Over bijbellezen dat niet wil vlotten, geloof dat via het oor binnenkomt, en waarom dat geen schande is, maar ook niet het eindstation.
Deze site draagt het Woord in haar naam. Wie hier rondleest, ziet artikelen vol Bijbelteksten, uit Amos en Daniël, uit Johannes en Openbaring, en vormt zich vanzelf een beeld van de schrijver: iemand die elke ochtend om zes uur met koffie en een potlood boven een opengeslagen Bijbel hangt.
De werkelijkheid is bescheidener. Bijbellezen is niet mijn sterkste kant. De voornemens zijn er, de eerste hoofdstukken meestal ook nog wel, maar ergens onderweg strandt het, en dan ligt het Boek weer een tijd dicht. Een tijdje terug verscheen hier een stuk over het Boek onder het stof. Ik schreef het niet van een afstand.
En ik weet dat ik niet de enige ben. Vraag in een willekeurige kerkzaal wie er tevreden is over zijn eigen bijbellezen, en kijk hoeveel handen er omhoog gaan. Dat schuurt, zeker op een plek die naar het Woord genoemd is. Hoe kun je schrijven en spreken over een Boek dat je zelf te weinig leest? Waar komt al die kennis dan vandaan? En de vraag daaronder, de enige die er echt toe doet: kun je dicht bij Jezus leven terwijl het bijbellezen maar niet wil lukken? Ik geloof van wel. En tegelijk blijft er iets knagen. Om dat geknaag moest dit stuk er komen.
Alles gelezen, niets gezien
Er zijn altijd mensen geweest die het hele Boek kenden zonder van de Auteur te houden. En omgekeerd: mensen die van de Auteur hielden terwijl ze het Boek nauwelijks uitgelezen kregen. Wie eerlijk om zich heen kijkt, vermoedt al snel dat die tweede groep verreweg de grootste is. De meesten van ons houden meer van de Auteur dan we het Boek kennen. In dat ongemak zit de eigenlijke vraag al verstopt: waar zit het leven? In het kennen van de tekst, of ergens anders?
Jezus heeft die vraag ooit beantwoord, tegenover de beste bijbellezers die de wereld gekend heeft. Mannen die de Schriften overschreven, memoriseerden en telden tot op de letter. Tegen hen zei Hij:
U onderzoekt de Schriften, want u denkt daardoor eeuwig leven te hebben, en die zijn het die van Mij getuigen. En toch wilt u niet tot Mij komen opdat u leven hebt. Johannes 5:39-40
Alles gelezen, en het Leven zelf staat voor je neus en je loopt eraan voorbij. Bijbelkennis is dus niet het eindstation; zelfs de tekst wijst voorbij de tekst. Dat is een troost voor iedereen die met het lezen worstelt. Het is ook maar de halve waarheid, en de andere helft komt zo. Eerst die andere vraag: waar komt de kennis vandaan bij mensen die zelden lezen?
Het geloof is uit het gehoor
Want die kennis is er wel degelijk, ook bij wie het Boek vaker dicht dan open heeft. En ze kwam ergens vandaan. Niet via de ogen. Via de oren.
Een leven lang preken. Liederen die zinnen in je legden voordat je wist dat het bijbelteksten waren. Verhalen, verteld en naverteld. Gesprekken aan keukentafels. Stemmen in je oortjes onderweg. In mijn geval komt daar sinds dit voorjaar iets bij: het schrijven zelf. Voor elk artikel hier zit ik een tijdlang ín een passage. Wegen, vergelijken, terugduwen, doorvragen, schrappen wat de tekst niet draagt. Het is een andere vorm van omgang met de Schrift dan het stille kwartiertje, maar het ís omgang met de Schrift. En misschien heb jij zo je eigen vorm, zonder dat je die ooit hebt meegeteld.
En dan iets wat mij verraste toen het kwartje viel: wie moeite heeft met zelf lezen, is in de kerkgeschiedenis geen vreemde uitzondering. Het was eeuwenlang de regel.
Het overgrote deel van alle christenen die ooit geleefd hebben, heeft nooit zelf in de Bijbel gelezen. Ze konden niet lezen, of een handgeschreven Bijbel kostte meer dan een jaarloon, of allebei. Het Woord was voor hen geen leesboek maar een luisterboek. Ezra las de wetsrol voor op een plein, van de vroege morgen tot de middag, aan een volk dat stond te luisteren en in huilen uitbarstte om wat het hóórde (Nehemia 8). Paulus schreef zijn brieven om voorgelezen te worden in de samenkomst, en droeg gemeenten op ze aan elkaar door te geven (Kolossenzen 4:16). Aan Timoteüs geeft hij het gewoon als opdracht mee: blijf bezig met het voorlezen (1 Timoteüs 4:13). Hardop en samen was zó de norm dat Augustinus er eeuwen later verbaasd over schrijft dat bisschop Ambrosius kon lezen zonder zijn lippen te bewegen. En Paulus vat het principe zelf samen:
Zo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God. Romeinen 10:17
Het stille kwartiertje met een eigen, gedrukte Bijbel is een zegen, maar ook een jong voorrecht: het werd pas mogelijk na de boekdrukkunst en na eeuwen van leren lezen. De meeste gelovigen uit de geschiedenis ontvingen het Woord zoals Romeinen 10 het beschrijft: via het oor. Zelf lezen is een geschenk. Het is nooit de toelatingseis geweest.
En toch wringt het
Hier zou het stuk kunnen stoppen. Historisch gelijk, iedereen opgelucht, klaar. Maar dan zou het liegen, want het wringt nog steeds. En het wringt om een goede reden.
Wie zelden zelf leest, krijgt het Woord bijna altijd voorgekauwd. De voorganger koos de tekst én de uitleg. De liedschrijver koos welke regel rijmde en welke sneuvelde. De podcast koos wat boeide. En de schrijver van een stuk als dit kiest net zo goed: welke verzen hij aanhaalt en welke hij laat liggen. Veel van wat wij van het Woord weten, is door minstens één paar andere handen gegaan.
Meestal gaat dat goed. Maar deze site bestaat mede omdat het niet altijd goed gaat. Doorgevers kunnen kleuren, aandikken, weglaten; lang niet altijd expres. Daarom klinkt hier onder zoveel stukken hetzelfde grondwoord: onderzoek alles, behoud het goede (1 Tessalonicenzen 5:21). In Handelingen 17 krijgt de gemeente van Berea een compliment om jaloers op te worden: ze ontvingen de prediking gretig, én ze zochten dagelijks zelf in de Schriften na of het klopte wat Paulus zei. Ze namen zelfs een apostel niet zomaar op zijn woord. Toetsen kan alleen wie zelf naslaat. Daar knelt het, bij mij net zo goed als bij ieder ander die vooral van horen zeggen leeft.
En er is nog iets, iets kleiners en eerlijkers. Misschien zit er onder al dat niet-lezen soms ook angst. Stel dat je het Boek openslaat, zelf, een heel hoofdstuk lang, en er gebeurt niets. Geen brandend hart, geen aanraking, alleen oude zinnen en je eigen afdwalende gedachten. Wat zegt dat dan? Zolang het Boek dicht blijft, kun je blijven geloven dat het geladen is. Zodra je leest, kan het tegenvallen. Misschien houden we de kaft soms gesloten om de teleurstelling voor te blijven. Dat is geen theologie. Dat is zelfbescherming, en zelfbescherming is nog nooit een goede reden geweest om bij God uit de buurt te blijven.
Waar een hart gaat branden
Terug naar de vraag onder alle vragen: kun je dicht bij Jezus leven terwijl het bijbellezen niet wil vlotten?
Twee mannen liepen ooit van Jeruzalem naar Emmaüs, en de opgestane Jezus zelf kwam naast ze lopen. Hij legde ze onderweg de Schriften uit, van Mozes tot de profeten. Ze lazen die middag geen letter; ze hoorden. En ’s avonds zeiden ze tegen elkaar: was ons hart niet brandend in ons, toen Hij onderweg met ons sprak en voor ons de Schriften opende (Lucas 24:32)? Het hart ging branden bij het horen. En het omgekeerde bestaat ook: de kamerling uit Handelingen 8 zat wél zelf te lezen, met de rol van Jesaja op schoot, en vroeg: hoe kan ik begrijpen wat ik lees, als niemand mij de weg wijst? Lezen zonder stem erbij was ook maar het halve verhaal. Niet het lezen redt een mens, en trouwens ook niet het horen. De Persoon redt, en Hij komt door allebei heen naar mensen toe.
Jezus legt de lat dan ook ergens anders dan wij. Als een vrouw uit de menigte roept dat zijn moeder gelukkig te prijzen is, antwoordt Hij: zalig zijn zij die het Woord van God horen en het bewaren (Lucas 11:28). Horen en bewaren. Vasthouden, doen, erin blijven. Er staat niet: uitlezen. De schriftgeleerden hadden alles uitgelezen en bewaarden niets. De Emmaüsgangers lazen niets en renden nog diezelfde avond terug naar Jeruzalem, met een hart dat brandde.
Een geloof dat via de oren binnenkwam, is dus niet nep. Het kwam binnen zoals het bij miljarden mensen binnenkwam, en zoals Paulus zegt dat het binnenkomt. Maar klaar zijn we daarmee niet. Want wie eenmaal weet dat het hele Boek over Hém gaat, wil op een dag niet meer alleen van horen zeggen leven. Al is het maar om één keer de mensen van Berea na te doen.
Waar te beginnen
Ik ga hier geen beloftes doen, en jou al helemaal geen leesplan opleggen. Bijbel in een jaar; we weten hoe dat afloopt, ergens half februari, gestrand tussen de offerwetten van Leviticus.
Maar er is een deur die vaak wordt overgeslagen, en hij is kleiner dan je denkt. Als het geloof uit het gehoor is, dan mag bijbellezen ook bij het oor beginnen: luisteren. Een voorgelezen evangelie, onderweg, in dezelfde oortjes waar al zoveel doorheen kwam. Zelf begin ik bij Lucas. Want Lucas schreef zijn evangelie voor één man, Theofilus, en zet er in de openingszinnen bij waarom: opdat u de betrouwbaarheid zou kennen van de dingen waarin u onderwezen bent (Lucas 1:4). Theofilus had alles van horen zeggen. En iemand vond dat hij het recht had om het na te gaan. Voor zulke mensen is er een evangelie geschreven.
Voor mensen zoals wij, dus.
Herken je dit? Je bent met meer dan je denkt; er zitten zondag heel wat mensen in de kerk bij wie de Bijbel thuis vaker dicht dan open ligt. Schaamte is een slechte leraar, dus begin niet bij schuld maar bij honger. Zet vanavond eens een voorgelezen hoofdstuk op, of vraag iemand in je gemeente om samen te lezen, hardop, zoals het eeuwenlang ging. Het Woord is nooit bedoeld geweest om er alleen mee te blijven.
Nawoord
Ik mag dit niet alleen doen. Achter Woord&Geest staat een fijn team van correctoren. Ze komen uit alle lagen van de samenleving en kennen elkaar niet eens; wat hen bindt is de zorg voor wat hier verschijnt. Twee van hen gaan zelf regelmatig voor en schrijven af en toe een eigen stuk voor de site, maar allemaal lezen ze elk artikel na en lopen het na voordat het online komt. Inmiddels heeft de site bijna drieduizend vaste bezoekers per week, en juist daarom voelen zij zich geroepen om ook de kwaliteit te borgen. Daar ben ik dankbaar voor. Tussen de lezers zitten ook kerkleiders, kerkelijk werkers en anderen die in kerkelijk Nederland werkzaam zijn. Het is meer dan eens gebeurd dat de inhoud van een artikel enige tijd later terugkwam in een kerkdienst.
En er is nog iets waar ik dankbaar voor ben, iets wat alles te maken heeft met wat je hierboven gelezen hebt. Die correctoren doen aan discipelschap richting mij. Door hun feedback ben ik de Bijbel eindelijk structureler gaan lezen, langer en dieper, en begrijp ik Hem steeds beter. Wat ik in dit stuk beschrijf is dus geen eindpunt maar een beginpunt: ik schrijf het als iemand die zelf onderweg is, geholpen door mensen die het Woord beter kennen dan ik. Zo hoort het ook. Niemand leert het Boek in zijn eentje.