Iemand snijdt je af op de snelweg, rijdt veel te hard door, en twee kilometer verderop staat hij met knipperlichten langs de kant met een agent naast zich. Wat zeg je dan? Precies. Karma.

Je collega vertelt dat ze haar nieuwe huis kreeg nadat ze het had opgeschreven en er elke dag aan dacht. Het universum bracht het op mijn pad. Op de tijdlijn scrollt iemand voorbij die een moeilijke periode achter de rug heeft: alles gebeurt met een reden. En je nichtje van negentien, die nooit in een kerk is geweest, weet precies wat haar sterrenbeeld over haar zegt en waarom deze week een rare energie heeft.

Wij zijn, zeggen de statistieken, een van de minst kerkelijke landen van Europa. En tegelijk praten wij de hele dag door in religieuze taal. Alleen niet in de onze.

Hoe het hier kwam

Het is niet uit de lucht komen vallen. De route is redelijk goed te volgen.

In de negentiende eeuw ontstond de theosofie, een Westerse beweging die oosterse begrippen als karma en reïncarnatie in een Europees jasje stak. In 1893 sprak de Indiase monnik Vivekananda in Chicago, en het Westen ontdekte de yogafilosofie. In de jaren zestig gingen de Beatles naar India en werd transcendente meditatie een begrip. In de jaren tachtig kwam New Age, met kristallen, energie en het Aquariustijdperk. En in de jaren nul kwam het grote publiek erbij via zelfhulpboeken over de wet van de aantrekking, waarna de wellnessindustrie en later de sociale media het overnamen.

Dat laatste stukje ging razendsnel. Manifesteren werd een videogenre. Chakra’s kregen kleuren op posters bij de kringloop. Tarot en astrologie beleefden een opleving onder jonge mensen, vooral onder jonge vrouwen. En de grootste groep in ons land is inmiddels niet gelovig en niet atheïstisch, maar iets ertussenin: mensen die niet bij een kerk horen en tegelijk zeggen dat er wel iets is.

Onze oogkleppen zaten dus verkeerd om. Wij dachten dat het oosten ver weg was. Het zat al in onze zinnen.

Wat wij ervan gemaakt hebben

Nu het opvallendste, en de eerlijkheid van deze serie vraagt dat we het zeggen: wat wij karma noemen, is niet wat een hindoe of boeddhist eronder verstaat.

In deel 4 en 5 zagen we het echte karma: een wet die geldt over vele levens heen, met als doel dat je er ooit uit ontsnapt. Het is een rad waar je vanaf wilt. Het gaat over jou, en het is loodzwaar.

Ons karma is iets heel anders. Het gaat vrijwel altijd over iemand anders, het werkt binnen een paar dagen, en het is vooral leuk als het een hufter treft. Karma is a bitch, zeggen we dan, en we bedoelen: fijn, het klopt, hij heeft zijn verdiende loon. Wij hebben van een verlossingsleer een wraakfantasie gemaakt. En we hebben er precies het ene onderdeel uitgesloopt waar het in India om begonnen was: de uitweg.

Met het universum deden we iets vergelijkbaars. Het geeft, het stuurt tekens, het brengt mensen op je pad, het heeft een plan met je. Het lijkt sprekend op God, met één cruciaal verschil: het vraagt niets. Het wordt nooit boos, het stelt geen eisen, het heeft geen mening over hoe je leeft. Je hoeft er niet voor te knielen en er nooit iets aan uit te leggen. Het is precies jouw maat.

En manifesteren, hoe oosters het ook klinkt, komt eigenlijk uit Amerika: uit een negentiende-eeuwse positief-denken-beweging die leerde dat je gedachten de werkelijkheid vormen. Wat de nieuwe naam is voor een oud idee: als je maar hard genoeg gelooft, krijg je wat je wilt.

En daar moeten we onszelf even in de spiegel laten kijken. Want datzelfde idee heeft ook een christelijke variant, en die heet het welvaartsevangelie. Dezelfde motor, andere stickers. Spreek het uit, claim het, twijfel niet, en het valt je toe. Wie manifesteren onzin vindt maar in de kerk hetzelfde mechanisme aanhoort, moet nog eens goed nadenken.

Wat het goed ziet

En toch, en dit is belangrijker dan de spot: onder al die woorden zit iets echts.

Om te beginnen bewijzen ze dat mensen niet in een lege wereld kunnen leven. Wij zijn een land dat de kerk grotendeels verliet en vervolgens massaal iets anders aanschafte. Dat is niet dom, dat is menselijk. De honger is er gewoon. Paulus zei tegen de Atheners dat God ons zo gemaakt heeft dat wij Hem zouden zoeken en al tastende vinden, en dat tasten is precies wat je hoort in ik geloof wel dat er iets is.

Ten tweede: er zit een moreel instinct in. Wie karma zegt, zegt eigenlijk dat het niet klopt als een schurk ermee wegkomt. Dat is een verlangen naar recht, en dat is Bijbels. De psalmen staan er vol mee: hoelang nog, waarom gaat het de goddeloze goed. Het verschil is dat de psalmist dat verlangen niet aan een wet toevertrouwt maar aan een Rechter.

En ten derde neemt deze taal serieus dat woorden en gedachten iets doen. Ook dat is niet vreemd voor wie Spreuken kent: dood en leven zijn in de macht van de tong. Onze cultuur is daar terecht gevoelig voor, ook al is de conclusie soms mis.

Waar het schuurt

Maar er zijn drie plekken waar deze taal breekt, en ze breken altijd op hetzelfde moment: als het echt ergens over gaat.

De eerste is dat het universum geen gezicht heeft. Het kan je iets sturen, maar het kan je niet kennen. Het heeft geen naam, het spreekt niet terug, en je kunt er nooit achterkomen wat het van je vindt. Het is, om de woorden van deel 1 te lenen, precies het altaar van de onbekende god. Miljoenen mensen richten hun hoop op iets waarvan ze niet weten of het iets van hen weet.

De tweede is dat karma niet kan troosten. Zeg tegen een moeder van wie het kind ziek is dat alles gebeurt met een reden, en kijk wat er in haar ogen gebeurt. Deze taal werkt prima zolang het over de bumperklever gaat, maar op het moment dat het lijden bij jezelf aanklopt, verandert ze in een aanklacht: wat heb ik gedaan dat ik dit verdien? En manifesteren doet dat nog scherper. Als jouw gedachten je werkelijkheid maken, dan is jouw ziekte, jouw ontslag, jouw scheiding uiteindelijk jouw fout. Er is geen wredere theologie dan die je verantwoordelijk maakt voor alles wat je overkomt.

De derde is de diepste: dit is geloof zonder overgave. Alles aan deze spiritualiteit is zo gebouwd dat er nooit iets van je gevraagd wordt. Je kiest wat resoneert, je laat de rest liggen, en je hoeft nooit iets af te leggen. Dat klinkt vrij, maar het levert een god op die nooit iets kan zeggen wat je niet wilt horen. En dus ook geen god die je ooit ergens uit kan halen.

Want mijn volk heeft twee boze daden bedreven: Mij, de bron van levend water, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.

Jeremia 2:13

Dat is het scherpst denkbare oordeel, en het gaat niet over hindoes. Het gaat over gelovigen.

En nu, aan de keukentafel

Dan het praktische deel. Wat doe je als je zwager voor de derde keer het universum bedankt?

Corrigeer het woord niet. Dat is de eerste en belangrijkste raad. Zodra jij begint uit te leggen dat karma eigenlijk iets anders betekent, wordt het een lesje en klapt het gesprek dicht. Bovendien bedoelen mensen zelden wat het woord letterlijk zegt; het is spreektaal, geen belijdenis.

Vraag in plaats daarvan wat ze bedoelen. Wat is dat voor jou, het universum? Denk je dat het je kent? Dat is geen strikvraag als je hem echt nieuwsgierig stelt, en het antwoord is vaak verrassend eerlijk: geen idee, maar ik hoop het.

En laat, als het gesprek daar aan toe is, één verschil vallen. Niet drie, één. Bijvoorbeeld deze: dat wat jij het universum noemt, in mijn geloof een naam heeft, en dat het andersom werkt. Ik hoef geen tekens te ontcijferen; Hij heeft gesproken. Of deze, als er verdriet in het spel is: ik geloof niet dat dit je overkomen is omdat je het verdiende. Ik geloof dat er Iemand is die het met je draagt. Dat laatste is voor veel mensen het eerste stukje evangelie dat ze ooit gehoord hebben zonder dat het als preek voelde.

En let dan nog even op je eigen taal. Want deze woorden zijn ook onze kerkbanken binnengeslopen. Alles gebeurt met een reden zeggen wij net zo hard, en het is geen Bijbeltekst. Het lijkt op Romeinen 8, waar staat dat God alle dingen doet meewerken ten goede voor wie Hem liefhebben, maar dat is iets anders. Daar staat niet dat elk kwaad een verborgen bedoeling heeft. Daar staat dat Iemand er iets goeds uit weeft, en dat is precies het verschil tussen een lot en een Vader.

De onbekende god heeft een naam

We begonnen deze serie in Athene, bij een apostel die tussen de altaren rondliep tot hij er een vond met een opschrift dat hem raakte. Aan een onbekende god. Hij gebruikte dat altaar niet om de Atheners uit te lachen, maar als adres.

Dat altaar staat nog. Het heet alleen anders. Het staat op tijdlijnen, in podcasts, in vision boards en in de gewoonste zinnen van je zwager. En het zegt hetzelfde: er is iets, en ik weet niet wat.

Onze taak is niet dat altaar omver te schoppen. Onze taak is te doen wat Paulus deed: erbij gaan staan, het serieus nemen, en zeggen wat hij zei.

Wat gij dan, zonder het te kennen, vereert, dat verkondig ik u.

Handelingen 17:23

Want het grote verschil zit niet in de vraag of er iets is. Daar zijn de meeste Nederlanders het inmiddels weer over eens. Het verschil zit in de vraag of dat iets een Iemand is, en of Hij jouw naam kent. Het universum kan je een teken sturen. Alleen een Herder roept zijn schapen bij name.

In deel 9 reizen we naar Oost-Azië, waar mensen op straathoeken geld verbranden voor hun gestorven ouders. Het lijkt het verste van ons af te staan van alles wat we tot nu toe bespraken. Maar het stelt de vraag die wij misschien wel het hardst zijn kwijtgeraakt: wie zorgt er eigenlijk voor onze doden?

Blijf op de hoogte 📖
Nieuwe blogs direct in je inbox.

Meld je aan en ontvang iedere zaterdagmorgen een e-mail met een overzicht van de nieuwe blogs op Woord & Geest.

We sturen alleen een mail bij een nieuw artikel. Geen spam. Lees ons privacybeleid voor meer info.