Dit is het vervolg op ‘De stem die mijn naam kende‘. Het verhaal van Tariq is fictief, maar de patronen zijn dat niet. De vernedering, de verstoting, de eenzaamheid, het zijn ervaringen die duizenden voormalige moslims herkennen. De namen en details zijn verzonnen. De pijn niet.

Het artikel verscheen op een donderdagochtend. Ik had het geschreven omdat iemand het mij vroeg. Iemand van een christelijke website die verhalen zocht van mensen die vanuit de islam tot geloof in Jezus waren gekomen. ‘Je hoeft je echte naam niet te gebruiken,’ zei hij. Dat klonk veilig. Ik schreef het onder een andere naam. Ik veranderde details. Ik dacht dat het genoeg was.

Het was niet genoeg.

Ik weet niet hoe ze erachter zijn gekomen. Misschien was het de manier waarop ik schreef. Misschien herkende iemand het verhaal van de bakker en het gebedskleed tussen de motoren. Misschien heeft iemand het herleid via de website, via een reactie, via een gedeelde link in een groepsapp. In de islamitische gemeenschap gaat informatie sneller dan licht. Niet via de krant. Via de thee. Via de fluistering na het vrijdaggebed. Via de blik van een oom die je aankijkt alsof je iets onherstelbaars hebt gedaan.

Mijn neef Youssef belde mij als eerste.

‘Tariq. Wat heb je gedaan.’

Het was geen vraag. Het was een vonnis.


Laat me je vertellen hoe verstoting werkt in een islamitische familie. Want het is niet zoals in een Nederlandse familie, waar je een ruzie hebt en dan een paar weken niet belt en dan weer bij elkaar komt met koffie en een ongemakkelijke stilte. Het is niet tijdelijk. Het is niet onderhandelbaar. Het is een amputatie.

In de islam is afvalligheid, riddah, niet zomaar een persoonlijke keuze. Het is verraad aan alles wat heilig is. Je verlaat niet een geloof. Je verlaat je familie. Je volk. Je eer. Je verleden en je toekomst. In veel islamitische tradities wordt een afvallige beschouwd als iemand die dood is. Niet figuurlijk. Mijn moeder heeft na het telefoongesprek met Youssef letterlijk rouwgebeden uitgesproken. Alsof ik was gestorven. Alsof de zoon die zij had gedragen en gevoed en voor wie zij had gebeden, er niet meer was.

Mijn vader belde niet. Mijn vader liet bellen. Via Youssef. Via mijn oom. Via de imam van de moskee waar ik als kind de Koran had leren reciteren. De boodschap was telkens dezelfde: kom terug. Beken schuld. Spreek de shahada uit. Dan is het voorbij.

Maar het was niet voorbij. Het kon niet voorbij zijn. Want je kunt niet terugkeren naar een huis waarvan je hebt ontdekt dat het geen dak heeft. Je kunt niet doen alsof je de hemel niet hebt gezien.

Ik zei nee.

En toen werd het stil.


Stilte is erger dan schreeuwen. Dat heb ik geleerd. Schreeuwen is tenminste contact. Schreeuwen betekent dat iemand je nog ziet. Stilte betekent dat je bent uitgewist.

Mijn vader blokkeerde mijn nummer. Mijn moeder ook, hoewel ik vermoed dat iemand anders dat voor haar heeft gedaan. Mijn zus, met wie ik als kind alles deelde, stuurde mij een laatste bericht: ‘Je hebt ons allemaal verraden. Ik heb geen broer meer.’ Daarna niets. Geen verjaardag. Geen Eid. Geen stem aan de telefoon.

Op sociale media werd ik verwijderd uit elke familiegroep. Foto’s waarop ik stond werden bijgesneden of gewist. Mijn neef Youssef plaatste een bericht in de familieapp, ik hoorde het later via een kennis, waarin hij schreef dat de familie ‘een lid had verloren aan kufr’. Ongeloof. Het woord alleen al. Alsof ik niet meer geloofde. Terwijl ik voor het eerst van mijn leven echt geloofde.

Er waren ook mensen buiten de familie. Oude vrienden uit de moskee die mij berichtjes stuurden. Niet om te vragen hoe het ging. Om mij te waarschuwen. ‘Je weet wat er met murtaddin gebeurt, Tariq.’ Afvalligen. Het woord werd gebruikt als dreigement. Niet altijd expliciet. Soms gewoon een koranvers, zonder context, zonder toelichting. Soera 4:89. Wie het kent, weet genoeg.

Ik wil eerlijk zijn: ik was bang. Niet elke dag. Maar op sommige avonden, als het donker was en ik alleen in mijn kamer zat, vroeg ik mij af of iemand mij zou komen zoeken. Niet met woorden.

Peter zei dat ik aangifte moest doen. Ik deed het niet. Want bij wie doe je aangifte van een gebroken hart?


Er is een pijn die niemand je kan uitleggen tenzij je hem hebt gevoeld. Het is de pijn van het juiste doen en er alles voor verliezen. Het is de pijn van weten dat je moeder vanavond aan tafel zit en doet alsof de stoel waar jij zat er nooit heeft gestaan. Het is de pijn van je zusje horen lachen in een herinnering en weten dat ze die lach niet meer met jou zal delen.

Het is de pijn die Jezus kent.

Dat besefte ik pas later. Niet meteen. In het begin was ik boos. Op God, als ik eerlijk ben. Ik had gedaan wat Hij vroeg. Ik was Hem gevolgd. Ik had alles opgegeven. En dit was het resultaat? Eenzaamheid? Angst? Een moeder die rouwt om een levende zoon?

Ik stopte een tijdlang met bidden. Niet met het islamitische gebed, dat was al gestopt. Maar met bidden uberhaupt. Ik kon de woorden niet vinden. Ik zat op de rand van mijn bed en staarde naar de muur en voelde niets. Geen man in het wit. Geen vrede. Geen stem die mijn naam zei. Alleen stilte.

Peter kwam langs. Niet met antwoorden. Met pasta. Hij zette een bord voor me neer, ging in de stoel tegenover me zitten, en at mee. We zeiden niets. Twintig minuten lang. Toen stond hij op, waste de borden af, en zei bij de deur: ‘Hij is er nog, Tariq. Ook als je Hem niet voelt.’

Ik haatte die zin op het moment dat hij hem uitsprak. Een maand later begreep ik hem.


De eerste keer dat ik naar de kerk ging, was ik misselijk van de zenuwen.

Niet omdat ik bang was voor de christenen. Maar omdat ik bang was voor mezelf. Want een moskee verlaten is een ding. Een kerk binnenstappen is iets anders. Het is het moment waarop het onherroepelijk wordt. Je kunt tegen je familie zeggen dat je ‘aan het zoeken’ bent. Dat klinkt nog onschuldig. Maar een kerk binnenlopen is een grens oversteken waar geen weg terug van is.

Peter ging met me mee. Natuurlijk ging Peter mee.

Het was een gewone gemeente. Niet groot, niet klein. Geen lichtshow, geen band met rookmachines. Gewoon mensen. Een zaal met stoelen. Koffie die te sterk was. Een voorganger die sprak alsof hij het zelf ook nog aan het ontdekken was.

Niemand staarde. Niemand vroeg waar ik vandaan kwam. Een vrouw bij de deur gaf me een hand en zei: ‘Welkom. Fijn dat je er bent.’ Dat was alles.

Ik huilde tijdens het eerste lied. Niet omdat het lied zo mooi was. Het was eerlijk gezegd een beetje vals. Maar omdat ik ergens was waar mensen samen zongen voor dezelfde God die mijn naam had gezegd, en niemand eiste dat ik eerst iets bewees. Niemand vroeg of ik genoeg had gevast. Niemand controleerde of mijn Arabisch goed genoeg was. Ik mocht er zijn. Zoals ik was. Met mijn gebroken hart en mijn lege handen.

In de islam had ik altijd volle handen nodig. Vol met gebeden, met goede daden, met bewijs dat ik het waard was. Hier stond ik met lege handen. En iemand zei: dat is precies goed zo.


Na een paar maanden vroeg iemand van de gemeente of ik wilde helpen met het gebouwbeheer.

Ik moest lachen. Gebouwbeheer. Ik had een ingenieursopleiding. Ik had verwacht dat God mij zou roepen tot iets groots. Preken misschien. Of zendingswerk. Iets met een podium en een microfoon. Iets waarmee ik kon bewijzen dat mijn offer het waard was geweest.

In plaats daarvan kreeg ik een sleutelbos en een lijst met taken. Stoelen klaarzetten op zaterdagavond. Controleren of de verwarming werkte. De toiletten checken voor de dienst. Koffieapparaat bijvullen. Lampen vervangen.

Ik vond het vernederend. In het begin.

Totdat ik op een avond alleen in de zaal stond, de stoelen aan het neerzetten was, en mij realiseerde wat ik aan het doen was. Ik maakte een plek klaar waar mensen God konden ontmoeten. Elke stoel die ik neerzette was een uitnodiging. Elke lamp die ik vervangde zorgde ervoor dat iemand de woorden in het liedboek kon lezen. Elke kop koffie die ik schonk was een ‘welkom, fijn dat je er bent’.

Ik was een Peter aan het worden. Niet met grote gebaren. Met stoelen en koffie en werkende verwarmingen.

En ik begreep iets wat ik in de islam nooit had begrepen: dienen is geen vernedering. Dienen is de taal die Jezus spreekt. Hij waste voeten. Hij brak brood. Hij maakte plaats voor anderen. De Koning van het universum pakte een handdoek en knielde.

Als Hij kan knielen, kan ik stoelen klaarzetten.


Maar laat me je niet wijsmaken dat de pijn weg is. Dat zou een leugen zijn. En ik heb genoeg geleefd in leugens.

De pijn zit erin als een splinter die te diep zit om te trekken. Hij doet niet altijd zeer. Soms vergeet je hem zelfs. Maar dan ruik je iets, een kruid dat je moeder gebruikte, de geur van kardemom in een Turkse winkel, en het is alsof iemand de splinter omdraait.

Ik mis de ramadan. Dat klinkt vreemd, misschien. Waarom zou je iets missen uit een geloof dat je hebt verlaten? Maar ik mis niet het geloof. Ik mis de geborgenheid. Het samen vasten. Het samen breken van het brood bij zonsondergang. De iftar met de hele familie rond de tafel, mijn moeders harira-soep, mijn vaders gebed, mijn zusje dat stiekem al at voor de zon helemaal onder was.

Ik mis het gevoel van behoren. Van weten dat je ergens bij hoort zonder dat je het hoeft uit te leggen. In de islam hoorde ik erbij door geboorte. In het christendom moet ik het elke dag opnieuw voelen. En sommige dagen voel ik het niet.

Er zijn momenten waarop ik aan de keukentafel zit, alleen, en denk: was het dit waard? Je hele familie. Je hele verleden. Je hele identiteit. Voor een man in het wit die je naam zei in een droom?

En dan hoor ik het weer. Niet in een droom. Dieper dan een droom. In een plek in mijn borst waar de splinter zit, waar de pijn zit, waar de leegte zit die mijn moeder heeft achtergelaten. Daar, precies daar, zegt Hij mijn naam. Niet als troost. Als waarheid. Alsof Hij zegt: Ik weet het. Ik weet wat het kost. Ik heb het zelf betaald.

En dan weet ik het weer. Het was het waard. Niet omdat de pijn weg is. Maar omdat de pijn niet het laatste woord heeft.


Laatst liep ik na de dienst naar de koffietafel. Ik schonk een beker in voor een man die ik niet kende. Hij was voor het eerst. Dat zag ik aan de manier waarop hij om zich heen keek, een beetje onwennig, een beetje argwanend, zoals een dier dat niet zeker weet of het veilig is.

‘Welkom,’ zei ik. ‘Fijn dat je er bent.’

Hij keek me aan. Donkere ogen. Een gezicht dat ik herkende, niet de persoon, maar de uitdrukking. De uitdrukking van iemand die iets zoekt en niet weet wat het is.

‘Dank je,’ zei hij. Met een accent dat ik kende.

Ik gaf hem zijn koffie. Ik vroeg niets. Ik drong niets op. Ik stond er gewoon.

Want ik weet nu hoe het werkt. Je brengt een bord eten. Je zet een stoel klaar. Je schenkt een kop koffie. En je laat de rest over aan de Man in het wit.


Ik vertel je dit niet om je te ontroeren. Ik vertel je dit omdat er kosten zijn aan het evangelie die we in het Westen zijn vergeten.

In Nederland kun je christen worden zonder er iets voor te verliezen. Je meldt je aan bij een gemeente, je koopt een bijbel bij de boekhandel, je vertelt het aan je ouders en misschien trekken ze hun wenkbrauwen op. Dat is het.

Voor mij kostte het alles. Voor duizenden voormalige moslims kost het alles. En toch kiezen zij. Elke dag opnieuw. Niet omdat het makkelijk is. Maar omdat je, als je eenmaal de stem hebt gehoord die je naam kent, niet meer terug kunt. Je wilt niet meer terug. Zelfs als je moeder rouwt. Zelfs als je vader zwijgt. Zelfs als je zus doet alsof je nooit hebt bestaan.

Want er is iemand die zegt dat je wel bestaat. Iemand die dat al zei voordat je geboren was.

En soms, op de moeilijkste avonden, als de splinter draait en de keukentafel leeg is en de kardemom in de lucht hangt, dan fluistert Hij opnieuw: ‘Tariq. Ik ben er. En Ik ga nergens heen.’

Dat is genoeg. Niet omdat de pijn stopt. Maar omdat de liefde groter is.

En als jij vanavond een buurman hebt die zoekt, een collega die twijfelt, een medestudent die ’s nachts wakker ligt, weet dan dit: jij hoeft hem niet te redden. Dat doet de Man in het wit. Maar jij kunt de stoel klaarzetten. De koffie inschenken. Er zijn.

Dat kost je bijna niets. En het kan iemand alles geven.


Dit verhaal is fictief, maar de patronen zijn gebaseerd op getuigenissen van voormalige moslims die met verstoting, bedreiging en eenzaamheid te maken kregen na hun bekering. Volgens Open Doors ervaart de meerderheid van moslimbekeerlingen wereldwijd een vorm van sociale uitsluiting of familiaire verstoting. Veel van hen vinden hun eerste gemeenschap niet via een preek, maar via een gebaar. Een bord eten. Een stoel. Een kop koffie. Als je wilt bijdragen aan zending, hoef je niet ver te reizen. Soms is de eerste stap een sleutelbos en een koffieapparaat.

Blijf op de hoogte 📖
Nieuwe blogs direct in je inbox.

Meld je aan en ontvang iedere zaterdagmorgen een e-mail met een overzicht van de nieuwe blogs op Woord & Geest.

We sturen alleen een mail bij een nieuw artikel. Geen spam. Lees ons privacybeleid voor meer info.