Vorige week schreven we over een vrouw die enkele maanden voor haar overlijden aan haar gemeente vertelde waar ze haar kracht vandaan haalde. Niets zal ons scheiden. Er kwamen reacties op. Lieve reacties, dankbare reacties. En één mail die ik niet meer kwijtraak.
Een lezeres bedankte ons voor het stuk. Ze herkende veel en ze had respect voor wat die vrouw had gezegd. Maar bij één ding haakte ze af: de gedachte dat God je de kracht geeft om alles te dragen.
Zij heeft zelf intens veel meegemaakt. En op een gegeven moment merkte ze: ik trek het niet. Ik kan dit niet dragen. Ze schreef het niet als verwijt en niet als drama, gewoon als hoe het is. En ze zit daar nog steeds. Ik heb haar mail vaker gelezen dan ons eigen stuk. Dit is mijn antwoord. Niet om haar te corrigeren, maar omdat ze iets aanraakt wat wij te snel hadden afgerond.
Een paar dagen voor die mail keek ik het journaal. Weer Gaza, weer een aantal doden waar je aan gewend bent voordat de presentator is uitgesproken. Er was een massabegrafenis, voor kinderen. Iemand vertelde over een man die drie kinderen in één keer was kwijtgeraakt. En toen kwam dat beeld. Een man met een klein lichaam in een wit doek tegen zijn borst, onderweg naar het graf.
Het is het beeld dat je bovenaan deze blog ziet.
Ik weet niet hoe hij heet. Ik weet niet eens zeker of hij de vader was over wie werd verteld. Maar ik weet wat ik zag. Iemand die niet verdrietig was, niet in de rouw, maar gebroken. Iemand die nog loopt, nog ademt, nog een lichaam draagt, terwijl alles wat hem tot vader maakte is weggevaagd.
Het was bijna ondraaglijk om naar te kijken. En als het al bijna ondraaglijk is om naar te kijken, wat is het dan om het te zijn?
Ik zet die man en onze lezeres niet naast elkaar om ze te vergelijken. Pijn is geen wedstrijd. Dit is ook geen stuk over wie er schuld heeft in Gaza; dat gesprek is belangrijk, maar het wordt elders gevoerd. Maar ze stellen allebei dezelfde vraag, de een met woorden en de ander met zijn ogen. En die vraag gaat over één zin.
Je kent hem. God geeft je nooit meer dan je kunt dragen. Misschien heb je hem zelf gezegd, op een kaartje, aan een ziekenhuisbed, in een appje. Het klinkt als troost. Het klinkt zelfs als Bijbel. Maar het staat er niet.
De tekst waar het meestal op leunt is 1 Korintiërs 10:13. Daar schrijft Paulus dat God trouw is en ons niet boven ons vermogen laat verzoeken. Het gaat over verleiding: de neiging om af te haken, terug te vallen, de makkelijke weg te nemen. Paulus belooft dat er bij elke verzoeking een uitweg is. Hij belooft niet dat een vader die drie kinderen begraaft dat wel aankan.
Sterker nog, dezelfde Paulus schrijft een paar jaar later aan dezelfde gemeente over zijn eigen leven dat hij en zijn reisgenoten “bovenmate zwaar belast zijn geweest, boven onze kracht, zodat wij zelfs aan het leven wanhoopten” (2 Korintiërs 1:8). Boven onze kracht. De apostel zelf zegt: dit was meer dan wij konden dragen.
Dus: kun je het dragen? Kun je drie kinderen tegelijk begraven? En misschien ook je vrouw, je huis, je straat? Kun je verlies op verlies dragen, tot er niets meer over is om mee te dragen?
Nee.
Dat kan niet. Niet met genoeg geloof, niet met genoeg gebed, niet met de juiste tekst op het juiste moment. Er bestaat verlies dat groter is dan een mens. Wie dat ontkent, doet die vader in Gaza tekort. En hij doet onze lezeres tekort, die niet minder gelovig is omdat zij brak waar een ander overeind bleef.
De Bijbel ontkent het ook niet. Integendeel. Je kent de verhalen vast. Elia gaat onder een bremstruik liggen en zegt: “Het is genoeg! Neem nu, HEERE, mijn leven” (1 Koningen 19:4). Dat is iemand die het niet trekt. En wat doet God? Geen preek, geen terechtwijzing, geen tekst over vertrouwen. Een engel brengt brood en water en laat hem slapen. En nog een keer. En de engel zegt erbij dat de weg anders te lang voor hem is. God zelf erkent dat het te zwaar is. De vrienden van Job doen eerst het enige goede wat ze in het hele boek doen. Ze zitten zeven dagen en nachten bij hem op de grond en zeggen niets, “want zij zagen dat zijn smart zeer groot was” (Job 2:13). Het gaat pas mis als ze gaan uitleggen.
Psalm 88 eindigt in het donker. Geen wending, geen “maar U, HEERE”. Gewoon donker. En die psalm staat in de Bijbel, gebeden door generaties gelovigen. Alsof God wil zeggen: ook dit gebed mag.
En Jezus zelf. In Gethsemane zegt Hij dat zijn ziel “zeer bedroefd is, tot de dood toe” (Matteüs 26:38), en Lucas vertelt dat er een engel uit de hemel kwam “die Hem versterkte” (Lucas 22:43). Zelfs de Zoon van God droeg dat uur niet alleen. En bij het graf van Lazarus, wetend dat Hij hem zo zou opwekken, staat er: “Jezus huilde” (Johannes 11:35). Tranen zijn blijkbaar niet het tegendeel van geloof.
De vrouw uit ons in memoriam zei dat ze het kon dragen. Ik geloof haar; ze heeft het tot het einde laten zien. Maar haar getuigenis is een getuigenis, geen meetlat. Wat voor haar waar was, is geen opdracht voor iedereen.
Ze zei trouwens zelf iets wat makkelijk over het hoofd wordt gezien: God vraagt niet het onmogelijke, alleen wat je kunt. Net als die vrouw in Marcus 14 over wie Jezus zei dat ze gedaan had wat ze kon. Soms is wat je kunt bijna niets. Opstaan. Eten. Slapen, zoals Elia. Dan is dat genoeg.
En ze sloot af met Romeinen 8. Kijk eens wat daar eigenlijk staat. Paulus belooft niet dat jij het volhoudt. Hij zegt dat niets, ook de dood niet, “ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus” (Romeinen 8:38-39). Dat is een belofte over Gods greep, niet over de jouwe. Je kunt loslaten, en toch niet los zijn.
Een paar verzen eerder staat er iets wat een site die Woord en Geest heet niet mag overslaan: “En zo komt ook de Geest onze zwakheden te hulp. Want wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort, maar de Geest Zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen” (Romeinen 8:26). Als je zelf niet meer kunt bidden, wordt er nog steeds gebeden. Als jij het niet meer kunt dragen, wordt er nog steeds gezucht. Niet door jou. Voor jou.
In het in memoriam haalden we ook Deuteronomium 33 aan: “onder u zijn eeuwige armen”. Onder. Armen die onder je zijn, voel je meestal pas als je valt. Dat klinkt mooier dan het voelt, dat weet ik. Maar het betekent wel dat vallen geen falen is.
Waarom? Waarom deze kinderen, waarom deze vader, waarom zij? Waarom grijpt een God die almachtig is niet in?
Ik ga hier geen antwoord geven. Niet omdat het niet belangrijk is, maar omdat ik het niet heb. En ik vertrouw iedereen die het precies wel heeft een beetje minder.
Er zijn vragen waar we in dit leven waarschijnlijk nooit een antwoord op krijgen. Paulus zegt het zelf: “Want nu kijken wij door een spiegel in raadselen” (1 Korintiërs 13:12). Pas later zullen we kennen zoals we gekend zijn. Later. Niet nu.
En dat is onvoldoende.
Ik wil dat woord laten staan. Het voldoet niet. Als je bij een graf staat met je kind in je armen, voldoet “later” niet. “Ooit begrijpen we het” voldoet niet. Ook de belofte dat God alle tranen zal afwissen (Openbaring 21:4), hoe waar en hoe kostbaar ook, wist vandaag nog geen enkele traan af. De tranen van die man lopen nu. Die van onze lezeres ook.
Geloven betekent niet dat je dat gat dichtpraat. Geloven betekent dat je met dat gat leeft. Dat je de vragen houdt, ze aan God voorlegt, ze desnoods naar Hem schreeuwt. En dat Hij jou niet loslaat, ook als jij het allang niet meer kunt.
Er is één tekst die ik niet kwijtraak sinds ik dat beeld zag. Mozes herinnert Israël eraan hoe God hen door de woestijn heeft gedragen, “zoals een man zijn zoon draagt” (Deuteronomium 1:31).
Ik schrijf het met schroom op. Het is geen pleister en het verklaart niets. Het maakt het verlies van die man niet kleiner. Maar het zegt wel iets over wie God wil zijn. Niet de God die op afstand zegt dat je het wel aankunt. Maar een Vader die weet hoe het is om een kind te dragen. Die zijn eigen Zoon heeft zien sterven, en daar nooit een prettig verhaal van heeft gemaakt.
De vraag is dus misschien verkeerd gesteld. Niet: kun jij dit dragen? Het antwoord daarop is nee. Maar: wie draagt jou, als jij het niet meer kunt?
Dat is geen antwoord op het waarom. Dat blijft open. Dat blijft onvoldoende. Maar het is het enige waar ik me aan vast kan houden als ik naar die ogen kijk.
Aan jou die ons mailde:
Dank je. Je mail heeft ons stuk eerlijker gemaakt.
Je hoeft het niet te trekken. Je hoeft niet sterker te zijn dan je bent, en je hoeft ook niet te doen alsof je verder bent dan je bent. Dat jij het niet kon dragen, zegt niets over de grootte van je geloof. Het zegt iets over de grootte van wat je overkwam.
We hebben geen antwoord voor je. Alleen dit: je staat in goed gezelschap. Elia onder zijn struik, Job op de grond, Paulus die aan het leven wanhoopte, en Jezus in de hof. Niemand van hen trok het alleen. En niemand van hen werd losgelaten.
Heer, wij begrijpen het niet. Waarschijnlijk gaan we het niet begrijpen zolang we hier zijn. Draagt U die vader in Gaza, want niemand anders kan het. Draag haar die ons schreef, ook als ze het niet voelt. Draag onze lezers in een vergelijkbare situatie. Draag ons allen, als wij het niet meer kunnen.
Amen.
AI transparantie: Over het beeld bovenaan, dat is niet de echte foto. Ik heb drie screenshots uit de journaaluitzending van vrijdag 2 oktober 12.00 uur aan een AI-programma gegeven, dat daar een nieuwe weergave van heeft gemaakt. Zo kan ik je laten zien wat ik zag, zonder de originele beelden over te nemen. Het beeld is dus een benadering.