Dinsdagavond, buurthuis of sportschool, twintig matjes op de vloer. Het licht is gedimd, er staat een plantje, iemand zet muziek op met veel ruimte erin. En dan zegt de docente: we beginnen met een paar zonnegroeten.
Er wordt gestrekt en gebogen, handen omhoog, naar voren vouwen, plank, opkijken, terug. Vijf keer, tien keer. Aan het einde van het uur lig je stil op je rug, en zegt ze namasté. Je zegt het terug, want dat doet iedereen, en je stapt de avondlucht in met een lijf dat losser is dan een uur geleden.
Naar schatting doet meer dan een miljoen Nederlanders dit met enige regelmaat, en een flink deel daarvan is christen. En vrijwel niemand op die matjes weet wie er in de zonnegroet gegroet wordt. Dus dat gaan we uitzoeken. Zoals beloofd in deze serie: zonder paniek en zonder schouderophaal.
Wat yoga oorspronkelijk is
Het woord betekent juk, of verbinding. Dat is meteen de kern: yoga is een methode om het zelf te verbinden met het goddelijke, of preciezer, om te ontdekken dat die twee nooit gescheiden waren. Wie deel 4 heeft gelezen, herkent de gedachte: atman en Brahman zijn één, de druppel en de oceaan.
De klassieke tekst zijn de Yoga Sutra’s van Patanjali, ergens rond het begin van onze jaartelling opgeschreven. Daarin staat een pad van acht onderdelen, en dat is voor ons het belangrijkste feit van dit hele artikel. Van die acht gaat er precies één over lichaamshoudingen. De andere zeven gaan over morele geboden, zelfdiscipline, ademhaling, het terugtrekken van de zintuigen, concentratie, meditatie, en ten slotte samadhi: de versmelting waarin het onderscheid tussen jou en het al wegvalt. Yoga is dus in oorsprong geen bewegingsleer met een spiritueel randje. Het is een verlossingsweg, waarvan het strekken de voorbereiding is.
Later, ergens vanaf de elfde eeuw, ontstaat hatha yoga, de tak die het lichaam serieus neemt als instrument, met houdingen en ademtechnieken en met een energieleer erachter: kanalen in het lichaam, chakra’s, een kracht die langs de ruggengraat omhoog gewekt wordt.
En wat er in de sportschool van geworden is
Nu het deel dat de meeste christenen niet weten, en dat het gesprek een stuk rustiger maakt.
De yoga van jouw dinsdagavond is grotendeels een uitvinding van de twintigste eeuw. Toen de Indiase monnik Vivekananda in 1893 in Chicago het Westen kennis liet maken met yoga, sprak hij nauwelijks over houdingen; hij had het over meditatie en filosofie. De reeksen die wij nu doen, kregen hun vorm in India in de jaren twintig en dertig, in een tijd waarin lichaamsopvoeding populair was en Britse gymnastiek, Deense turnoefeningen en Indiase worsteltradities elkaar tegenkwamen. Leraren als Krishnamacharya en zijn leerlingen, onder wie Iyengar, zetten daar een systeem van neer dat vervolgens de wereld over ging. Ook de zonnegroet zoals wij hem kennen, is als vaste reeks pas in die periode populair geworden.
Dat maakt de oorsprong niet onschuldig, maar wel eerlijk: wie zegt dat elke beweging op dat matje rechtstreeks uit een tempel komt, klopt historisch niet. En wie zegt dat het gewoon rekken en strekken is, klopt ook niet, want de reeks heet niet voor niets zonnegroet. Surya is in India een god, en de groet was bedoeld als eerbetoon aan de zon.
Zo staan we dus met twee waarheden tegelijk in onze handen. Dat is precies het ongemak van dit onderwerp, en precies de reden dat er in de kerk zo hard over geruzied wordt.
Wat het goed ziet
Voordat we wegen, eerst de eerlijkheid die deze serie zichzelf oplegt.
Yoga neemt het lichaam serieus, en wij niet. Er zit in onze traditie een oude, hardnekkige scheur die zegt dat het lichaam het minst belangrijke deel van je is: de ziel doet ertoe, het vlees is een omhulsel, geloven doe je van je nek tot je kruin. Die gedachte is niet Bijbels maar Grieks, en ze heeft ons meer schade gedaan dan we beseffen. De Schrift is van begin tot eind lichamelijk. God vormt een mens uit stof. Hij wordt zelf vlees. Hij eet gebakken vis na zijn opstanding. En Paulus schrijft niet dat we onze gedachten moeten aanbieden:
Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst.
Romeinen 12:1
Er is nog iets. Mensen komen bekaf op dat matje. Ze werken te veel, slapen te weinig, scrollen zich leeg en voelen hun eigen lijf pas weer als er iets kapot is. Een uur waarin je niets moet presteren en niemand iets van je wil, is voor veel mensen het enige rustpunt van de week. Dat verlangen is echt. En het is een eerlijke vraag of onze gemeenten daar iets tegenover zetten, of dat ook de zondag inmiddels een agenda-item met een taakverdeling is geworden.
En tot slot: yoga leert geduld met je lichaam. Niet harder, niet meer, niet sneller. Er is een vorm van zelfaanvaarding in die onze prestatiecultuur niet kan leveren en veel kerkmensen ook niet van zichzelf gunnen.
Waar het schuurt
En toch is niet alles op dat matje neutraal, en het is geen bangigheid om dat te zeggen.
De kern van het probleem is niet je hamstring. Het is de theologie die er in veel lessen bij geleverd wordt, meestal in de vorm van vriendelijke zinnetjes die niemand toetst. Het goddelijke in jou. Verbind je met de energie van het universum. Jij bent al heel. Dat klinkt als wellness, maar het is een leer, en wel dezelfde als in deel 4: jouw diepste zelf is God. Namasté betekent dan ook zoiets als ik buig voor het goddelijke in jou.
Het evangelie zegt iets anders, en het is niet minder mooi. Je bent geen vonkje van het goddelijke dat zichzelf moet herinneren. Je bent een schepsel, geliefd, met een naam, en je eenheid met God komt niet uit ontdekking maar uit verzoening, van buitenaf, door Iemand die daarvoor betaalde. Het verschil tussen die twee is niet klein: het is het verschil tussen jezelf vinden en Iemand ontmoeten.
En dan de houdingen zelf. Hier moeten we oppassen voor twee overdrijvingen. De ene zegt dat een houding een soort bezwering is en dat je met de neerwaartse hond ongemerkt een godheid aanroept. Dat is magisch denken, en het past niet bij een God die naar je hart kijkt. De andere zegt dat het lichaam volstrekt niets betekent en dat vorm er nooit toe doet. Maar dat gelooft geen christen echt. Wij knielen, wij vouwen handen, wij heffen handen op, wij staan op als het Evangelie gelezen wordt. Wij weten dat houding en hart met elkaar praten; anders zouden we het niet doen. Wie zegt dat lichaamshoudingen betekenisloos zijn, zaagt aan de tak waarop de eredienst zit.
De eerlijke conclusie is daarom niet spannend, maar wel bruikbaar: het gaat om wat er gezegd, geleerd en bedoeld wordt, en om waar jouw hart heen gaat terwijl je daar ligt.
Nog één ding dat de discussie vaak stilzet. De felste critici in de kerk en veel hindoes zelf zijn het op één punt roerend eens: yoga is niet zomaar gymnastiek, maar hoort bij een traditie. Hindoeïstische organisaties hebben er campagnes voor gevoerd, omdat ze het pijnlijk vinden dat het Westen de vorm meeneemt en de bron weglaat. Dat is een eerlijk verwijt. Wie yoga van alles ontdoet en er een lifestyle van maakt, doet iets wat wij in deze serie vaker zagen: de Boeddha in het tuincentrum, Holi als dansfestival. Respect betekent ook dat je niet doet alsof iets nergens vandaan komt.
Paulus en het afgodenvlees
Gelukkig hoeven we hier geen nieuw denkraam voor te bouwen, want de eerste christenen hadden precies dit probleem. Ze woonden in steden waar het vlees op de markt eerst in een tempel was geofferd. Mocht je dat eten?
Paulus geeft geen simpel ja of nee. Hij zegt drie dingen tegelijk, en alle drie zijn ze hier bruikbaar.
Ten eerste: een afgod stelt niets voor, dus het vlees is gewoon vlees. Koop het en eet het, zegt hij, zonder eindeloos onderzoek voor je geweten. Dat is een verrassend ontspannen houding voor iemand die de eerste christenen door vervolging heen loodste.
Ten tweede: maar doe niet mee aan de offerdienst zelf. Je kunt niet aan de tafel van de Heer zitten en aan de tafel van de demonen. Waar iets werkelijk aanbidding is, is de grens hard.
Ten derde, en dat vergeten wij het vaakst: houd rekening met de ander. Als je vrijheid iemand met een tere consciëntie in verwarring brengt, laat je vrijheid dan voor wat ze is. Liefde weegt zwaarder dan gelijk.
Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op. Niemand zoeke het zijne, maar wat des anderen is.
1 Korintiërs 10:23-24
Daar bovenop legt Romeinen 14 de rest: de een houdt de ene dag boven de andere, de ander niet; laat ieder in zijn eigen geest ten volle overtuigd zijn, en veracht elkaar niet. Als dat over sabbatsdagen en menu’s mag gelden, mag het ook over yogamatjes gelden.
En nu, heel praktisch
Dan de vragen waar je iets aan hebt.
Kijk eerst naar de les, niet naar het woord yoga. Wordt er alleen bewogen en gestrekt, of wordt er ook onderwezen? Zijn er mantra’s, wordt er om gezongen, wordt er gesproken over energie, chakra’s of het goddelijke in jou? Wordt er iets van je gevraagd wat aanbidding is? Er zit een wereld van verschil tussen een strekles in de sportschool en een avond bij een yogaschool die zich uitdrukkelijk als spirituele weg presenteert. Vraag het gerust aan de docent; die vertelt het meestal graag, en waardeert dat je serieus neemt wat zij doet.
Let vervolgens op je eigen hart. Waar gaat het heen tijdens dat uur? Dwaalt het af naar de boodschappen, of naar God? Merk je dat je taal verschuift, dat je het universum begint te bedanken? Je hoeft niets te bewijzen. Maar je mag jezelf wel eerlijk observeren. Sommige christenen bidden gewoon terwijl ze daar liggen, en dat is geen truc; dat is je lichaam meenemen naar de plek waar je hart al is.
Zeg gerust dingen niet mee. Namasté en om hoef je niet uit te spreken; niemand controleert dat, en je kunt vriendelijk stil blijven. Wil je het uitleggen, dan doe je dat in één zin: ik doe graag mee met de oefeningen, dat stukje laat ik.
Ken je eigen geweten en je eigen geschiedenis. Voor wie uit New Age-kringen komt of daar ooit diep in zat, kan een yogales zijn wat een kroeg is voor iemand die net droog staat. Dat is geen zwakte, dat is zelfkennis, en Paulus zou de eerste zijn om te zeggen: blijf er dan van weg. En omgekeerd geldt: zit het jou niet dwars, maak dan geen zaak van andermans terughoudendheid.
En bemoei je niet met de vrijheid van je broer of zus. Dit onderwerp heeft in gemeenten te vaak tot verdachtmakingen geleid, waarbij de een de ander occulte invloeden verwijt en de ander de eerste bekrompen noemt. Beide zijn tekortschieten in liefde. Toetsen is Bijbels, iemand veroordelen op een matje niet.
Ten slotte: bied iets aan. Als het verlangen naar rust, naar stilte en naar een lijf dat meedoet zo groot is dat een miljoen Nederlanders er op dinsdagavond voor uitrijdt, dan mag de kerk zich afvragen wat zij daarvoor in huis heeft. Er bestaan ondertussen ook Christelijke versies van yoga, genaamd Tikva. Google het maar eens.
Wij hebben een traditie van stilte, van knielen, van vasten, van het lichaam betrekken bij het gebed. We zijn het alleen grotendeels kwijt. En daarover gaat deel 7. Want de vraag onder de yogamat is uiteindelijk niet de zonnegroet, maar de stilte. Kan een christen mediteren? Wat is mindfulness precies, waar komt het vandaan, en wat deden onze eigen voorvaderen als ze zeiden dat ze de Schrift overdachten? We zoeken het uit.
Doe je zelf yoga, en las je dit met een knoop in je maag? Rustig aan. Dit stuk is geen aanklacht en geen vrijbrief; het is een handreiking om zelf te toetsen. Neem het mee in gebed, praat erover met iemand die je kent, en gun jezelf de tijd. God is niet nerveus over jou.
Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn.
Romeinen 8:1