Over een oude man in een heilige rivier, driehonderddertig miljoen goden, en het ene verlangen dat ons bekender voorkomt dan we denken.
Het is nog donker als hij het water in stapt. Varanasi, India, even voor zonsopgang. Langs de brede stenen trappen van de rivieroever bewegen duizenden mensen naar het water van de Ganges. Een oude man staat tot zijn middel in de rivier, schept met beide handen water op en laat het langzaam teruglopen, zijn gezicht naar de plek waar de zon zal opkomen. Dit water, gelooft hij, wast zonden af. De rivier zelf is een godin, ooit uit de hemel neergedaald. En een paar honderd meter verderop, langs dezelfde oever, branden vuren die nooit doven: wie in deze stad sterft en hier verbrand wordt, zo gaat het geloof, hoeft niet meer terug te komen in de kringloop van geboorte en dood.
Welkom in de oudste levende religie van de wereld. Ruim een miljard mensen, vier op de vijf Indiërs, heel Nepal, het eiland Bali. En dichterbij dan je denkt: ons land telt ruim honderdduizend hindoes, de meeste gezinnen met wortels die via Suriname naar India teruglopen, nazaten van contractarbeiders die daar eind negentiende eeuw heen werden gebracht. In Den Haag wordt Divali inmiddels groots gevierd. En de losse onderdelen namen we allang over: we zeggen namasté na de yogales, we praten over karma en chakra’s, en van Holi, het hindoefeest van de kleuren, maakten we een dansfestival met poederverf. Wat we met de Boeddha deden in het tuincentrum, deden we met Holi op het festivalterrein: meenemen zonder mee te nemen wat het betekent.
Tijd dus om echt te kijken. Zoals afgesproken in deze serie vertellen we eerst het verhaal, zo eerlijk dat een hindoe zichzelf erin herkent. De weging komt in deel 5. Vandaag lopen we eerst rond.
De rivier zonder bron
Tot nu toe hadden onze verhalen een beginpunt: een apostel op een heuvel, een prins onder een boom. Het hindoeïsme heeft geen beginpunt. Geen stichter, geen openbaringsmoment, geen centrale leiding, geen kerkverband, zelfs geen eigen naam: het woord hindoe is een buitenstaanderswoord, afgeleid van de rivier de Indus. Wie het de gelovigen zelf vraagt, hoort vaak sanatana dharma: de eeuwige orde.
Je kunt het hindoeïsme dan ook beter geen gebouw noemen, maar een rivier. Ruim drieduizend jaar oud, met wortels die mogelijk nog dieper gaan, gevoed door talloze zijstromen. De oudste laag zijn de Veda’s, hymnen en offerteksten. Daarna kwamen de Upanishaden, filosofische gesprekken over de vraag wat er achter alles zit. Weer later de grote epen, met daarin de tekst die tot vandaag het meest geliefd is: de Bhagavad Gita, een gesprek op een slagveld tussen de krijger Arjuna en de god Krishna, over plicht, over de ziel, over de vraag hoe je moet leven als alles je uit handen valt.
Al die lagen bestaan naast elkaar, en dat verklaart iets wat westerse bezoekers vaak duizelt: onder dit ene dak wonen aanhangers van één wereldziel, vereerders van een persoonlijke God, aanbidders van vele goden en zelfs filosofische scholen zonder god. Vraag tien hindoes wat ze geloven en je krijgt dertien antwoorden, en vrijwel niemand van hen vindt dat een probleem. De rivier heeft ruimte voor veel water.
Het rad en de uitweg
Toch stroomt onder al die verscheidenheid een gedeelde bedding, en die laat zich in een handvol woorden samenvatten.
De kernwoorden van het hindoeïsme in het kort
Brahman: de ene werkelijkheid achter alles, de wereldziel. Atman: de ziel, het diepste zelf. De Upanishaden zeggen: atman en Brahman zijn één. “Dat ben jij.” Samsara: het rad van geboorte, dood en wedergeboorte waarin elke ziel ronddraait. Karma: de wet van daad en gevolg, die je van leven naar leven meedraagt. Dharma: de orde, en jouw plicht daarbinnen, afhankelijk van wie en waar je bent. Moksha: bevrijding uit het rad. Het einddoel van alles.
Let vooral op dat laatste woord, want daar zit het ene verlangen uit onze titel. Achter de tempels, de rituelen en de miljoenen goden gaat één vraag schuil: hoe kom ik vrij? Het bestaan is in deze visie een rad dat maar blijft draaien. Je sterft, en je komt terug, en waar je terugkomt, bepaalt je karma: elke daad, goed of kwaad, weegt mee in de stand van je volgende leven. Niet omdat een god boekhoudt, maar omdat het een wet is, zo onpersoonlijk en onontkoombaar als de zwaartekracht. Wie goed leeft, stijgt. Wie slecht leeft, daalt. En moksha, de bevrijding, is het moment waarop de druppel eindelijk terugvalt in de oceaan en het rad voor jou stilstaat. Al zeggen de stromingen die een persoonlijke God vereren het anders: de ziel gaat niet op in de oceaan, maar mag eeuwig bij haar God zijn. Onthoud ook dat verschil; het wordt nog belangrijk.
Eerlijk vertellen betekent hier ook de schaduw benoemen. Karma kreeg in India een maatschappelijke gestalte: het kastenstelsel. Een oude hymne beschrijft hoe de standen voortkwamen uit het lichaam van een oerwezen, van de priesters als de mond tot de arbeiders als de voeten, en daarbuiten kwamen de mensen te staan die lange tijd onaanraakbaar heetten. Waar je geboren wordt, zo redeneerde men eeuwenlang, weerspiegelt wat je in vorige levens deed. De Indiase grondwet verbiedt discriminatie op kaste al sinds 1950, veel hindoes verzetten zich vandaag hartgrondig tegen het denken in kasten, en toch is het in delen van de samenleving taai. Hoe karma en kaste zich tot elkaar verhouden, en wat het evangelie daar tegenover zet, bewaren we voor deel 5.
Driehonderddertig miljoen gezichten
En dan de goden. In deel 1 spraken we van een miljoen goden; de werkelijkheid overtreft onze titel royaal, want het spreekwoordelijke getal onder hindoes zelf is driehonderddertig miljoen. Brahma die schept, Vishnu die onderhoudt en in gestalten als Rama en Krishna naar de aarde afdaalt, Shiva die afbreekt en vernieuwt, de grote Godin in haar vele vormen, en Ganesha met zijn olifantenhoofd, de verwijderaar van obstakels, die je ook op menig Nederlandse vensterbank tegenkomt.
Maar wie een hindoe vraagt of hij werkelijk driehonderddertig miljoen goden aanbidt, krijgt vaak een mild antwoord: de beelden zijn vensters, geen eindstations. Al in de Veda’s staat een zin die hindoes graag citeren: de waarheid is één; de wijzen noemen haar met vele namen. Veel hindoes zien alle goden als gezichten van de ene werkelijkheid, en kiezen er één als hun eigen venster.
De praktijk is misschien wel het meest indrukwekkende deel. Vrijwel elk hindoegezin heeft thuis een altaar, hoe klein ook. Voor het eten wordt het voedsel eerst aangeboden. In de tempel draait alles om darshan: de godheid zien en door de godheid gezien worden, met bloemen, fruit, wierook en vuur. Er zijn feesten door het hele jaar, van Divali met zijn lichtjes tot Holi met zijn kleuren. En eens in de zoveel jaar komt bij de samenvloeiing van heilige rivieren de Kumbh Mela samen, met op de drukste dagen tientallen miljoenen pelgrims tegelijk: de grootste bijeenkomst van mensen op aarde, allemaal gekomen om te baden in een rivier.
Paulus zei tegen de Atheners dat hij zag dat ze in alle opzichten buitengewoon godsdienstig waren. Hij had Varanasi nog niet gezien.
Wat zij goed zien
Nu het tweede deel van onze belofte: ruiterlijk benoemen wat deze traditie goed ziet. Dat is bij het hindoeïsme niet moeilijk.
Om te beginnen: hier bestaat geen scheiding tussen heilig en gewoon. God zit niet in een apart hokje van de week; hij is in de keuken, bij het eten, bij geboorte en huwelijk en dood, in de groet waarmee je iemand ontmoet. Namasté betekent zoiets als: ik buig voor het goddelijke in jou. Vergelijk dat eens met ons eigen leven, waarin we God nogal eens inplannen op zondag tussen tien en half twaalf, en de rest van de week draait op eigen kracht. Een gemiddeld hindoegezin beschaamt menig christelijk huishouden in de vanzelfsprekendheid waarmee het geloof door de dag geweven zit.
Ten tweede: het verlangen zelf. Een miljard mensen richt zijn leven in rond de overtuiging dat deze wereld niet het einde is en dat er met de ziel iets moet gebeuren. Terwijl onze cultuur de eeuwigheid heeft wegbezuinigd en het hoogste doel een afbetaald huis is geworden, leeft hier een beschaving die al drieduizend jaar zegt: er is een rad, en er is een uitweg, en niets is belangrijker dan die uitweg vinden. Dat verlangen komt ons bekender voor dan we denken, want de Bijbel zegt dat God het er zelf in heeft gelegd:
Alles heeft Hij voortreffelijk gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd.
Prediker 3:11
Ten derde: de morele ernst van karma. In dit wereldbeeld is het heelal niet onverschillig. Daden doen ertoe, tot in de kleinste keuze; er wordt gezaaid en geoogst. Ook dat is geen vreemde taal voor wie de Schrift kent: wat een mens zaait, zal hij ook oogsten, schrijft Paulus. Of die wet ook het laatste woord heeft, is een andere vraag, en juist die bewaren we voor deel 5.
En ten vierde, misschien wel het ontroerendst: de bhakti. Binnen een filosofie die zegt dat de druppel moet opgaan in de oceaan, kozen door de eeuwen heen miljoenen gewone hindoes een andere weg: die van de liefdevolle toewijding aan een persoonlijke God. Ze zingen voor hem, huilen bij hem, brengen hem bloemen, noemen hem bij de naam. Het hart wil blijkbaar niet oplossen in een oceaan; het wil Iemand aankijken. Wie deel 3 heeft gelezen, herkent het patroon: net als in het boeddhisme breekt ook hier, dwars door het systeem heen, een honger naar het persoonlijke naar buiten.
Maar er blijft een vraag liggen
En toch. Wie lang genoeg naar het rad kijkt, voelt het gewicht ervan.
Want als karma een wet is, dan is alles wat je overkomt, verdiend. De ziekte van een kind, de armoede van een gezin, de plek waar je wieg stond: ergens in een vorig leven, dat je je niet herinnert, moet de rekening zijn opgebouwd. Wat zeg je dan bij een ziekbed? En de ladder omhoog heeft geen bovenkant die je kunt zien: moksha wenkt, maar na hoeveel levens? Wie lost een schuld af waarvan hij het beginsaldo niet kent? De weegschaal van karma komt nooit tot rust, en jij bent de enige die hem vullen kan.
Het opmerkelijke is dat het hindoeïsme die zwaarte zelf ook voelt. De bhakti-stromingen zingen al eeuwen dat liefde meer vermag dan verdienste. En in hun geliefdste boek, de Bhagavad Gita, doet Krishna vlak voor het einde een belofte die je bijna voor een zin van Paulus zou kunnen aanzien. Welke dat is, en waarom het verschil met het evangelie dan tóch de hele wereld uitmaakt, lees je in deel 5: over de weegschaal die nooit stopt, en de hand die hem stilzet. Over de rivier waar jij naartoe moet reizen, en de bron die naar jou toe komt. En heel praktisch: over het gesprek met je hindoestaanse collega, en of je ja kunt zeggen als de buren je uitnodigen voor Divali.
Heb je hindoestaanse buren, collega’s of familie? Dan woont de dichtstbijzijnde deskundige misschien twee deuren verderop. Vraag eens naar hun feest, hun altaar, hun verhaal; de meeste mensen vertellen graag, en oprechte belangstelling is zeldzamer dan je denkt. En herken je in dit artikel maar half wat je bij hen ziet: dat klopt waarschijnlijk. Het Surinaams-hindoestaanse geloof heeft eigen accenten, en voor veel Nederlandse hindoes is het net zo goed familie en cultuur als leer. Ook dat is een mooie gespreksopening.
Hij zal Zich wederom over ons ontfermen, Hij zal onze ongerechtigheden vertreden. Ja, Gij zult al onze zonden werpen in de diepten der zee.
Micha 7:19