1990 aan NASA om Voyager 1 zich te laten omdraaien en een foto te maken van de aarde, vanaf een afstand van zes miljard kilometer. Wat hij terugkreeg was een korrel van een paar pixels. Een speldenknop in een zonnestraal. Daarop, schreef Sagan, woont iedereen die je ooit hebt gekend. Iedere koning, iedere bedelaar, iedere oorlog, iedere geliefde.

Dit is de werkelijkheid waarin wij geloven. Dit is de werkelijkheid waarin wij bidden, knielen, kerk-zijn, ruziemaken over preekstijlen en gemeentegrenzen.

En het is gewoon eerlijk om te zeggen: dit past niet zomaar in het godsbeeld waarmee we zijn opgegroeid.

De god die in jouw kamer paste

Want wat hebben we eigenlijk meegekregen?

Voor velen, en zonder oordeel: een vriendelijke god. Een god die luistert wanneer je bidt. Een god die je hand vasthoudt op moeilijke dagen. Een god die je zonden vergeeft. Een god die jouw leven plant. Een god die je een goede partner geeft, een goede baan, een goede gemeente. Een god die op een afstandje meekijkt, lichte druk uitoefent, soms dichterbij komt en soms verder weg lijkt.

Dat is geen klein godsbeeld omdat het oneerlijk is. Veel daarvan staat ook gewoon in de Bijbel. Ja, Hij is nabij. Ja, Hij hoort het gebed. Ja, Hij is geinteresseerd in jouw leven. Dat is allemaal waar.

Maar het is niet alles wat waar is.

We hebben de god van Job 38 grotendeels weggelaten. Die god die naar Job toekomt en zegt: Waar was jij toen Ik de aarde grondde? Vertel het Mij, als je inzicht hebt. Wie heeft haar afmetingen bepaald? Je weet het toch? Of wie heeft haar meetlint over haar uitgespannen? Bladzijdenlang gaat dat door. Kun jij de bliksem op pad sturen? Kun jij de vossenmoeder voeden? Kun jij Orion ontketenen? Job heeft niets meer terug te zeggen. Hij legt zijn hand op zijn mond.

We hebben de god van Jesaja 40 weggelaten. Zie, de naties zijn als een druppel aan een emmer, ze worden beschouwd als een stofje aan de weegschaal. Zie, de eilanden zijn als fijn stof. Hij is het die zit boven de omtrek der aarde, waarvan de bewoners als sprinkhanen zijn. Hij is het die de hemel uitspant als een dunne doek. Wij stellen ons graag voor dat God zich vooral met onze verdrietjes bezighoudt. Jesaja stelt zich voor hoe God de naties als druppels weegt en de hemelen oprolt als een tentdoek.

We hebben de god van Psalm 147 weggelaten. Hij telt het aantal sterren, Hij noemt ze alle bij hun naam. Honderden miljarden sterren in onze Melkweg alleen al. Honderden miljarden sterrenstelsels daarbuiten. Iedere ster bij naam.

Dit is niet de god die in jouw kamer past.

En dat is geen kritiek op de god in jouw kamer. Het is een uitnodiging om Hem ook eens buiten de kamer te ontmoeten.

David schrok ook

Hier ligt iets belangrijks waar we te makkelijk overheen lezen. Toen David Psalm 8 schreef, deed hij precies wat die man in dat weiland in Drenthe deed. Hij keek omhoog. Hij zag een nachthemel zonder lichtvervuiling, zonder telescoop, zonder Webb-data, en toch begreep hij iets wat wij vaak missen: dit is enorm.

Toen ik Uw hemelen zag, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren die U hun plaats gegeven hebt: wat is dan de mens, dat U aan hem denkt?

Lees die zin nog eens. Het is geen aanbiddingslied dat begint met Heer, U bent zo groot, en wat fijn dat U van mij houdt. Het is een lied dat begint met een soort schrik. Wat is de mens dan? Het Hebreeuws is hier scherper dan onze vertaling. Enosh. De sterveling. Het schepseltje. Ben-adam. De zoon van het stof. David ziet de sterren en hij ziet zichzelf en hij rekent niet af. Hij is verbaasd dat hij überhaupt nog meedoet in dit verhaal.

Daar zit een vingerwijzing voor wie ergens anders worstelt met dezelfde vraag. Schrik onder de hemel is geen ongeloof. Schrik onder de hemel is precies wat een goede gelovige zou moeten voelen. David werd er niet kleiner door. Hij werd er groter door, omdat zijn God groter werd.

Wij zijn dat verbazen kwijtgeraakt. We hebben de hemelen ingeruild voor het huiskamerplafond. Voor de meeste mensen blijft God nog wel in beeld, maar er steekt niets meer boven Hem uit. Hij is een soort vergrootglas op ons eigen leven geworden, niet meer de grond onder een onmetelijk universum.

David werd niet bang. Maar hij werd wel klein. En precies omdat hij klein werd, kon hij weer geloven dat de Schepper aan hem dacht. Voor wie zichzelf groot maakt, is een groot wonder lastig te erkennen. Voor wie zichzelf klein durft te zien, wordt elke aandacht van God een wonder.

Het verschil tussen God en je godsbeeld

Hier moeten we iets eerlijk benoemen. Want anders gaat de rest van deze reeks scheef.

Er is een verschil tussen God en je beeld van God.

Augustinus schreef het al kortbondig: si comprehendis, non est Deus. Als je het kunt begrijpen, is het God niet. Wie God volledig in zijn hoofd heeft passen, aanbidt iets anders. Een idee. Een constructie. Een afgodje van de juiste categorie.

Wie zijn godsbeeld kwijtraakt, raakt niet noodzakelijk God kwijt. Soms ben je dat beeld juist kwijt omdat de echte God dichterbij komt en niet meer in dat plaatje past.

Dat klinkt geruststellend, maar het is ook ongemakkelijk. Want het betekent dat je vroeg of laat door een paar van je oude beelden heen moet. Het betekent dat je niet kunt eisen dat God blijft passen op de schets die je leraar je leerde tekenen. Het betekent dat geloof iets anders is dan vasthouden aan de versie die je toevallig kreeg toebedeeld.

Het is geen relativisme. Het is geen iedereen heeft zijn eigen god. Het is precies het tegenovergestelde. Het is de erkenning dat de werkelijke God groter, meer, hoger, dieper is dan welk plaatje dan ook. En dat het kwijtraken van te kleine plaatjes geen verlies is, maar het begin van aanbidding die ergens op slaat.

Paulus schreef in 1 Korinthe 13: Wij zien nu door een spiegel in raadselen. Wij kennen ten dele. Dat is geen vroom beeld. Dat is gewoon eerlijk. Wij hebben fragmenten. Brokstukken. Glimpen. En dat is genoeg om op te leven, maar het is geen volledig portret. Wie doet alsof hij het volledige portret heeft, kent zichzelf niet.

Daarom wijken wij in deze reeks niet uit voor de moeilijke vragen. Niet omdat we God ter discussie stellen. Maar omdat we ons godsbeeld bereid zijn ter discussie te stellen. Dat is iets anders. En het is volgens ons een van de gezondste oefeningen die een gelovige kan doen.

Wat ons te wachten staat

Daarom deze reeks. Niet omdat we beweren dat er buitenaards leven is. Niet omdat we de wetenschap willen overtroeven. Niet omdat we sciencefiction willen heiligen.

Maar omdat we, eerlijk gezegd, vinden dat de westerse christenheid een vraag heeft laten liggen die te lang blijft liggen.

Wat als God groter is dan onze theologie? Wat als de schepping veel meer omvat dan wij denken? Wat als de Geest waait waarheen Hij wil, en die waarheen veel verder reikt dan onze gemeentegrenzen, ons land, onze planeet zelfs? Wat als Christus, die volgens Kolossenzen 1 alle dingen draagt en met Zichzelf verzoent, die het zichtbare en het onzichtbare schiep, het op aarde en het in de hemelen, een breder verzoeningswerk doet dan wij ons konden voorstellen?

Wat als wij, hoe goed bedoeld ook, een veel te klein godsbeeld in stand houden, en daarmee onszelf en de mensen om ons heen tekortdoen?

Wat als de groei van het universum, zoals wij dat de afgelopen honderd jaar hebben leren kennen, niet de afbraak van het geloof is, maar de vergroting ervan?

In de komende delen onderzoeken we dit stap voor stap. We bekijken TRAPPIST-1 nauwkeuriger, we keren terug naar wat de Bijbel werkelijk over de kosmos zegt, we luisteren naar wat christelijke denkers achthonderd jaar lang met deze vraag hebben gedaan, we laten ook de tegenstem horen van wie zegt dat de aarde uniek is en niets erbuiten leeft, we onderzoeken de vraag van de imago Dei, van het kruis, van de Geest, van het kwaad, van de eindtijd. En we durven uiteindelijk ook de vraag onder ogen te zien die misschien wel onder dit alles ligt: misschien bestaat God niet zoals wij Hem voor ogen hebben.

Dat klinkt riskant. Dat is riskant. Maar het is alleen riskant voor onze plaatjes, niet voor God.

Wat aanbidding wordt als de hemel groter wordt

Laat me eindigen met dit. Want anders blijft het bij denken, en dan hebben we ons doel gemist.

De man in dat weiland in Drenthe ligt nog steeds op zijn rug. Zijn thee is nu echt koud. De Melkweg staat onverstoord boven hem te draaien. Hij voelt iets verschuiven, ja, maar hij voelt ook iets anders.

Hij voelt voor het eerst sinds tijden dat het klopt.

Niet dat hij het begrijpt. Niet dat hij weet wat er nu boven in de ruimte gebeurt. Maar dat de God die de Melkweg heeft uitgeworpen ook de God is die hij elke ochtend aanroept. Dat de afstand tussen die twee niet kleiner is geworden, maar dat juist het wonder ervan groter is geworden. Een God die zo enorm is dat Hij de bouwer is van een werkelijkheid waarvan wij de randen niet zien, en die ondanks dat, of misschien juist daardoor, weet hoe jij heet.

Wat is dan de mens, dat U aan hem denkt?

David vroeg het zonder telescoop. Wij vragen het mét. Het antwoord is hetzelfde gebleven, maar de vraag is dieper geworden. En dat is precies waar wij heen willen in deze reeks. Niet naar minder geloof. Naar meer. Niet naar een kleiner Evangelie. Naar een Evangelie dat past op de werkelijkheid waar we in leven.

We gaan naar boven kijken. We gaan ons niet schamen voor wat we zien. We gaan ons godsbeeld laten vergroten door de werkelijkheid die God Zelf heeft gemaakt.

Want de stoel onder onze voeten begint inderdaad te schuiven. Maar de Rots blijft staan.

En misschien zien we Hem juist beter, als de stoel weg is.


Dit is het eerste deel in een dieptestudie van meerdere delen, “Voorbij de blauwe stip”, over wat het oneindige universum doet met onze theologie. In het volgende deel zoomen we in op TRAPPIST-1, het zonnestelsel op veertig lichtjaar afstand waar de afgelopen jaren met James Webb intensief onderzoek naar wordt gedaan, en kijken we eerlijk naar wat de wetenschap wel en niet weet.

Blijf op de hoogte 📖
Nieuwe blogs direct in je inbox.

Meld je aan en ontvang iedere zaterdagmorgen een e-mail met een overzicht van de nieuwe blogs op Woord & Geest.

We sturen alleen een mail bij een nieuw artikel. Geen spam. Lees ons privacybeleid voor meer info.