Over een beeld tussen de tuinkabouters, een vader die een wereld zonder lijden bouwde, en waarom een half miljard mensen leeft bij wat één prins ontdekte.

Hij staat in het tuincentrum, ergens tussen de barbecues en de vijverfolie. Hoofd licht gebogen, ogen dicht, een glimlach die nergens last van heeft. Je kunt hem krijgen in beton, in polyresin en in “antiek goud”, vanaf twaalf euro vijftig. Er staat er een in duizenden Nederlandse badkamers, naast de geurkaarsen, en niemand die het gek vindt.

De Boeddha is de meest gedomesticeerde religiestichter ter wereld. Wij hebben zijn hoofd tot sfeerartikel gemaakt. Maar vraag de koper bij de kassa wie deze man eigenlijk was, wat hij ontdekte en waarom ongeveer een half miljard mensen vandaag bij zijn leer leeft, en het wordt stil.

Daarom beginnen we deze serie, zoals beloofd in deel 1, niet bij onze mening maar bij het verhaal. Eerst vertellen, zo eerlijk dat een boeddhist zichzelf erin herkent. De weging komt, maar niet vandaag. Vandaag lopen we eerst rond, zoals Paulus in Athene.

De vader die het lijden buitensloot

Het verhaal begint ongeveer vijf eeuwen voor Christus, aan de voet van de Himalaya, in wat nu Nepal is. Daar wordt in een vorstenhuis een zoon geboren: Siddhartha Gautama. Volgens de overlevering doet een ziener bij zijn geboorte een voorspelling die zijn vader nooit meer loslaat: dit kind wordt óf een groot koning, óf een groot heilige die de wereld verzaakt.

Zijn vader wil de koning. En dus doet hij wat elke ouder ergens herkent, maar dan met de middelen van een vorst. Je kind valt op de stoep en je zou de stoep willen slopen; deze vader kón dat. Hij bouwt om zijn zoon een wereld zonder lijden. Paleizen voor elk seizoen. Muziek, schoonheid, overvloed. Oude mensen worden uit het zicht gehouden, zieken geweerd. Volgens de legende haalden de tuinlieden zelfs ’s nachts de verwelkte bloemen weg, zodat de prins nooit iets zou zien dat vergaat.

Het werkt, bijna dertig jaar lang. Siddhartha trouwt, krijgt een zoon. En dan gaat het mis, precies zoals de ziener zei.

Op een dag rijdt hij met zijn wagenmenner de paleispoort uit, en hij ziet een man zoals hij nog nooit iemand gezien heeft: krom, grijs, tandeloos. Wat is er met hem, vraagt de prins. Hij is oud, heer, zegt de menner. Dat overkomt ons allemaal. Bij een volgende rit ziet hij een zieke, daarna een lijkstoet. Drie ritten, drie ontdekkingen: ouderdom, ziekte, dood. De muur die zijn vader dertig jaar overeind hield, stort in drie zinnen in.

Bij de vierde rit ziet hij iets anders: een rondtrekkende asceet, een man die alles heeft opgegeven, met een gezicht dat rust uitstraalt te midden van dezelfde wereld die de prins net heeft leren vrezen. Dat beeld laat hem niet meer los.

Hoeveel van dit verhaal geschiedenis is en hoeveel legende, weten we niet precies; de oudste volledige biografieën zijn eeuwen later opgeschreven. Maar dit is het verhaal zoals boeddhisten het zelf vertellen, en het vertelt precies waar het boeddhisme over gaat: over de vraag wat je doet met een wereld waarin alles wat je liefhebt, vergaat.

De nacht dat hij wegging

Kort daarna staat Siddhartha ’s nachts op. Hij loopt naar de kamer waar zijn vrouw en zijn pasgeboren zoon slapen, kijkt nog één keer, en maakt ze niet wakker. Dan rijdt hij de poort uit, snijdt zijn haar af, ruilt zijn vorstelijke kleren met een bedelaar en verdwijnt de nacht in.

Wie het verhaal eerlijk vertelt, vertelt ook dit: de weg van de Boeddha begint met een afscheid zonder gedag te zeggen. Volgens de overlevering had hij zijn zoon kort daarvoor een naam gegeven die zoiets betekent als boei of keten. Onthoud dat detail, we komen er in deel 3 op terug.

Zes jaar lang zoekt hij het in de uiterste zelfverloochening, samen met vijf andere asceten. Hij vast tot hij naar eigen zeggen zijn ruggengraat kon voelen als hij zijn buik aanraakte. Het brengt hem geen bevrijding, alleen de rand van de dood. Op een dag neemt hij rijstepap aan van een meisje uit een dorp, en zijn vijf metgezellen keren hem vol afschuw de rug toe: de zoeker is bezweken.

Maar juist daar vindt hij zijn eerste inzicht: niet de weelde van het paleis en niet de zelfkwelling van de asceet, maar een middenweg. Hij gaat zitten onder een vijgenboom, de boom die later de bodhiboom zal heten, en neemt zich voor niet op te staan voordat hij het antwoord heeft. De verhalen vertellen hoe Mara, de verzoeker, alles op hem afstuurt: begeerte, angst, twijfel. Hij blijft zitten. En bij het aanbreken van de dag, zo gaat het verhaal, ontwaakt hij.

Dat is letterlijk wat het woord betekent. Boeddha is geen naam maar een titel: de ontwaakte. In een hertenkamp bij Benares houdt hij zijn eerste toespraak, voor de vijf mannen die hem hadden opgegeven. Wat hij daar deelt, wordt het hart van een wereldreligie.

Wat hij onder de boom ontdekte

De kern van zijn leer past in vier zinnen, de vier edele waarheden. Maar onderschat ze niet om hun eenvoud; er leven meer mensen bij deze vier zinnen dan er Europeanen bestaan.

De vier edele waarheden in het kort

  1. Het leven is dukkha: lijden, of breder, het knagende gevoel dat niets ooit helemaal voldoet.
  2. Dukkha heeft een oorzaak: tanha, de dorst. Begeerte, gehechtheid, het eeuwige willen.
  3. Waar de dorst dooft, dooft het lijden. Dat doven heet nirvana, letterlijk: uitwaaien, zoals een kaarsvlam.
  4. Er is een weg die daarheen leidt: het achtvoudige pad.

Dat woord dukkha verdient even aandacht, want “lijden” dekt het maar half. Het gaat ook over het wiel dat net niet soepel loopt. De vakantie die toch tegenvalt. De aankoop die na drie weken gewoon een ding is. Het stille “is dit alles?” op een verjaardag waar niets mis mee is. De Boeddha zegt: dat gevoel is geen bedrijfsongeval van het leven, het ís het leven, zolang je blijft dorsten.

En de dorst is het probleem. Niet de dingen zelf, maar het grijpen ernaar. We hechten ons aan wat vergaat, en dus lijden we. Zijn oplossing is even logisch als radicaal: laat het grijpen los. Het achtvoudige pad is daarvoor de training, samen te vatten in drie gebieden: wijsheid (juist inzicht), ethiek (juist spreken, juist handelen, geen levend wezen schaden) en meditatie (juiste aandacht, juiste concentratie). Geen god die je redt, geen offer dat voor je gebracht wordt. Een pad dat je loopt. Zelf.

Dat laatste is geen slordigheid van ons, het is de kern. De Boeddha heeft nooit beweerd een god te zijn, en over de vraag of er goden of een God bestaan, weigerde hij zich uit te spreken. Beroemd is zijn gelijkenis van de man die door een giftige pijl is getroffen en weigert behandeld te worden voordat hij weet wie er schoot, uit welke familie de schutter kwam en van welk hout de pijl was gemaakt. Die man sterft met al zijn vragen, zei de Boeddha. Ik leer maar één ding: er zit een pijl in je, en hoe je hem eruit krijgt.

Zelfs de ziel liet hij los. Er is volgens hem geen vast “ik” dat na de dood verhuist naar een volgend leven; er is alleen een vlam die van kaars op kaars overspringt, karma dat doorgeeft wat jouw daden in beweging zetten. Volgens de overlevering waren zijn laatste woorden, na vijfenveertig jaar onderwijs: vergankelijk is alles wat ontstaan is; werk met toewijding aan je bevrijding.

Uit die woorden groeiden stromingen die onderling flink verschillen, van het strenge Theravada in Thailand en Sri Lanka tot het brede Mahayana van China en Japan, het Tibetaanse boeddhisme en het Japanse zen. En in het Westen ontstond nog een variant: een boeddhisme zonder wedergeboorte en zonder kloosters, teruggebracht tot meditatie-app en tuinbeeld. Daarover later in deze serie meer.

Wat hij goed zag

Nu eerlijk zijn, want dat hebben we beloofd. Er zijn dingen die deze prins scherper zag dan wij vaak durven.

Om te beginnen: zijn eerlijkheid over het lijden. De Boeddha begint waar wij wegkijken. Onze cultuur verstopt de dood achter ziekenhuisdeuren, plamuurt de ouderdom weg met crèmes en noemt verdriet een stoornis. Wij bouwen, met andere woorden, allemaal ons eigen paleis van Siddhartha’s vader, met muren van entertainment en agenda’s zonder gaten. De eerste edele waarheid sloopt dat paleis in één zin. En laten we het dichter bij huis zeggen: de Boeddha is over het lijden eerlijker dan menig welvaartsprediker. Wie belooft dat geloof een garantie is op gezondheid en voorspoed, wordt door deze heiden beschaamd.

De Bijbel kent die eerlijkheid trouwens ook, en wel in een heel boek. Prediker staart net zo onverschrokken naar de vergankelijkheid als de prins bij de lijkstoet:

IJdelheid der ijdelheden, zegt Prediker, ijdelheid der ijdelheden! Alles is ijdelheid!

Prediker 1:2

Een lucht, een zucht, een damp: zo noemt Prediker alles onder de zon. Een christen die de eerste edele waarheid hoort, hoeft dus niet in de verdediging te schieten. Wij hebben ons eigen boek dat hetzelfde ziet.

Ten tweede: zijn diagnose van de begeerte. De Boeddha zag vijfentwintig eeuwen geleden al wat wij pas doorkrijgen als het karretje vol zit en het hart leeg blijft: dat de dorst zelf het probleem is, en dat meer drinken van hetzelfde water de dorst niet lest. Er staat inmiddels een industrie van miljarden omheen die precies die dorst aanwakkert, elke dag, in je broekzak. En ook hier knikt de Schrift mee: waar komen al die conflicten bij u vandaan, vraagt Jakobus, en hij antwoordt zelf: uit uw begeerten, die strijd voeren in uw binnenste. Dat begeerte een mens tot slaaf kan maken, is geen oosters idee. Het staat in onze eigen brieven.

En ten derde: de aandacht. De Boeddha nam wakker leven serieus. Niet verdoofd door bezit, niet verstrooid door duizend prikkels, maar aanwezig bij wat is. Je kunt daar lacherig over doen, tot je bedenkt hoe vaak Jezus zijn leerlingen op het hart drukte: waakt. Slaapwandelend leven is ook geen christelijk ideaal.

Wie dit alles bij elkaar optelt, begrijpt waarom een half miljard mensen deze weg gaat, en waarom ook in ons land mensen die de kerk moe zijn, uitkomen bij het kussentje en de stilte. Ze vinden daar iets wat ze hier soms misten: ernst zonder goedkope troost.

Maar er blijft een vraag liggen

En toch. Wie het verhaal helemaal uitvertelt, stuit op een vraag die steeds groter wordt.

De diagnose van de Boeddha is vlijmscherp. Maar de remedie? Als gehechtheid de wortel van het lijden is, dan is onthechting de weg eruit. Dat klinkt bevrijdend, tot je bedenkt wat hechting nog meer heet. Liefhebben ís je hechten. Wie een kind krijgt, geeft het lijden een gijzelaar in handen. Wie trouwt, tekent voor toekomstig verdriet. De prins zag dat haarscherp, en hij trok de conclusie die erbij hoort: hij noemde zijn zoon een keten, en hij vertrok in de nacht.

De vraag die dit tweeluik openhoudt, is dus deze: is de uitweg uit het lijden het doven van de liefde die het lijden mogelijk maakt? En wat als er een andere weg bestaat, niet om het lijden heen en niet eruit, maar er dwars doorheen?

Want vijfhonderd jaar na Siddhartha verliet nog een Prins zijn paleis. Ook Hij zag de oude man, de zieke en de dode. Maar Hij liep er niet bij vandaan. In deel 3 leggen we de twee wegen naast elkaar: nirvana naast opstanding, uitdoving naast liefde, het achtvoudige pad naast genade. En heel praktisch: hoe je hierover praat met je collega die mediteert, zonder angst en zonder debatwedstrijd.

Nog even dit. Dit stuk gaat over levensbeschouwingen, maar lijden is nooit theorie. Als ouderdom, ziekte of dood op dit moment jouw werkelijkheid zijn, dan is een artikel niet de plek waar je gedragen wordt. Zoek de mensen op die je naam kennen, in je gemeente, aan je keukentafel. Een tekst kan iets openleggen; dragen doen mensen.

Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht.

Jesaja 53:3

Blijf op de hoogte 📖
Nieuwe blogs direct in je inbox.

Meld je aan en ontvang iedere zaterdagmorgen een e-mail met een overzicht van de nieuwe blogs op Woord & Geest.

We sturen alleen een mail bij een nieuw artikel. Geen spam. Lees ons privacybeleid voor meer info.