In veel Aziatische steden ruikt de zevende maanmaand naar rook.
Op straathoeken, voor winkels, bij de poort van een tempel staan metalen tonnen waarin mensen stapels bankbiljetten verbranden. Niet hun eigen geld. Nepgeld. Speciaal gedrukte biljetten, vaak met absurde bedragen erop en soms met de beeltenis van een heer van de onderwereld, bestemd voor iemand die er niet meer is. Naast het geld gaat er meer de vlammen in: papieren huizen, papieren auto’s, een papieren telefoon, kleren van papier. Alles wat een overledene aan de overkant zou kunnen gebruiken, wordt in rook opgestuurd.
Want in die maand gaat volgens het geloof de poort van de onderwereld open en lopen de doden een maand lang vrij rond. Daarom staat er verderop soms een klein podium, waarop een poppenspel of een stuk opera wordt opgevoerd, compleet met muziek en kostuums. Als je goed kijkt, zie je iets vreemds. De voorste rij stoelen is leeg. Bewust leeg. Die rij is niet voor de levenden. Die is voor de goden en voor de rondwarende geesten. Men speelt de voorstelling voor een lege stoel.
In het voorjaar gebeurt het nog eens, en dan rustiger en huiselijker. Qingming heet die dag, wat zoiets betekent als helder en licht. Chinese gezinnen gaan dan naar het graf van hun ouders en grootouders, halen het onkruid weg, boenen de steen schoon en zetten eten neer. Gebraden vlees, fruit, een kop thee, soms een glaasje sterke drank waar opa van hield. Er wordt gebogen, er wordt wierook gebrand, en er gaat papier de vlammen in.
En vandaag, terwijl u dit leest, lopen er in Nederlandse steden en dorpen mensen met een kaarsje over een begraafplaats. Het is 2 november, Allerzielen. Wij denken dat de brandende ton ver weg staat. Houd die gedachte even vast.
De religie zonder naam
Hoeveel mensen dit doen, weet niemand precies, en dat komt doordat het geen kerk is en geen leer heeft. De Chinese volksreligie heeft geen stichter, geen heilig boek, geen lidmaatschap. Ze wordt meestal beschreven als een weefsel van drie draden: het confucianisme met zijn nadruk op kinderlijke piëteit, het daoïsme met zijn goden en geesten, en het boeddhisme dat we in deel 2 en 3 bespraken en dat de leer van karma en wedergeboorte meebracht.
Vraag een Chinese man of hij religieus is en het antwoord is vaak nee. Vraag of hij bij Qingming naar het graf van zijn ouders gaat, en het antwoord is vaak ja, vanzelfsprekend. Zo weinig geloof, zo veel praktijk. Naar schatting gaat het om honderden miljoenen mensen, verspreid over China, Taiwan, Singapore, Maleisië en de hele Chinese diaspora.
Die diaspora reikt tot hier. Ons land heeft een Chinese gemeenschap van ruim honderdduizend mensen, een van de oudste migratiegeschiedenissen die we kennen, begonnen met zeelieden in Rotterdam en Amsterdam. Aan de Zeedijk in Amsterdam staat een Chinese tempel. In Nederlandse steden gaan met Qingming families naar het graf. En het bijzondere is: waar de Boeddha bij ons in het tuincentrum belandde en Holi een dansfestival werd, is dit ons volledig ontgaan. Wij hebben van deze religie niets meegenomen. We weten niet eens dat ze bestaat.
De doden hebben ons nodig
De kern van alles is dit: de band met de doden houdt niet op.
In dit wereldbeeld is een overledene geen afgesloten hoofdstuk maar nog steeds familie, met noden en met invloed. Hij kan het je goed doen gaan, of niet. En hij is voor zijn welbevinden aan de overkant afhankelijk van wat zijn nakomelingen hem sturen. Vandaar het geld, het huis, de telefoon. Wie geen kinderen heeft die aan hem denken, wordt op den duur een van die hongerige geesten uit de zevende maand: een dode die niemand meer voedt, en die daarom rondzwerft.
Daar zit de angst, en daar zit ook de liefde. Het is niet dom, en het is niet gek. Het is een zoon die zijn gestorven vader niet met lege handen wil achterlaten.
En dat verlangen is zo oud als de mensheid zelf. Elk volk, in elke eeuw, heeft er een vorm voor gevonden. Wij leggen bloemen op een graf van iemand die de kleur niet meer ziet. Wij praten tegen een steen. Wij steken een kaarsje aan. De mens kan het niet laten om iets te doen richting de overkant, omdat de gedachte dat we niets meer kúnnen doen bijna niet te dragen is.
Sterker nog, wij hebben onze eigen volksreligie rond de doden, en in deel 8 zagen we hoe makkelijk die taal onze mond in glijdt. Hij kijkt op ons neer. Ze waakt over ons. Ze is nu een sterretje. Niemand die dat zegt, heeft een leer in zijn hoofd. Het zijn zinnen die mensen vinden omdat ze iets nodig hebben wat ze niet meer hebben. En wij, kerkmensen, horen het aan en zeggen meestal niets, omdat wij ook niet goed weten wat we er dan wel over geloven.
Wat zij goed zien
Nu de stap die deze serie altijd zet, en die hier bijna pijnlijk wordt.
Wij zijn onze doden kwijt.
In Oost-Azië is eerbied voor je ouders geen gevoel maar een plicht, en die plicht houdt niet op bij het graf. Er wordt gepoetst, gekookt, gebogen, verteld. Kleinkinderen weten hoe overgrootvader heette en waar hij vandaan kwam. De familie is een lijn die door de dood heen loopt.
En bij ons? Wij regelen een uitvaart, we drinken koffie, en daarna doen we vooral ons best om verder te gaan. Na een jaar spreken we haar naam nog nauwelijks uit, want dat is ongemakkelijk, en we willen niemand belasten. Het graf wordt na twintig jaar geruimd. Onze rouw is efficiënt en eenzaam geworden. Wie bij Qingming een Chinees gezin ziet lachen en huilen en eten bij een schoongemaakte steen, ziet iets terug wat wij zijn verleerd.
En laten we eerlijk zijn: de Bijbel staat op dit punt dichter bij Azië dan bij ons. Eer je vader en je moeder is het enige gebod met een belofte eraan vast. Israël begroef zijn doden met grote zorg, in eigen grond, in de grot bij Machpela waar Abraham en Sara liggen. Jozef laat op zijn sterfbed zweren dat ze zijn botten meenemen als ze ooit uit Egypte vertrekken, en vierhonderd jaar later sjouwt Mozes ze mee de woestijn in. Dat is geen bijgeloof. Dat is een volk dat weet dat de doden erbij horen.
De kerk wist dat trouwens ook, lang. Hebreeën 11 is niets anders dan een lange lijst namen van gestorvenen die nog steeds spreken, en het hoofdstuk erna noemt hen een wolk van getuigen om ons heen. Wij zijn dat kwijtgeraakt, vaak uit angst voor heiligenverering, en we hebben er de leegte voor teruggekregen.
Waar het schuurt
En toch. Wie de brandende ton lang genoeg bekijkt, ziet drie dingen die het evangelie anders zegt.
Het eerste is de richting van de afhankelijkheid. In deze wereld zijn de doden aangewezen op de levenden. Jouw vader komt tekort als jij vergeet te sturen. Dat is een ondraaglijke last, en ze valt het zwaarst op wie het minst heeft: wie geen geld heeft voor offers, wie geen zonen heeft, wie zelf jong sterft. De Bijbel keert die richting om. De doden zijn niet in onze hand maar in Gods hand, en Jezus zegt over Abraham, Isaak en Jakob iets wat alles verandert:
Hij is niet een God van doden, maar van levenden, want voor Hem leven zij allen.
Lucas 20:38
Voor Hem leven zij allen. Niet dankzij ons. Wie in Christus gestorven is, is niet afhankelijk van de zorg van zijn nabestaanden, maar veilig bij de Herder die hem al bij name kende. Dat is geen kille correctie; dat is opluchting. Je hoeft je vader niet meer te onderhouden. Hij wordt onderhouden.
Het tweede is de grens. De Schrift verbiedt het raadplegen van de doden, en niet met kleine lettertjes. Saul, die zelf de waarzeggers uit het land had verdreven, sluipt in zijn wanhoop ’s nachts naar de vrouw in Endor om de gestorven Samuel te laten oproepen, en het loopt uit op het donkerste hoofdstuk van zijn leven. Die grens staat er niet omdat de doden er niet toe doen. Ze staat er omdat God er is. Zodra de doden iets van ons willen en wij iets van hen, ontstaat er een tweede loket naast God, met eigen eisen en eigen angsten. En angst is precies wat je terugziet in de zevende maand: het hele feest bestaat om geesten te sussen die anders schade doen.
Het derde is het nepgeld zelf, en dat brengt de spiegel dichtbij. Onder de brandende ton zit de gedachte dat de onzichtbare wereld iets van ons wil en dat wij moeten inbrengen. Maar de God van de Schrift laat zich niet voeden. In Psalm 50 zegt Hij het zelf, bijna met een glimlach: als Ik honger had, zou Ik het jou niet vragen, want de wereld is van Mij en alles wat daarop leeft.
Zou Ik het vlees van stieren eten, of het bloed van bokken drinken? Breng God een offer van dank, en kom uw geloften na.
naar Psalm 50:13-14
En Micha stelt de vraag die iedere religieuze mens vroeg of laat stelt: waarmee zal ik de HEER tegemoet treden? Met duizenden rammen? Met tienduizend beken vol olie? Met mijn eerstgeborene, als betaling voor mijn zonde? Het is de oervraag van de brandende ton. En het antwoord dat komt, is geen prijslijst maar een omkering: er is je verteld wat goed is, namelijk recht doen, trouw liefhebben, en nederig wandelen met je God.
Wij branden overigens ook nepgeld, alleen netter en in het Nederlands. Onze goede werken, onze trouwe kerkgang, onze kennis van de Schrift, opgestapeld en omhooggestuurd in de stille hoop dat het daar iets waard is. Dat is nepgeld. Niet omdat goede werken slecht zijn, ze zijn juist prachtig, maar omdat ze de verkeerde functie krijgen zodra je ermee wilt betalen. Het is dezelfde weegschaal als in deel 5, nu in rook opgestuurd. En wij spelen ook onze voorstelling voor een lege stoel: religie, opgevoerd voor een God van wie wij denken dat Hij met de armen over elkaar zit te wachten tot onze prestatie goed genoeg is. Zo veel vroomheid is theater voor een toeschouwer die we ons verkeerd hebben voorgesteld.
U bent niet vrijgekocht met vergankelijke dingen als zilver of goud, maar met het kostbare bloed van Christus.
naar 1 Petrus 1:18-19
En die lege stoel op de eerste rij? In het evangelie is die niet leeg. Daar zit geen god die gevoed moet worden en geen dode die onze rook nodig heeft. Daar zit een Vader die niets van ons vroeg wat Hij niet eerst zelf gaf, en die is opgestaan van zijn plaats en ons tegemoet gelopen toen wij nog ver weg waren.
Wat doe je dan met Qingming?
Dit is geen theoretische vraag. Voor Chinese christenen wereldwijd is het dé vraag, al eeuwen. Toen jezuïeten in de zestiende en zeventiende eeuw in China werkten, betoogden zij dat de riten voor de voorouders vooral eerbetoon waren en dus toelaatbaar. Rome besliste uiteindelijk anders, de keizer sloot daarop de deur voor de zending, en pas in de twintigste eeuw werd het oordeel bijgesteld. Een ruzie over rituelen heeft de kerk in China generaties gekost. Dat mag ons voorzichtig maken met snelle antwoorden.
De lijn die de meeste Chinese kerken vandaag trekken, lijkt op wat we in deel 5 over Divali schreven. Ga mee naar het graf. Veeg de steen schoon, breng bloemen, vertel de verhalen, eer je ouders, want dat is een gebod en geen concessie. Maar buig niet in aanbidding, brand geen offers, en richt je woorden niet tot de overledene. Wees daar rustig eerlijk over: ik kom mijn vader eren; bidden doe ik tot God. In veel families wordt dat, na de eerste schrik, gerespecteerd. En wie het aandurft, kan bij het graf hardop danken voor wie zijn ouders waren. Dat is aanbidding op de juiste plek, in het bijzijn van de mensen die het moeten horen.
En het gesprek met je Chinese buurman of collega? Begin niet bij het papiergeld, want daar begin je bij wat het minst weegt. Begin bij zijn vader. Vraag naar de verhalen, naar waar de familie vandaan komt, naar wat hij met Qingming doet. En stel dan, ergens onderweg, de vraag die dit hele stuk draagt: wie zorgt er eigenlijk voor onze doden? Dat is geen strikvraag. Voor wie elk jaar opnieuw moet sturen, is het antwoord van het evangelie het beste nieuws dat er is.
Maar de scherpste vraag van dit artikel is voor ons, en vandaag helemaal. Waar zijn onze doden gebleven? Wanneer heb jij voor het laatst de naam van je gestorven moeder hardop genoemd aan tafel, niet fluisterend, gewoon in een verhaal? Wij hoeven geen rook op te sturen. Maar wij mogen wel weer leren rouwen in het openbaar, namen noemen, verhalen doorgeven, en bij het graf staan zonder haast.
Over een paar weken, veelal op de laatste zondag van het kerkelijk jaar, worden in veel gemeenten de namen genoemd van wie het afgelopen jaar gestorven zijn, en wordt er voor ieder een kaars aangestoken. Als uw gemeente dat niet doet: stel het voor. Het is geen heiligenverering en het is geen rook. Het is een wolk van getuigen die even hardop bestaat.
Het graf dat leeg was
Dat is het ongemakkelijk goede nieuws van deze aflevering. Ongemakkelijk, omdat het ons uit handen slaat wat we zo graag zelf willen doen. We willen betalen. We willen bijdragen. We willen iets kunnen aanwijzen dat van ons is. En het evangelie zegt: leg dat biljet maar neer, je hoeft de ton niet aan te steken, want het is volbracht.
En dan dit. Overal ter wereld gaan mensen naar graven, vandaag ook hier. In het evangelie doen vrouwen precies hetzelfde: ze gaan op weg naar een graf, in het donker, met specerijen in hun handen, om te doen wat je voor je doden hoort te doen. Ze komen aan en de steen is weg. Wat zij meebrachten, was niet meer nodig. Er was Iemand doorheen gegaan en aan de andere kant weer naar buiten gelopen.
Daarom hoeven wij onze doden niets meer te sturen. De weg naar de overkant is niet met papier geplaveid maar met een leeg graf.
Ben je zelf in rouw, en las je dit stuk vooral met de naam van iemand in je hoofd? Weet dan dat het gemis geen zwakte is en het missen geen gebrek aan geloof. Zoek de mensen op die zijn naam ook kennen, in je gemeente, aan je keukentafel, en zeg hem hardop. Een blog kan je die tafel niet geven, maar hij kan er wel naartoe wijzen.
Hiermee zijn we aan het einde van onze reis door het oosten. In deel 10, de afsluiting van deze serie, leggen we alles naast elkaar: de prins, de rivier, de mat, de stilte, de spreektaal en de rook. Negen afleveringen lang hebben we gekeken en gewogen. Dan blijft de vraag over waar het vanaf het begin om ging: wat maakt het evangelie nu werkelijk anders dan elke andere weg, en hoe ga je daarmee de maandagochtend in?
Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven.
Johannes 11:25